De kinderrechter van Rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 januari 2026 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen tot 28 januari 2027. Dit besluit volgt op een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) die de verlenging noodzakelijk acht vanwege langdurige problemen en de bedreigde sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van de minderjarige.
De minderjarige woont momenteel bij haar vader, na een machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder verzet zich niet tegen verlenging, maar wenst een termijn van maximaal zes maanden, stellende dat de doelen binnen die periode kunnen worden bereikt. De vader en GI vinden een jaar noodzakelijk vanwege de problematische omgang en het gebrek aan emotionele toestemming van de moeder voor contact tussen de minderjarige en haar vader.
De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling proportioneel en noodzakelijk is, mede omdat de moeder onvoldoende meewerkt aan hulpverlening en communicatie. Er is sprake van kenmerken van ouderverstoting en een dreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige. De hulpverlening moet gericht zijn op het verbeteren van de omgang en samenwerking tussen ouders, met verschillende doelen afhankelijk van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.