ECLI:NL:RBMNE:2026:560

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
11940433 UE VERZ 25-322
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 7:629a lid 1 BWArt. 7:629a lid 2 BWArt. 7:629 lid 3 BWArt. 658a lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek loondoorbetaling zieke werknemer en toekenning aanvullende transitievergoeding

De werknemer is op 12 oktober 2024 in dienst getreden en raakte op 23 november 2024 arbeidsongeschikt door een fietsongeval. De werkgever stopte de loondoorbetaling per 20 mei 2025 vanwege het niet nakomen van reïntegratieverplichtingen door de werknemer, die afspraken met de bedrijfsarts zonder geldige reden niet is nagekomen.

De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon en een transitievergoeding. De kantonrechter oordeelde dat de loonstop terecht was, omdat de werknemer zonder deugdelijke grond niet meewerkte aan redelijke voorschriften van de werkgever en de bedrijfsarts. De werknemer had zich niet tot het UWV gewend voor een deskundigenoordeel over zijn arbeidsongeschiktheid.

Wel werd vastgesteld dat de werkgever de transitievergoeding onjuist had berekend door deze slechts tot de loonstop toe te kennen. De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van de transitievergoeding over de gehele duur van het dienstverband, inclusief de periode na de loonstop, minus reeds betaalde bedragen.

De proceskosten werden gecompenseerd en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Alle overige verzoeken van de werknemer werden afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot loondoorbetaling na loonstop wordt afgewezen, werkgever veroordeeld tot aanvullende transitievergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11940433 \ UE VERZ 25-322
Beschikking van 13 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R.A.D. Koppelaar,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
vertegenwoordigd door mr. J.W. Fieren.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 5, ontvangen op 28 oktober 2025;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 10;
- de aanvullende producties 6 tot en met 8 van de zijde van [verzoeker] .
1.2.
Namens [verzoeker] zijn op 8 en 9 januari 2026 aanvullende producties 6 tot en met 8 ingediend. Namens [verweerder] is bezwaar gemaakt tegen de indiening van deze producties, omdat deze niet uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling zijn ingediend.
Zowel in de brief van de rechtbank als in artikel 2.2.7. van het Landelijk Procesreglement verzoekschriften rechtbanken, kanton is opgenomen dat aanvullende stukken uiterlijk 5 dagen voor de mondelinge behandeling moeten zijn ingediend. Aan deze termijn is door [verzoeker] voldaan. Daarnaast is wat de kantonrechter betreft van belang dat de omvang van de aanvullende producties beperkt was en ook inhoud van de ingediende aanvullende producties al bekend was bij [verweerder] . De aanvullende producties waren daarom makkelijk te doorgronden voor [verweerder] . De kantonrechter zal de producties toestaan en toevoegen aan het procesdossier.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens [verweerder] was de gemachtigde aanwezig.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij namens [verzoeker] gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.4.
De kantonrechter heeft de uitspraak bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

[verzoeker] is op 12 oktober 2024 in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van [functie] . Op 23 november 2024 heeft [verzoeker] een fietsongeval gehad waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn schouder. Sinds dit ongeval is [verzoeker] arbeidsongeschikt en heeft hij niet meer gewerkt voor [verweerder] . Per 20 mei 2025 heeft [verweerder] de loondoorbetaling aan [verzoeker] stopgezet. Op 12 oktober 2025 is er een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen. De belangrijkste vraag die in deze procedure moet worden beantwoord is of [verzoeker] nog recht heeft op loon over de periode na de loonstop.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [verzoeker] geen recht heeft op betaling van zijn loon. Wel wordt [verweerder] veroordeeld tot een aanvullende betaling van de transitievergoeding.

3.De beoordeling

3.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verzoeker] zich op 23 november 2024 heeft ziekgemeld en vanaf die datum geen werkzaamheden meer voor [verweerder] heeft verricht. Met ingang van 20 mei 2025 heeft [verweerder] aan [verzoeker] geen loon meer uitbetaald. [verzoeker] verzoekt in deze procedure - onder meer - betaling van zijn achterstallig loon op grond van artikel 7:629 BW Pro.
3.2.
Namens [verweerder] zijn er een tweetal redenen op grond waarvan [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoeken. De kantonrechter komt allereerst toe aan de beoordeling van deze formele verweren van [verweerder] .
[verzoeker] is ontvankelijk in zijn verzoeken
3.3.
Namens [verweerder] is aangevoerd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn verzoeken, omdat [verzoeker] zijn verzoekschrift tegen de verkeerde rechtspersoon heeft uitgebracht. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] zijn verzoeken gericht tegen [bedrijf] , terwijl dit [verweerder] had moeten zijn, omdat de arbeidsovereenkomst is gesloten met [verweerder] en ook de loonbetalingen door [verweerder] zijn verricht. [verweerder] is een andere rechtspersoon dan [bedrijf] , met een afzonderlijk KvK-nummer.
3.4.
Partijen zijn het erover eens dat de formele werkgever van [verzoeker] [verweerder] was en dat dit ook de rechtspersoon is die door [verzoeker] in rechte had moeten worden betrokken. Dat dit niet is gebeurd is onjuist geweest van [verzoeker] , maar de partij-aanduiding zal in deze beschikking worden hersteld. De kantonrechter laat hierbij meewegen dat het voor [verweerder] kenbaar was dat er sprake was van een vergissing en dat [verweerder] niet door deze vergissing en ook niet door het herstel hiervan is benadeeld of in de verdediging is geschaad. [verweerder] heeft in de correspondentie voorafgaand aan de procedure, gericht aan [bedrijf] , zelf ook steeds geantwoord aan de gemachtigde van [verzoeker] . Van een niet-ontvankelijkheid op deze grond is daarom geen sprake.
3.5.
Een andere omstandigheid die tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] kan leiden is dat [verzoeker] niet een deskundigenverklaring van het UWV als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW heeft meegestuurd.
3.6.
Artikel 7:629a lid 1 BW zegt dat een werknemer geen recht heeft op loon (zoals bedoeld in artikel 7:629 BW Pro) als hij geen verklaring meestuurt van een door het UWV aangewezen deskundige. Deze verklaring moet gaan over de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten respectievelijk diens nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 660a BW.
3.7.
Volgens artikel 7:629a lid 2 BW hoeft de werknemer geen deskundigenverklaring mee te sturen als de werkgever Op grond van artikel 7:629a lid 2 BW kan van het overleggen van de in lid 1 bedoelde verklaring worden afgezien wanneer de werkgever de verhindering als gevolg van de arbeidsongeschiktheid niet betwist of het overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd.
3.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken dat [verweerder] de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] betwist. [verzoeker] mocht er daarom vanuit gaan dat de arbeidsongeschiktheid tussen partijen niet in geschil was, zodat er geen reden was voor het aanvragen van een deskundigenoordeel van het UWV. Ook het ontbreken van een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW levert daarom in dit geval geen reden op voor een niet-ontvankelijk verklaring van de verzoeken van [verzoeker] .
Het verzoek tot betaling van het achterstallig loon vanaf 20 mei 2025 wordt afgewezen
3.9.
Nu [verzoeker] kan worden ontvangen in zijn verzoek tot betaling van zijn loon, gedurende zijn arbeidsongeschiktheid, komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek van [verzoeker] .
3.10.
Na de ziekmelding op 23 november 2024 heeft [verzoeker] – weliswaar met enige vertraging – zijn loon betaald gekregen. Ook in de melding van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] door [verweerder] zat vertraging. Daarom heeft het geruime tijd geduurd voordat [verzoeker] is opgeroepen voor een gesprek met de bedrijfsarts. Dit gesprek heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 1 april 2025 in een videogesprek.
3.11.
In de probleemanalyse naar aanleiding van dit gesprek concludeert de bedrijfsarts dat de belastbaarheid van [verzoeker] voor eigen taken beperkt is. Wel zijn er volgens de bedrijfsarts enkele mogelijkheden om administratieve taken vanuit huis op te starten gedurende enkele uren per week waarbij er rekening worden gehouden met de beperkingen. Ook volgt uit deze probleemanalyse dat [verzoeker] geen voertuigen (auto en fiets) kan besturen, maar dat hij zich wel met het openbaar vervoer kan verplaatsen. Geadviseerd wordt een vervolgspreekuur over 6 weken.
3.12.
Op 8 april 2025 heeft [verzoeker] een mail gestuurd aan [verweerder] . De precieze inhoud van deze e-mail is de kantonrechter niet bekend, omdat deze e-mail niet als productie is overgelegd. Wel is de reactie van [verweerder] overgelegd. Dit is een e-mail van 10 april 2025. Hierin staat onder meer het volgende:
“…
On April 2, 2025, you had your first visit with the company doctor. As you might be aware, a company doctor in The Netherlands has the ability to determine whether you are sick, for how long and which limitations you might have in regards to your reintegration. Only company doctors are licensed to determine this, not for example your own practitioner. In this first report it was noted that you currently cannot reintegrate yet in your own tasks, but that you would be able to do some administrative tasks from home if these tasks are available. We have heard that you contacted the company doctor after your consultation with the company doctor. We would like to remind you that you need to follow the Wet Verbetering Poortwachter (WVP). In accordance with this law you have the following obligations:
  • Follow the rules around sickness and absenteeism in the law or collective bargaining agreement.
  • Accept suitable work inside or outside the company.
  • Comply with agreements in the action plan.
  • Attend appointments with the occupational health and safety service or company doctor.
  • Show initiative, accept and/or make proposals for other work.
Not keeping with the WVP might result in a wage freeze or a suspension of wages. This also means not complying with company doctor visits might result in a wage freeze/suspension.
…”
3.13.
Diezelfde dag stuurt [verweerder] nog een e-mail aan [verzoeker] naar aanleiding van enkele e-mails die [verweerder] van [verzoeker] heeft ontvangen die dag. In deze e-mails benadrukt [verweerder] dat er geen sprake is van een ontslag en dat er nog steeds een arbeidsovereenkomst bestaat tussen hen op grond waarvan [verzoeker] zich dient te houden aan zijn reïntegratieverplichtingen. Nogmaals wordt aan [verzoeker] beschreven om welke verplichtingen dit gaat en welke sancties er zouden kunnen volgen op het niet opvolgen van deze reintegratieverplichtingen. Tot slot wordt nogmaals de rol van een bedrijfsarts uitgelegd.
3.14.
Op 12 april 2025 reageert [verzoeker] en schrijft hij onder meer het volgende:
“…
I provided proof of my health-status. I m out minimum 12 months, no question. Don’t bark at me about obligation with your biased company doctor, or me losing the ‘salary’ (600 damned€ per month, while your tax-paradise state has already stolen everything from me and put it in your wallet) because I don’t give one flying ping about money.
…”
3.15.
Op 14 april 2025 reageert [verweerder] per e-mail met een waarschuwing en het verzoek voortaan geen beledigingen meer te uiten. Op een volgende e-mail waarin beledigingen staan, zal niet meer worden geantwoord. De waarschuwing wordt toegevoegd aan het personeelsdossier van [verzoeker] laat [verweerder] weten. Verder wordt [verzoeker] opnieuw herinnerd aan zijn verplichtingen als werknemer om van [verweerder] loon te blijven ontvangen:
“…
We have explained to you in previous emails which obligations you have to follow in order to keep your current compensation. We have written these obligations here to remind you what your current obligations are:
  • Follow the rules around sickness and absenteeism in the law or collective bargaining agreement.
  • Accept suitable work inside or outside the company.
  • Comply with agreements in the action plan.
  • Attend appointments with the occupational health and safety service or company doctor.
  • Show initiative, accept and/or make proposals for other work.
If you do not show up to your next appointment with the company doctor, we will immediately suspend your compensation. Your next appointment with the company doctor is on 06-05-2025 at 13:00. This is a physical appointment. If you also choose to not follow the other obligations you have as an employee on sick leave, we will also immediately suspend your wages. This means from the moment that you do not follow your reintegration obligations, you will no longer receive the 14,5 hours per week in compensation that you are currently entitled to until you comply with your reintegration obligations.
…”
3.16.
Op 14 april 2025 reageert [verzoeker] als volgt:
“Till the ‘Arbeids Inspectie’, started by me today is not concluded, I don’t take [bedrijf] as a worthy partner in interaction.
…”
3.17.
Op 15 april 2025 stuurt [verweerder] een reactie per e-mail aan [verzoeker] :
“As of now, you have shown [bedrijf] that it does not seem that you have any intention of following your reintegration obligations or that you do not seem to believe that you need to follow these obligations in order to be entitled to your payments during sick leave. We encourage you to contact your own legal counsel to receive the information on what your obligations are during sick leave and to follow these obligations. Please note that this will be our final correspondence regarding this issue. If you do not follow your reintegration obligations, we will suspend your compensation immediately. Moving forwarde, we will not continue to engage in email correspondence to remind you of your responsibilities and obligations. Adiitionally, any messages containing inappropriate or disrespectful language will not receive a response and will result in another official warning.”
3.18.
Het geplande bezoek aan de bedrijfsarts op 6 mei 2025 is door [verzoeker] afgezegd.
3.19.
Een nieuw gesprek met de bedrijfsarts werd gepland op 13 mei 2025. Bij die afspraak is [verzoeker] niet verschenen. Op 15 mei 2025 stuurt [verweerder] per e-mail een waarschuwing aan [verzoeker] waarin een loonstop wordt aangekondigd. [verweerder] schrijft onder meer:
“… In light of the foregoing, we have no choice but to issue this written warning and implement a wage stop.
Your next appointment with the company doctor is planned for Tuesday May 20th. This meeting is in person. We expect you to be there.”
3.20.
Op 20 mei 2025 is [verzoeker] opnieuw niet verschenen bij de bedrijfsarts. Vanaf die datum is [verweerder] gestopt met het betalen van het loon van [verzoeker] . Deze loonstop heeft gegolden tot het einde van het dienstverband op 20 mei 2025.
3.21.
[verzoeker] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat de loonstop op grond van artikel 7:629 lid 3 BW Pro ten onrechte is geweest. Het verwijt dat [verweerder] [verzoeker] maakt, namelijk dat hij tot tweemaal toe zonder geldige reden niet op een afspraak bij de bedrijfsarts is verschenen, is niet juist. Namens [verzoeker] is aangevoerd dat de fysieke toestand van [verzoeker] het niet mogelijk maakte om met de trein naar Amsterdam af te reizen voor de afspraak met de bedrijfsarts. Dit werd volgens [verzoeker] onderstreept door zijn gespecialiseerde fysiotherapeut. Namens [verzoeker] is uitdrukkelijk verzocht het onderzoek naar de arbeidsgeschiktheid door een in Utrecht gevestigde bedrijfsarts of via een online video het consult te laten plaatsvinden.
3.22.
De kantonrechter volgt dit standpunt van [verzoeker] niet en is van oordeel dat de loonstop door [verweerder] terecht is toegepast. Vooropgesteld wordt dat in artikel 7:629 lid 3 BW Pro de situaties worden beschreven waarin een werkgever gerechtigd is de doorbetaling van het loon te stoppen. Eén van de redenen die in dat artikel wordt genoemd is het ‘zonder deugdelijke grond weigeren mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 te verrichten’ (sub d).
3.23.
Vast staat dat de bedrijfsarts al in de probleemanalyse van 1 april 2025 heeft geconcludeerd dat [verzoeker] zich met het openbaar vervoer kon verplaatsen. Voor een bezoek aan de bedrijfsarts in Amsterdam bestond dan ook, op basis van deze conclusie van de bedrijfsarts, geen beletsel voor [verzoeker] .
3.24.
Het is, zoals [verweerder] [verzoeker] , ook meerdere keren schriftelijk heeft medegedeeld, een bedrijfsarts die vaststelt of en in welke er sprake is van arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Ook is de mate van belastbaarheid van een werknemer voorbehouden aan het oordeel van een bedrijfsarts. In dit geval heeft de bedrijfsarts geoordeeld geen beletsel te zien in het reizen met het openbaar vervoer door [verzoeker] . Een verklaring van een fysiotherapeut maakt dit niet anders. Als [verzoeker] het niet eens was met het oordeel van de bedrijfsarts op dit punt, dan had hij zich tot het UWV moeten wenden om hierover een deskundigenoordeel te vragen. Dat heeft [verzoeker] niet gedaan. [verzoeker] is meerdere keren op zijn verplichtingen gewezen en het voornemen het loon niet meer te betalen is door [verweerder] meerdere keren aangekondigd. Ter zitting is namens [verweerder] toegelicht dat er vanwege de houding van [verzoeker] geen enkel vertrouwen meer was dat [verzoeker] alsnog wel zou gaan meewerken aan zijn reïntegratie en aan de redelijke verzoeken van [verweerder] zou gaan voldaan. Daarmee komt naar het oordeel van de kantonrechter vast te staan dat [verzoeker] zonder deugdelijke grond niet mee heeft gewerkt aan een redelijk voorschrift en was [verweerder] gerechtigd om de loonstop per 20 mei 2025 op te leggen.
3.25.
Dit betekent dat de verzoeken van [verzoeker] tot betaling van zijn loon en de nevenverzoeken (wettelijke verhoging, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten) zullen worden afgewezen.
[verzoeker] heeft nog recht op betaling van een deel van de transitievergoeding
3.26.
[verzoeker] verzoekt om betaling van de transitievergoeding. Op 14 november 2025 heeft [verweerder] de eindafrekening betaald aan [verzoeker] . Bij deze eindafrekening is een bedrag van
€ 219,16 bruto betaald aan [verzoeker] aan transitievergoeding. Bij de berekening van deze transitievergoeding, heeft [verweerder] deze berekend tot het moment van de loonstop. Dat is niet juist. Als een werkgever gehouden is aan een werknemer een transitievergoeding te betalen, dan is de werkgever deze ook verschuldigd over de periode dat er door de werkgever een (terechte) loonstop is toegepast. [verzoeker] heeft dan ook nog recht op de transitievergoeding over de periode van 21 mei 2025 tot 12 oktober 2025, het moment waarop het dienstverband eindigde.
3.27.
Voor de bepaling van de hoogte van deze transitievergoeding is van belang wat de arbeidsomvang van [verzoeker] is geweest. Partijen verschillen van mening over de grootte van deze arbeidsomvang. Volgens [verzoeker] moet uitgegaan worden van 29,4 uur per week, terwijl er volgens [verweerder] sprake is van een arbeidsomvang van 14,5 uur per week.
3.28.
De kantonrechter stelt de arbeidsomvang vast op 27,6 uur per week. Uit de in het geding gebrachte loonstroken (aanvullende productie 6 van [verzoeker] ) volgt dat in de zes weken voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid op 23 november 2024 [verzoeker] gemiddeld 27,6 uur per week werkte. Over het uurloon van € 14,77 bruto bestaat tussen partijen geen verschil van mening. [verzoeker] heeft dan ook recht op een transitievergoeding berekend over de gehele duur van het dienstverband, uitgaande van een gemiddelde arbeidsomvang van 27,6 uur tegen een bruto uurloon van € 14,77. [verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag, waarbij het bedrag van € 219,16 dat zij al aan transitievergoeding aan [verzoeker] heeft betaald in mindering moet worden gebracht.
3.29.
[verweerder] zal van de betaling van de transitievergoeding een bruto/netto specificatie moeten verstrekken aan [verzoeker] . De kantonrechter zal aan deze veroordeling geen dwangsom verbinden, nu de kantonechter hiervoor geen aanleiding ziet. [verweerder] heeft in het verleden ook de loonspecificaties verstrekt aan [verzoeker] .
De proceskosten worden gecompenseerd
3.30.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.31.
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zoals [verzoeker] heeft verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de transitievergoeding over de periode van 12 oktober 2024 tot en met 12 oktober 2025, uitgaande van een arbeidsomvang van gemiddeld 27,6 uur per week met een bruto uurloon van € 14,77, waarop een bedrag van € 219,16 bruto in mindering strekt;
4.2.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af alle overige verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.