ECLI:NL:RBMNE:2026:61

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/602089 / FA RK 25-2158
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 lid 2 BWArt. 822 RvArt. 823 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen toevertrouwing en kinderalimentatie na echtscheiding

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek tot voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, waarbij het ging om toevertrouwing van minderjarige kinderen, zorgregeling en kinderalimentatie.

Partijen zijn gehuwd sinds 2004 en hebben drie kinderen, waarvan twee minderjarig en één jongmeerderjarig die tijdens de procedure meerderjarig werd. De vrouw verzocht om toevertrouwing van de minderjarige kinderen aan haar, een zorgregeling en kinderalimentatie. De man stemde alleen in met toevertrouwing van één kind aan de vrouw.

De rechtbank besloot de toevertrouwing van één minderjarige aan de vrouw toe te wijzen en stelde een zorgregeling vast waarbij het kind van zondag 10:00 uur tot dinsdag bij de man verblijft. Voor het andere minderjarige kind handhaafde de rechtbank de huidige situatie bij de man, mede gelet op diens wensen en leeftijd. Verzoeken met betrekking tot de jongmeerderjarige werden afgewezen wegens het ontbreken van rechtsmacht.

De rechtbank legde de kinderalimentatie voor het kind dat bij de vrouw verblijft vast op €345 per maand, te betalen door de man, en wees verzoeken voor alimentatie voor de andere kinderen af. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank wijst toevertrouwing en zorgregeling toe voor één minderjarig kind, legt kinderalimentatie vast en verklaart verzoeken voor de jongmeerderjarige niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/602089 / FA RK 25-2158
Voorlopige voorzieningen
Beschikking van 14 januari 2026
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.L. Sterrenberg-Ellerbroek,
tegen
[de man],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de man.

1.1. De procedure

1.1.
De rechtbank heeft het verzoekschrift van de vrouw ontvangen op 5 november 2025.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 15 december 2025. Daarbij waren aanwezig: de vrouw met haar advocaat en de man.

2.2. Waar de procedure over gaat

2.1.
Partijen zijn op [datum huwelijk] 2004 met elkaar getrouwd te [plaats] , Marokko. Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Partijen hebben samen twee minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] ,geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] .
[minderjarige 2] verblijft bij de vrouw en [minderjarige 1] bij de man.
2.3.
Partijen hebben samen één meerderjarige dochter:
[jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 3] 2007 te [geboorteplaats] . Zij is op [geboortedatum 3] 2025, dus in de periode tussen de mondelinge behandeling en de datum van deze beschikking, achttien jaar oud geworden.
[jongmeerderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.4.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.
2.5.
De vrouw wil scheiden. De vrouw vraagt de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
2.6.
De vrouw verzoekt de rechtbank om:
  • te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 347 per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;
  • een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij hun vader verblijven van zondag 10.00 uur tot dinsdag naar school.”
2.7.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw, met uitzondering van het verzoek om [minderjarige 2] aan de vrouw toe te vertrouwen.
3. De beoordeling
3.1.
De rechtbank beslist dat:
  • [minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd;
  • een zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de man geldt, die inhoudt dat [minderjarige 2] vanaf zondag 10.00 uur tot dinsdag naar school bij de man verblijft;
  • de man voorlopig een bedrag van € 345,- per maand moet betalen als bijdrage in de kosten voor [minderjarige 2] .
De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
Niet-ontvankelijk in de verzoeken ten aanzien van [jongmeerderjarige]
3.2.
De vrouw heeft verschillende verzoeken ingediend ten aanzien van [jongmeerderjarige] . [jongmeerderjarige] is tijdens de procedure meerderjarig geworden. Dat betekent dat de rechtbank geen beslissingen meer over haar kan nemen. De rechtbank zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken om toevertrouwing, vaststelling van een voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie voor zover deze verzoeken zien op [jongmeerderjarige] . Met betrekking tot de kinderalimentatie zal de rechtbank hier nog nader op ingaan onder het kopje ‘kinderalimentatie’.
De zorg voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
3.3.
De rechtbank vertrouwt [minderjarige 2] toe aan de vrouw. De man heeft hiermee ter zitting ingestemd. Dat betekent dat de vrouw de (dagelijkse) zorg over [minderjarige 2] krijgt. De rechtbank neemt deze beslissing omdat partijen het daarover eens zijn en omdat het in het belang van [minderjarige 2] is dat hij gedurende de echtscheidingsprocedure zo min mogelijk last heeft van de echtscheiding van zijn ouders en dat betekent dat er zo min mogelijk in zijn situatie moet veranderen op dit moment. De vrouw verblijft op dit moment met [minderjarige 2] (en [jongmeerderjarige] ) in een nieuwe huurwoning. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 2] dat deze situatie op dit moment zo blijft.
3.4.
De rechtbank wijst het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] af. De rechtbank vindt het ook in het belang van [minderjarige 1] dat de huidige feitelijke situatie gedurende de echtscheidingsprocedure niet wordt gewijzigd. Uit het dossier en wat op de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige 1] op dit moment bij de man woont en dat hij geen contact met de vrouw wil. De rechtbank constateert dat [minderjarige 1] tussen de ouders in staat en wordt betrokken bij pogingen tot verzoening tussen de ouders. Op de zitting is als voorbeeld genoemd dat [minderjarige 1] op de trouwdag van partijen met een bos rozen bij de vrouw aan de deur is geweest. Daarnaast houdt de man de vrouw verantwoordelijk voor het uiteengaan van partijen, waardoor [minderjarige 1] , die bij zijn vader verblijft, in een moeilijke positie terechtkomt. De rechtbank vindt deze situatie zorgelijk en onwenselijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , maar dit is geen reden om de woonsituatie van [minderjarige 1] nu te wijzigen. Een wijziging van de woonsituatie biedt op dit moment geen oplossing voor de problematiek die maakt dat [minderjarige 1] geen contact met de vrouw wil. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [minderjarige 1] inmiddels zestien jaar oud is en dat, gelet op zijn leeftijd, in sterke mate rekening dient te worden gehouden met zijn wensen. Beide ouders hebben op de zitting verklaard dat [minderjarige 1] op dit moment bij de man wil verblijven. De rechtbank zal deze situatie voor de duur van de echtscheidingsprocedure dan ook in stand laten. De rechtbank betrekt verder bij haar oordeel dat de man op de zitting onbestreden heeft gesteld dat [minderjarige 1] viermaal per week voetbaltraining heeft vlak bij de woning van de man, wat op afstand is van de woning van de vrouw. De rechtbank vindt het van belang dat [minderjarige 1] zonder belemmeringen naar deze voetbaltrainingen kan gaan. Dat de vrouw, ondanks het verblijf van [minderjarige 1] bij de man, nog diverse zorgtaken vervult, zoals het onderhouden van contact met school en het regelen van medische afspraken, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank gaat ervan uit dat de man nu [minderjarige 1] is toevertrouwd aan hem ook daadwerkelijk de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse zorg voor [minderjarige 1] op zich neemt. Daaronder vallen ook de contacten met school en het regelen van medische afspraken.
De voorlopige zorgregeling
3.5.
Nu de rechtbank [minderjarige 2] aan de vrouw heeft toevertrouwd, zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen tussen [minderjarige 2] en de man. Deze zorgregeling houdt in dat [minderjarige 2] van zondag 10:00 uur tot dinsdag naar school bij de man verblijft. De rechtbank vindt deze zorgregeling in het belang van [minderjarige 2] , omdat het belangrijk is dat [minderjarige 2] goed contact onderhoudt met beide ouders. Met deze regeling verblijft [minderjarige 2] het merendeel doordeweeks en één weekenddag bij de vrouw en een weekenddag én een doordeweekse dag, met overnachting bij de man. Daarnaast sluit de regeling aan bij de werkzaamheden van de man, nu hij op maandag zijn vrije dag heeft en daardoor in staat is deze regeling na te komen. Dat de man heeft aangevoerd dat hij liever geen zorgregeling vastgelegd ziet, omdat hij [minderjarige 2] incidenteel op dinsdagochtend niet naar school zou kunnen brengen vanwege zijn werk, leidt niet tot een ander oordeel. Het is aan de man om hiervoor een passende oplossing te vinden. De rechtbank verwacht dat de man zijn verantwoordelijkheid neemt voor de uitvoering van de zorgregeling en zich voegt naar de gewijzigde gezinssituatie.
3.6.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af voor zover het ziet op [minderjarige 1] omdat [minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de man. De vrouw heeft niet verzocht om voor deze situatie een zorgregeling vast te stellen. Wel vindt de rechtbank het van belang dat partijen aandacht blijven houden voor contactherstel tussen [minderjarige 1] en de vrouw. Het is verstandig dat partijen hierbij professionele hulpverlening inschakelen.
De kinderalimentatie
3.7.
De rechtbank beslist dat de man voorlopig een bedrag van € 345,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 2] aan de vrouw moet betalen, met ingang van de datum van deze beschikking. Verder wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie voor [minderjarige 1] af nu hij wordt toevertrouwd aan de man en er geen zorgregeling geldt tussen hem en de vrouw en de vrouw dus ook geen kosten voor hem maakt. De rechtbank verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] nu zij gedurende de procedure meerderjarig is geworden en de ingangsdatum van de te bepalen kinderalimentatie is gelegen in de periode daarna.
3.8.
Dat betekent dat voor [jongmeerderjarige] geen kinderalimentatie meer gevraagd kan worden, enkel nog een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie. Dat laatste kan alleen niet binnen deze procedure verzocht worden.
3.9.
In de artikelen 822 en 823 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is limitatief opgesomd welke voorlopige voorzieningen gedurende de echtscheiding of scheiding van tafel en bed mogelijk zijn. Een bijdrage voor kosten voor levensonderhoud en studie valt daar niet onder. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:724), waaruit volgt dat de voorlopige voorzieningenprocedure niet voorziet in de mogelijkheid om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van jongmeerderjarige kinderen te bepalen. De voorlopige voorzieningenprocedure ziet op voorzieningen die tussen echtgenoten worden getroffen. Een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie is een aanspraak van de jongmeerderjarige zelf jegens zijn of haar ouders.
3.10.
De rechtbank legt hierna verder uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van de ouders, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De ingangsdatum
3.11.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
3.12.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van deze beschikking, omdat de man onbestreden heeft gesteld dat hij de afgelopen periode meerdere kosten voor de kinderen heeft voldaan. De rechtbank vindt het daarom niet redelijk om een eerdere ingangsdatum te hanteren.
De behoefte van de kinderen
3.13.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van de kinderen vast op een bedrag van € 486,- per kind per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.
3.14.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2025, omdat de ouders in dat jaar uit elkaar zijn gegaan.
3.15.
Tussen partijen is in geschil met welk inkomen aan de zijde van de man rekening moet worden houden. De rechtbank gaat voor het inkomen van de man uit van een winst uit onderneming van € 67.600,- per jaar, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde voorschotbeschikking voor het kindgebonden budget over 2025. De stelling van de man dat zijn winst over 2025 lager zal uitvallen, is onvoldoende onderbouwd. De man stelt dat moet worden uitgegaan van een inkomen van € 45.000,- per jaar, omdat dit het inkomen is dat door de Belastingdienst is vastgesteld over het jaar 2023 en de gegevens over de jaren daarna nog niet gereed zijn. Zonder nadere toelichting en onderliggende stukken vindt de rechtbank dit onvoldoende. Het had op de weg van de man gelegen om zijn standpunt met behulp van een advocaat te onderbouwen door het overleggen van relevante financiële stukken, zoals jaarstukken en aangiften inkomstenbelasting. Dat de man stelt niet te weten hoe dit werkt, volgt de rechtbank niet. Er is immers eerder een voorlopige voorzieningen procedure tussen partijen geweest waarbij de man zich heeft laten bijstaan door een advocaat. Bovendien had van de man verwacht kunnen worden dat hij zich door een advocaat had laten bijstaan als hij onvoldoende begrip heeft van de procedure. Verder houdt de rechtbank bij de berekening rekening met de MKB-winstvrijstelling, de zelfstandigenaftrek, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank heeft met de hiervoor genoemde bruto gegevens berekent dat het netto besteedbare inkomen van de man in 2025 € 4.100,- per maand bedraagt. Die berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen. [1]
3.16.
Partijen zijn het eens over het inkomen waar de rechtbank aan de zijde van de vrouw rekening mee moet houden, namelijk een netto besteedbaar inkomen van € 909,- per maand. Dit netto-inkomen is gebaseerd op de WIA-uitkering van de vrouw van € 943,- per maand. [2]
3.17.
Naast hun eigen inkomsten ontvingen de ouders in 2025 een kindgebonden budget van € 656,- per maand. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders bedroeg dan € 5.665,- per maand in 2025.
3.18.
Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van de kinderen is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.665,- met drie kinderen gemiddeld € 1.393,- per maand uitgaven voor hun kinderen. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 1.457,-, oftewel € 486,- per kind per maand. [3]
De draagkracht van de ouders
3.19.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien. [4]
3.20.
Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.
3.21.
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200,- per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
De draagkracht van de man
3.22.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.254,- per maand. [5] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.23.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man. Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van hetzelfde inkomen als bij de berekening van de behoefte van de kinderen. De rechtbank houdt aan de zijde van de man ook rekening met het kindgebonden budget voor één kind. [minderjarige 1] verblijft immers bij de man. De rechtbank heeft berekend dat het inkomen voor de man € 4.508,- netto per maand is. Die berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
3.24.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van 70% [4.508 – (1.352 + 1.365)] =) € 1.254,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
3.25.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 50,- per maand. [6] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.26.
Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen. Voor dat inkomen gaat de rechtbank net als bij de behoefte van de kinderen uit van de WIA-uitkering van de vrouw van € 943,- per maand. Dit inkomen heeft de man – ook voor de berekening van de draagkracht van de vrouw – immers niet betwist. Verder rekent de rechtbank aan de zijde van de vrouw voor de berekening van de draagkracht met 8% vakantiegeld, de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget voor één kind ( [minderjarige 2] ). De rechtbank heeft berekend dat het netto besteedbaar inkomen per maand dan € 1.474,- is. Die berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
3.27.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 2] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. Als het inkomen lager is dan € 2.200,- netto per maand geldt die tabel in plaats van de hiervoor genoemde draagkrachtformule. Volgens die tabel heeft een persoon met een inkomen van € 1.474,- per maand een draagkracht van € 50,- per maand.
De verdeling van de kosten
3.28.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.29.
De ouders hebben samen een draagkracht van € 1.304,- per maand. Dit is genoeg om de kosten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te betalen, want die zijn in totaal € 972,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1.254 /1.304 x 972 =) € 935,- zou moeten dragen en de vrouw een deel van (50/1.304 x 972 =) € 37,- per maand. Nu de rechtbank het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] afwijst en de vrouw ten aanzien van [jongmeerderjarige] niet-ontvankelijk verklaart, zal de rechtbank alleen de bijdrage voor [minderjarige 2] vaststellen. Gelet op het voorgaande moet de man voor [minderjarige 2] een deel van € 467,- dragen en de vrouw een deel van € 19,-.
De zorgkorting
3.30.
De man maakt op de dagen dat [minderjarige 2] bij hem verblijft kosten voor onder andere eten en drinken en energielasten: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank kan de bijdrage van de man verlagen met een percentage van de behoefte van het kind of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.
3.31.
[minderjarige 2] verblijft gemiddeld twee dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus (0,25 x 486 =) € 122,- per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (467 – 122 =) € 345,- per maand voor [minderjarige 2] aan de vrouw moet betalen.
Alimentatie vooruitbetalen
3.32.
De rechtbank beslist, zoals verzocht, dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.33.
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.
4. De beslissing
voor de duur van de echtscheidingsprocedure
De rechtbank:
4.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken over de toevertrouwing, de zorgregeling en de kinderalimentatie voor zover deze betrekking hebben op [jongmeerderjarige] ;
4.2.
vertrouwt [minderjarige 2] toe aan de vrouw;
4.3.
stelt een zorgregeling vast tussen [minderjarige 2] en de man, die inhoudt dat [minderjarige 2] vanaf zondag 10.00 uur tot dinsdag naar school bij de man verblijft;
4.4.
beslist dat de man vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 345,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] ;
4.5.
beslist dat de man vanaf de datum van deze beschikking deze bijdrage steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
4.6.
wijst de verzoeken van de vrouw voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A. Banga, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. E.A.G. Mosch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de man
Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van de vrouw
Bijlage 3: netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding en eigen aandeel kosten kinderen.
Bijlage 4: draagkracht van de man
Bijlage 5: draagkracht van de vrouw

Voetnoten

1.Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de man.
2.Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van de vrouw.
3.Bijlage 3: netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding en eigen aandeel kosten kinderen.
4.Artikel 1:397 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
5.Bijlage 4: draagkracht van de man.
6.Bijlage 5: draagkracht van de vrouw.