Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
Inleiding
Overwegingen
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden van drie woningen voor het belastingjaar 2024, waarbij hij een waardeaanpassing van minimaal 20% lager vordert. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarden en onderbouwt deze met taxatiematrices en taxatierapporten, waarin vergelijkbare woningen worden aangevoerd.
De rechtbank beoordeelt het procederen van eiser als onvoldoende concreet en inhoudelijk, waardoor veel stellingen buiten beschouwing blijven. De taxatiematrices en toelichtingen van de heffingsambtenaar worden als voldoende aannemelijk beschouwd om de vastgestelde WOZ-waarden te handhaven. Daarnaast wordt een door eiser aangevoerde grond over overschrijding van de opbrengstlimiet als te laat en niet volgens het vereiste stappenplan ingediend, waardoor deze niet wordt meegenomen.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk binnen twee jaar zijn afgerond. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt eiser niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.