3.1.Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woningen op de waardepeildatum (1 januari 2023) niet te hoog is vastgesteld.
Het geschil over de woning [adres 1] (UTR 24/6932)
4. De woning is een in 1950 gebouwde bovenwoning. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 24 m² en een dakterras van 30 m².
5. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2023. Eiser bepleit een waarde die minimaal 20 procent lager is dan de vastgestelde waarde. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 120.000,-.
6. Om de waarde van de woningen te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woningen worden vergeleken met drie verkopen in [plaats 2] , te weten:
- [adres 4] , verkocht op 26 oktober 2023 voor € 222.500,-;
- [adres 5] , verkocht op 16 februari 2023 voor € 202.500,-;
- [adres 6] , verkocht op 28 april 2023 voor € 242.500,-.
Beoordeling van het geschil
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix, het taxatierapport en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woningen niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen gelijksoortige woningen zijn, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woningen. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardepeildatum in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning in onder meer de ligging, kwaliteit, onderhoud, uitstraling, de staat van de voorzieningen en het afnemend grensnut. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woningen en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
8. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
Het geschil over de woning [adres 2] (UTR 24/6933)
9. De woning is een in 1950 gebouwde benedenwoning. De woning is in 2016 gerenoveerd en heeft een perceeloppervlakte van 357 m².
10. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2023. Eiser bepleit een waarde die minimaal 20 procent lager is dan de vastgestelde waarde. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 382.000,-.
11. Om de waarde van de woningen te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woningen worden vergeleken met vijf verkopen in [plaats 2] , te weten:
- [adres 7] , verkocht op 28 april 2023 voor € 480.000,-;
- [adres 8] , verkocht op 14 februari 2022 voor € 420.000,-;
- [adres 9] , verkocht op 17 oktober 2022 voor € 677.500,-;
- [adres 10] , verkocht op 1 juli 2023 voor € 855.000,-;
- [adres 11] , verkocht op 15 september 2022 voor € 515.165,-.
Beoordeling van het geschil
12. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix, het taxatierapport en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woningen niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook benedenwoningen/hoekwoningen zijn, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woningen. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardepeildatum in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning in onder meer de ligging, kwaliteit, onderhoud, uitstraling, de doelmatigheid en de staat van de voorzieningen. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woningen en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
13. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
Het geschil over de woning [adres 3] (UTR 24/6934)
14. De woning is een in 1950 gebouwde bovenwoning. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 152 m².
15. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2023. Eiser bepleit een waarde die minimaal 20 procent lager is dan de vastgestelde waarde. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 280.000,-.
16. Om de waarde van de woningen te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woningen worden vergeleken met drie verkopen in [plaats 2] , te weten:
- [adres 12] , verkocht op 31 januari 2022 voor € 385.000,-;
- [adres 12] , verkocht op 23 december 2022 voor € 479.000,-;
- [adres 13] , verkocht op 3 maart 2023 voor € 300.000,-.
Beoordeling van het geschil
17. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix, het taxatierapport en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woningen niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook bovenwoningen/appartementen zijn, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woningen. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardepeildatum in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning in onder meer de ligging, kwaliteit, onderhoud, uitstraling en de staat van de voorzieningen. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woningen en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
Overschrijding van de opbrengstenlimiet
17. Eiser voert in zijn brief van 22 september 2025 aan dat ten aanzien van de posten overhead, uren en BTW in de ramingen redelijke twijfel bestaat of en in hoeverre er sprake is van een last ter zake. Doordat de heffingsambtenaar niet naar vermogen inlichtingen heeft verschaft, kan niet worden vastgesteld dat de opbrengstlimieten niet zijn overschreden. Eiser verwijst naar een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025.Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij gronden ten aanzien van de opbrengstlimiet naar voren heeft gebracht in de eerste zin van de machtiging, de eerste zin van zijn bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting.