In deze civiele zaak stond centraal of tussen eiser en gedaagde een overeenkomst van opdracht met een resultaatsverbintenis was gesloten, waarbij gedaagde de broer van eiser in Syrië vrij zou krijgen. De kantonrechter stelde vast dat eiser voldoende bewijs had geleverd dat gedaagde een harde belofte had gedaan, ondersteund door getuigenverklaringen en Whatsapp-spraakberichten waarin gedaagde toezeggingen deed om het resultaat te behalen.
De kantonrechter oordeelde dat de culturele en religieuze context van de partijen de zwaarte van de belofte versterkte. Omdat gedaagde er niet in was geslaagd de broer vrij te krijgen, mocht eiser de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Vervolgens werd vastgesteld dat gedaagde diverse bedragen aan eiser verschuldigd was, waaronder een lening, contante betalingen en betalingen aan derden in opdracht van gedaagde.
Gedaagde slaagde er niet in te bewijzen dat hij reeds had terugbetaald. De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot terugbetaling van €6.200 plus wettelijke rente vanaf 29 november 2023, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.