ECLI:NL:RBMNE:2026:644
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen maatregel Ziektewet-uitkering
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een maatregel van het UWV waarbij de Ziektewet-uitkering gedurende zes maanden niet wordt uitbetaald aan zijn ex-werkgever. Hij vordert schorsing van deze maatregel en toekenning van een voorschot op de uitkering.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, omdat bij een financieel geschil zoals dit de uitkering alsnog met rente kan worden betaald indien het besluit onterecht blijkt. Verzoeker woont bij zijn ouders en heeft geen schulden aangetoond, waardoor geen acute financiële noodsituatie is vastgesteld.
Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Een kennelijke verschrijving in het jaartal leidt niet tot innerlijke tegenstrijdigheid of onrechtmatigheid. Gezien het ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid wordt het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de maatregel van het UWV wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.