ECLI:NL:RBMNE:2026:729

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/16/603196
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling en problematische omgang

De kinderrechter van Rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 januari 2026 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen tot 28 januari 2027. Dit besluit volgt op een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) die de verlenging noodzakelijk acht vanwege langdurige problemen en de bedreigde sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van de minderjarige.

De minderjarige woont momenteel bij haar vader, na een machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder verzet zich niet tegen verlenging, maar wenst een termijn van maximaal zes maanden, stellende dat de doelen binnen die periode kunnen worden bereikt. De vader en GI vinden een jaar noodzakelijk vanwege de problematische omgang en het gebrek aan emotionele toestemming van de moeder voor contact tussen de minderjarige en haar vader.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling proportioneel en noodzakelijk is, mede omdat de moeder onvoldoende meewerkt aan hulpverlening en communicatie. Er is sprake van kenmerken van ouderverstoting en een dreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige. De hulpverlening moet gericht zijn op het verbeteren van de omgang en samenwerking tussen ouders, met verschillende doelen afhankelijk van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige met een jaar tot 28 januari 2027 vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling en problematische omgang tussen ouders.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/603196 / JL RK 25-840
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaten: mr. G.G. Kempenaars en mr. I. Roos,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 november 2025;
- het bericht van de moeder met bijlagen 1 tot en met 14, ontvangen op 12 januari 2026. [1]
1.2.
De mondelinge behandeling (zitting) met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat mr. Roos;
- [A] en [B] namens de GI.
1.3.
Op deze zitting is gelijktijdig de zaak met zaaknummer C/16/604753 /
JL RK 25-913 over een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing behandeld.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] nemen.
2.2.
[minderjarige] woont op dit moment bij haar vader.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 28 januari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 januari 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 december 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader tot 28 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De GI
4.1.
De GI vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar noodzakelijk, vanwege de langdurige problemen die aan de ondertoezichtstelling vooraf zijn gegaan en het verloop van de ondertoezichtstelling tot nu toe. [minderjarige] woont nu, sinds er een machtiging uithuisplaatsing is verleend, bij haar vader en daar gaat het goed. Er is inmiddels hulpverlening aangevraagd bij Curess, zodat er opvoedondersteuning voor de vader en begeleiding voor de omgang met de moeder kan worden ingezet. Tot nu toe is er elke week contact geweest met de moeder. Het fysieke contact verloopt problematisch, omdat de moeder nog altijd geen emotionele toestemming geeft voor het contact met de vader. Daardoor verloopt het afscheid nemen na de omgang heel moeilijk. De GI wenst NIKA in te zetten om te onderzoeken waarom de omgang met de vader, ondanks diverse rechterlijke uitspraken, nooit structureel is opgestart en hoe hier in de toekomst aan gewerkt kan worden. Deze hulpverlening is afhankelijk van de financiering van de gemeente. Daar is op dit moment nog geen duidelijkheid over. Ook moet er gewerkt worden aan de samenwerking tussen de ouders, zodat er in de toekomst wel een omgangsregeling in het vrijwillige kader kan komen.
De moeder
4.2.
De moeder verzet zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzoekt de kinderrechter om de duur van de verlenging te beperken tot maximaal zes maanden. Volgens de moeder is er sprake van een ‘omgangsondertoezichtstelling’, waardoor er zware motiveringseisen gelden voor de duur van de ondertoezichtstelling. De moeder erkent dat er moet worden gewerkt aan het bestendigen van het contact tussen [minderjarige] en beide ouders, de naleving van de omgangsregeling die door het gerechtshof is vastgesteld en het NIKA-traject, maar deze doelen kunnen volgens de moeder binnen een periode van zes maanden behaald worden. Een langere duur van de ondertoezichtstelling is daardoor disproportioneel. De moeder heeft door de uithuisplaatsing van [minderjarige] in december 2025 ‘haar lesje geleerd’, zo heeft haar advocaat betoogd. Daarom zal zij in het vervolg de door de rechter bepaalde omgangsregeling wel nakomen.
De vader
4.3.
De vader stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Een kortere termijn vindt de vader niet realistisch. De vader heeft jarenlang procedures gevoerd over de erkenning, het gezag en de omgang. Hij vertrouwt er niet op dat de moeder nu op korte termijn wel vrijwillig toestemming – en emotionele toestemming – voor de omgang gaat geven. Sinds [minderjarige] bij haar vader woont, hebben zij elkaar eindelijk goed kunnen leren kennen. De vader en zijn partner proberen haar liefdevol te begrenzen en te troosten wanneer [minderjarige] haar moeder mist. De vader benadrukt dat hij zo goed mogelijk ruimte geeft voor dit gemis van [minderjarige] , dat hij de samenwerking met de moeder wil blijven opzoeken en dat hij [minderjarige] het contact met haar moeder gunt. Op dit moment verloopt het begeleide contact van de moeder met [minderjarige] nog niet zoals zou moeten. De moeder geeft [minderjarige] verbaal en non-verbaal niet de toestemming om terug naar haar vader te gaan. Gecombineerd met het feit dat de moeder voorwaarden blijft stellen aan de hulpverlening, maakt dit dat de vader het niet realistisch vindt dat de hulpverlening binnen zes maanden naar het vrijwillig kader kan worden overgedragen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [2] De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] daarom, en doet dit voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er zijn zorgen over de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] , omdat er voortdurend sprake is geweest van dreigend contactverlies met haar vader. De afgelopen jaren hebben er meerdere procedures plaatsgevonden om contact tussen de vader en [minderjarige] te realiseren. Dit heeft niet tot gevolg gehad dat dit contact consequent heeft plaatsgevonden. Zo heeft de moeder tot nu toe gezegd dat zij mee wil werken aan de door het gerechtshof bekrachtigde zorgregeling, maar dat steeds nagelaten. [3] Ook ingrijpende maatregelen om de moeder daartoe te bewegen, zoals dwangsommen, hebben daarin geen verandering gebracht. Ook zijn er volgens de betrokken hulpverlening bij [minderjarige] kenmerken zichtbaar van ouderverstoting. Nu [minderjarige] bij haar vader woont, is die dreiging van ouderverstoting veranderd, maar haar het oordeel van de kinderrechter nog wel aanwezig. Er is namelijk nog steeds sprake van een situatie waarin [minderjarige] geen onbelast contact met beide ouders kan hebben. Zo geeft de moeder bij contactmomenten nog steeds geen emotionele toestemming aan [minderjarige] om terug naar haar vader te gaan. De kinderrechter maakt zich ernstig zorgen over de gevolgen hiervan op de langere termijn voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] .
5.3.
De kinderrechter is van mening dat de benodigde hulpverlening op dit moment niet binnen het vrijwillig kader te realiseren is. Hoewel de moeder op de zitting heeft aangevoerd mee te willen werken aan de hulpverlening en haar advocaat heeft gezegd dat zij ‘haar lesje heeft geleerd’, blijkt uit het verleden dat dat tot nu toe niet is gelukt. Zo heeft de moeder niet meegewerkt aan de omgangsregeling die door het gerechtshof is bekrachtigd, ook niet na een schriftelijke aanwijzing vanuit de GI. Ook sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] is nog geen gedragsverandering bij de moeder te zien. De moeder werkt niet voldoende samen met de gezinsvoogd en blijft zij voorwaarden stellen bij iedere vorm van hulpverlening. Een voorbeeld hiervan is het feit dat de moeder blijft weigeren om de GI te vertellen op welke kinderopvang [minderjarige] laatstelijk heeft gezeten. De moeder vreest dat de GI daar dan namelijk een ‘negatief verhaal’ over moeder zal vertellen. Daarmee miskent de moeder dat de GI, om haar werk goed te kunnen doen, een volledig beeld van [minderjarige] moet kunnen krijgen. Het is aan de moeder om de GI daartoe in staat te stellen, hoe moeilijk dat voor haar ook is. Dat is namelijk in het belang van [minderjarige] . Het steeds weer stellen van voorwaarden aan het meewerken met de GI, zoals de moeder nu doet, staat een goed verloop van de ondertoezichtstelling en een snelle overgang naar het vrijwillige kader in de weg.
5.4.
De kinderrechter benadrukt dat zij het daarnaast heel belangrijk vindt dat de moeder zelf hulp krijgt. De uithuisplaatsing van [minderjarige] is een weliswaar door de kinderrechter noodzakelijk geachte, maar niettemin zeer ingrijpende maatregel en voor de moeder een traumatische ervaring geweest. Het is noodzakelijk dat zij hierbij goed geholpen wordt. Die hulp moet ertoe gaan leiden dat de moeder in de toekomst wel in staat zal zijn aan [minderjarige] emotionele toestemming te geven voor omgang met haar vader. [minderjarige] kan dan een betekenisvolle band met haar moeder en haar vader onderhouden. Die hulp aan de moeder is daarmee ook in het belang van [minderjarige] .
5.5.
De moeder heeft gesteld dat er sprake is van een ‘omgangsondertoezichtstelling’ en dat er daardoor volgens de Hoge Raad zware motiveringseisen voor de duur van de ondertoezichtstelling gelden. [4] Zoals blijkt uit het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat er geen sprake is van louter een ‘omgangsondertoezichtstelling’. Hoewel het ontbreken van de omgang tussen [minderjarige] en de vader een belangrijke zorg is, is dat slechts een onderdeel van de zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling en de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Uiteraard moet de ondertoezichtstelling wel proportioneel zijn en voldoen aan het subsidiariteitsvereiste, zoals de moeder terecht heeft betoogd. Dat betekent dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om hetzelfde doel te bereiken. Ook moet de ondertoezichtstelling niet langer worden verlengd dan nodig is. De kinderrechter vindt het echter naar de huidige stand van zaken niet realistisch dat de ondertoezichtstelling over zes maanden niet meer nodig is. Er is nog veel hulpverlening nodig voordat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is weggenomen en de ouders samen goede beslissingen kunnen nemen voor [minderjarige] . Dat gaat tijd kosten. Het feit dat de samenwerking met de GI niet goed verloopt, bemoeilijkt het maken van tempo verder. De kinderrechter vindt een verlenging voor de duur van een jaar daarom noodzakelijk.
5.6.
Tijdens het komende jaar van de ondertoezichtstelling moet er veel gebeuren. Wat er precies moet gebeuren is gedeeltelijk afhankelijk van de beslissing over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, welk verzoek bij beschikking van 13 januari 2026 is doorverwezen naar de rechtbank Gelderland. De kinderrechter neemt daarom voor beide sporen, wel of geen verlenging van de uithuisplaatsing, doelen op.
5.6.1.
Wanneer de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader wel verlengd wordt, zal de GI de omgang van de moeder met [minderjarige] moeten vormgeven, zodat de hechting met de moeder behouden blijft. Daarnaast moeten er duidelijke en bestendige afspraken worden gemaakt over die omgang. Hierbij zal er ook gewerkt moeten worden aan de communicatie tussen de ouders. Tot slot zal er hulpverlening voor de moeder moeten worden ingezet, zoals een NIKA-traject. Op die manier zal de moeder hulpverlening krijgen voor het aanpassen aan de nieuwe situatie, nu zij in die situatie (vooralsnog) niet meer de dagelijkse zorg voor [minderjarige] zal hebben.
5.6.2.
Wanneer de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader niet verlengd wordt, en [minderjarige] dus weer bij haar moeder gaat wonen, zal de GI juist de omgang met de vader moeten begeleiden. Ook dan zou er hulpverlening moeten komen voor het aanleren en begeleiden van de moeder bij het geven van emotionele toestemming aan [minderjarige] voor contact met haar vader. Tot slot zou er ook in deze situatie gewerkt moeten worden aan de onderlinge communicatie tussen de ouders.
5.7.
Kortom: hoewel de feitelijke situatie met en zonder machtiging uithuisplaatsing voor de ouders heel anders is, is het doel waaraan binnen de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden dat niet. In beide situaties moet er gewerkt worden naar het doel dat [minderjarige] met beide ouders een regelmatig, betekenisvol en onbelast contact kan hebben, op een zodanige manier dat dit een goede identiteitsontwikkeling bevorderd en niet, zoals eerder het gevoel is geweest, in de weg staat. Daarbij moeten de ouders op een punt komen dat zij op een neutrale en constructieve manier met elkaar kunnen communiceren over de opvoeding en verzorging van [minderjarige] , en samen de belangrijke beslissing over haar kunnen nemen.
5.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [5]
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 28 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 door
mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.De vader heeft op 8 januari 2026 nog een brief met bijlagen digitaal ingediend. Zoals ter zitting is bevestigd, hoort deze brief bij de zaak met zaaknummer C/16/604753. In de onderhavige zaak wordt de brief dus niet meegenomen in de beoordeling.
2.Artikel 1:260 BW Pro.
3.Bij beschikking van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 juni 2024.
5.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.