Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiseres sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
lid 3 van dit artikel wel mogelijkheid.
- 4.4. Van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] mocht worden verwacht dat zij voorafgaand aan de plaatsing van de buitenunits op het gemeenschappelijke deel van het dak toestemming zouden vragen aan de vergadering van de appartementseigenaars overeenkomstig artikel 9 lid 2 van Pro het splitsingsreglement. Zij hebben dat niet gedaan. Eveneens mocht van hen worden verwacht dat zij die plaatsing zouden afstemmen met de direct betrokken appartementseigenaar(s), waaronder in ieder geval [A] (omdat de apparatuur op het dak van zijn appartement is geplaatst) en [E] (omdat de apparatuur dicht naast de zolderverdieping van zijn appartement staat). Dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] , [A] en [E] op de hoogte hebben gesteld van hun plannen en de uitvoering daarvan met hen hebben afgestemd, is niet gebleken.
- 4.5. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hebben geen gebruiksovereenkomsten getekend met daarbij behorende certificaten. Dit betekent dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet voldoen aan een van de voorwaarden voor toestemming voor de plaats van hun apparatuur. Reeds daardoor is het hen niet toegestaan die apparatuur op het gemeenschappelijke deel van het dak te hebben.
- 4.2. (…) Tijdens de mondelinge behandeling is namelijk gebleken dat de buitenunit van hun airconditioning vóór de aanleg van hun dakterras op het dak boven hun eigen appartement stond en dus niet op het gemeenschappelijke deel van het dak. (…)
- 4.8. In dit kader is het bovendien van belang dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] er voor hebben gekozen om zonder toestemming en afstemming hun apparatuur niet te plaatsen op de plaats waar voorheen de buitenunit van de airco stond (te weten op het dak boven hun eigen appartement) maar op het gemeenschappelijke deel van het dak boven het appartement van [A] en in de directe nabijheid van het appartement van [E] . Ze hebben bij die verplaatsing ook geen belang gesteld dat boven het redelijke belang van [E] zou gaan om verstoken te blijven van door hem ervaren geluidsoverlast.
- 4.9. (…) Ter zitting is gebleken dat hun apparatuur kan staan op dezelfde plaats waar voorheen hun buitenunit van de airconditioning stond. En voor zover dat al problematisch zou zijn, dan hebben [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet uitgelegd waarom de apparatuur niet op hun dakterras zou kunnen staan.
“Verwijdering van de door [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] geplaatste buitenunits van een airco en een warmtepomp en het daarbij behorende leidingwerk van het gemeenschappelijke deel van het dak van het gebouw aan de [adres 1] te [plaats] op straffe van een dwangsom”.In rechtsoverweging 4.13 van het vonnis wordt vervolgens geconcludeerd dat de vorderingen van de VvE worden toegewezen op de nader omschreven wijze. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de termijn verlengd, is gekozen voor het begrip ‘ units van de warmtepomp en van de airconditioning’ in plaats van ‘buiten- en binnenunits’ en is de gevorderde toevoeging ‘voor zover deze zijn aangebracht zonder de vereiste toestemming van de VvE’ verwijderd. Dat hieruit zou volgen dat de gevorderde verwijdering van het gehele gemeenschappelijke deel van het dak vervolgens zou zijn afgewezen of dat de verwijdering slechts zou zien op het gedeelte van het gemeenschappelijke dak boven het appartement van [A] , blijkt hieruit dan ook niet. Het in rechtsoverweging 5.1 van het vonnis genoemde ‘
gemeenschappelijke deel van het dak van het gebouw aan de [adres 2] te [plaats] , dat zich boven het appartement van [A] bevindt’is dan ook een feitelijke duiding van de posities waar de units zich ten tijde van de procedure bevonden. In de veroordeling staat namelijk daarna dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] het dak na verwijdering van de units en al het leidingwerk op eigen kosten moeten herstellen in de staat waarin dat zich voor de plaatsing en montage van de units bevond.
“Ter zitting is gebleken dat hun apparatuur kan staan op dezelfde plaats waar voorheen hun buitenunit van de airconditioning stond. En voor zover dat al problematisch zou zijn, dan hebben [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet uitgelegd waarom de apparatuur niet op hun dakterras zou kunnen staan.”Volgens [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] volgt daaruit dat de units op twee plekken zouden kunnen staan: (1) op de plek waar voorheen hun buitenunit van de airconditioning stond en (2) op hun dakterras. Dat is niet zo. Uit deze rechtsoverweging volgt dat is gebleken dat de buitenunits op dezelfde plaats konden staan als waar deze voorheen stond en als dat niet zo is, [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet hebben uitgelegd waarom dat niet kon. Daarmee heeft de voorzieningenrechter [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] één optie gegeven, namelijk dat de apparatuur kan staan op de plaats waar voorheen hun buitenunit van de airconditioning stond. Die locatie was boven het appartement van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] . Dit volgt uit rechtsoverweging 2.3 van het vonnis, waarin staat:
“De buitenunits ten behoeve van het appartement van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] stond(en) aanvankelijk op het gedeelte van het (toen ook nog gemeenschappelijke deel van het) dak boven hun appartement.”Dit betekent overigens niet dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de units hier naar toe
moestenverplaatsen. Het was hen enkel niet meer toegestaan de units geplaatst te houden op het gemeenschappelijke dak (anders dan op hun privé dakterras).