Uitspraak
(verder te noemen: verzoeker).
Rechtbank Midden-Nederland
De verschoningskamer van de Rechtbank Midden-Nederland ontving op 26 februari 2026 een verzoek tot verschoning van mr. dr. M.L. van Emmerik, bestuursrechter, in de hoofdzaak met zaaknummer UTR25/4666. Verzoeker gaf aan dat hij jarenlang persoonlijk bevriend is met mr. J.R. van Angeren, gemachtigde van de eisende partij in de hoofdzaak, waardoor hij zich niet vrij voelt om de zaak te behandelen.
De kamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:19 en Pro 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij verschoning kan worden toegewezen indien feiten of omstandigheden de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden of de schijn daarvan wekken. De kamer benadrukte dat onpartijdigheid wordt vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aannemelijk maken.
Gezien de persoonlijke vriendschap tussen verzoeker en de gemachtigde van de eisende partij, oordeelde de kamer dat er sprake kan zijn van een uiterlijke schijn van partijdigheid. Dit kan het vertrouwen in het rechterlijk apparaat schaden. Daarom werd het verzoek tot verschoning toegewezen.
De beslissing werd op 27 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter en leden van de verschoningskamer. De griffier werd opgedragen de beslissing toe te zenden aan alle betrokkenen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning wordt toegewezen vanwege de schijn van partijdigheid door persoonlijke vriendschap.