ECLI:NL:RBMNE:2026:506

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/16/605028 / KL ZA 26-2
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 9 lid 2 splitsingsreglementArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over verwijdering warmtepomp- en airconditioningunits van gemeenschappelijk dak

In deze zaak staat een executiegeschil centraal tussen twee appartementseigenaren en de Vereniging van Eigenaars (VvE). De eigenaren waren door een eerder vonnis veroordeeld om hun warmtepomp- en airconditioningunits van het gemeenschappelijke dak te verwijderen en het dak te herstellen. De VvE legde dwangsommen op en startte executie omdat de eigenaren volgens haar niet aan het vonnis voldeden.

De eigenaren stelden dat zij aan het vonnis hadden voldaan door de units te verplaatsen naar een ander deel van het gemeenschappelijke dak, maar de VvE betwistte dit. De voorzieningenrechter moest de uitleg van het vonnis toetsen en oordeelde dat de eigenaren de units van het gehele gemeenschappelijke dak moesten verwijderen, niet slechts van het deel boven het appartement van een derde eigenaar. De units mochten wel op het privéterras van de eigenaren staan.

De rechtbank verwierp het verzoek van de eigenaren om de executie te schorsen of te verbieden, omdat zij niet aan de veroordeling hadden voldaan. Ook stelde de rechtbank dat de VvE terecht tot executie was overgegaan en veroordeelde de eigenaren tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De vorderingen van de appartementseigenaren tot schorsing of verbod van executie worden afgewezen en zij worden veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/605028 / KL ZA 26-2
Vonnis in kort geding van 6 februari 2026
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] ,

te [plaats] ,
advocaat: mr. P.C. Tennekes,
2.
[eiser sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] ,
tegen
VERENIGING VAN EIGENAARS [naam],
te [plaats] ,
advocaat: mr. D.N. Reijnders,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de VvE.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de kort geding dagvaarding van 20 januari 2026 met 12 producties;
- de conclusie van antwoord met 4 producties;
- de door [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] nagezonden productie 13.
1.2.
De mondelinge behandeling was op 30 januari 2026. Daarbij waren [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] aanwezig, bijgestaan door mr. P.C. Tennekes. Namens de VvE waren aanwezig:
[A] (nr. [nummer] ), [B] , [C] (nr. [nummer] ) en [D] (beheerder van de VvE), bijgestaan door mr. D.N. Reijnders. De advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
1.3.
Op de zitting is gezegd dat uiterlijk op 13 februari 2026 een vonnis zal worden gegeven. Het vonnis is eerder klaar en wordt daarom vandaag uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser sub 2] en [eiseres sub 1] zijn eigenaar van het appartementsrecht dat recht geeft op het exclusieve gebruik van het appartement nummer [nummer] in een appartementencomplex aan de [adres 1] in [plaats] . Als bewoners zijn zij lid van de VvE. Aan [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] is in een door deze rechtbank gewezen vonnis van 21 juli 2025 tussen hen en de VvE (hierna: het vonnis) onder last van een dwangsom een gebod gegeven. De VvE heeft dwangsommen aangezegd en is inmiddels overgegaan tot executie, omdat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet voldaan zouden hebben aan de veroordeling uit het vonnis. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] zijn het daar niet mee eens en hebben deze procedure aanhangig gemaakt om de executie te verbieden of te schorsen. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] krijgen ongelijk. Hun vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

3.De beoordeling

[eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hebben spoedeisend belang bij hun vorderingen
3.1.
Deze procedure is een zuiver executiegeschil in de zin van artikel 438 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Het spoedeisend belang volgt in dit soort zaken uit de aard van de zaak.
Het beoordelingskader
3.2.
Op grond van artikel 438 lid 2 Rv Pro heeft de voorzieningenrechter een bevoegdheid tot het treffen van de daar genoemde voorzieningen. Tot die voorzieningen behoort niet een verbod op executie, zoals door [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] mede is gevorderd. Dit gevorderde verbod is om die reden niet toewijsbaar. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] zo dat zij ook schorsing van de executie vordert. Daartoe biedt
lid 3 van dit artikel wel mogelijkheid.
3.3.
In dit executiegeschil gaat het om de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. Aan de voorzieningenrechter komt een beperkte toets toe. Zij moet beoordelen of [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] voldaan hebben aan de veroordeling uit het vonnis waaraan de dwangsom is verbonden. Het is niet haar taak om de onderliggende rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen (HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0431).
3.4.
De bewijslast dat niet aan de veroordeling is voldaan, rust op de VvE als executant. Als de VvE aannemelijk kan maken dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet aan de veroordeling heeft voldaan, moet de vordering tot schorsing van de executie in principe worden afgewezen. Dit betekent dat een inschatting moet worden gemaakt van de kans dat de VvE in een eventuele bodemprocedure erin zal slagen te bewijzen dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet (volledig) aan de veroordeling hebben voldaan.
Het dictum van het vonnis en de handelingen van partijen daarna
3.5.
In het dictum van het vonnis staat:
“5.1. veroordeelt [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] om de units van hun warmtepomp en airconditioning die zich thans bevinden op het gemeenschappelijke deel van het dak van het gebouw aan de [adres 2] te [plaats] , dat zich boven het appartement van [A] bevindt, met de daarbij alle daarbij behorende leidingen, binnen 8 weken vanaf de dag van betekening van het vonnis te verwijderen, en het dak na verwijdering van de units en al het leidingwerk op eigen kosten te herstellen in de staat waarin dat zich voor de plaatsing en montage van de units bevond.
5.2.
veroordeelt [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hoofdelijk om aan Vereniging van Eigenaars [naam] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
(…)
5.5.
wijst het anders of meer gevorderde af,”
3.6.
Op 18 september 2025 heeft de installateur van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de units verwijderd van de plek boven het appartement van [A] en deze verplaatst naar een andere plek op het gemeenschappelijke dak, grenzend aan het appartement van [C] . Op 14 november 2025 heeft [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de units van het gemeenschappelijke dak – na aanschrijving door de VvE – verwijderd en op haar privéterras geplaatst.
3.7.
Op 28 november 2025 heeft de deurwaarder van de VvE bevel aan [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] gedaan tot betaling van € 14.000,= aan verbeurde dwangsommen en € 157,30 aan
bijbehorende explootkosten en bij gebreke van betaling binnen 2 dagen executoriaal beslag
aangezegd.
De uitleg van het kort geding vonnis van 21 juli 2025: [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] moeten de units verwijderen van het gemeenschappelijke dak
3.8.
Dikkerbroom en [eiseres sub 1] voeren aan dat zij op 18 september 2025 – en dus tijdig – aan de veroordeling uit het vonnis hebben voldaan. Dit is de VvE niet met hen eens. Voor het antwoord op de vraag of [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de verlangde prestatie hebben verricht, moet dat wat zij ter uitvoering van de veroordeling hebben gedaan, worden getoetst aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld.
3.9.
[eiser sub 2] en [eiseres sub 1] leggen het vonnis zo uit dat zij enkel gehouden waren om de units te verwijderen van de plek waar deze feitelijk stonden, namelijk op het gemeenschappelijk deel van het dak van het gebouw boven het appartement van [A] . Dat hebben ze gedaan. Uit het vonnis volgt volgens hen niet dat de units vervolgens niet neergezet mochten worden op een ander deel van het gemeenschappelijk dak. In ieder geval waren daaraan volgens hen geen dwangsommen verbonden. De VvE meent dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de units moesten verwijderen van het gemeenschappelijke dak en dat als ze deze zouden herplaatsen, dit boven hun eigen appartement zou moeten zijn. Kortom: partijen zijn het niet eens over de uitleg van de veroordeling in het vonnis.
3.10.
De veroordeling moet worden uitgelegd in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot die beslissing hebben geleid. Daarbij kan betekenis toekomen aan dat wat in de processtukken is aangevoerd over het geschilpunt waarop de overwegingen en de beslissing betrekking hebben. Bij de uitleg moeten het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367). Tot slot kunnen ook de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van belang zijn (HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367).
3.11.
Het doel en de strekking van de veroordeling in het vonnis is dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de units van het gehele gemeenschappelijke deel van het dak moesten verwijderen en niet slechts van het gemeenschappelijke dak boven het appartement van [A] , zoals [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] stelt. Dit kan worden afgeleid uit de volgende rechtsoverwegingen:
“ (…)
  • 4.4. Van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] mocht worden verwacht dat zij voorafgaand aan de plaatsing van de buitenunits op het gemeenschappelijke deel van het dak toestemming zouden vragen aan de vergadering van de appartementseigenaars overeenkomstig artikel 9 lid 2 van Pro het splitsingsreglement. Zij hebben dat niet gedaan. Eveneens mocht van hen worden verwacht dat zij die plaatsing zouden afstemmen met de direct betrokken appartementseigenaar(s), waaronder in ieder geval [A] (omdat de apparatuur op het dak van zijn appartement is geplaatst) en [E] (omdat de apparatuur dicht naast de zolderverdieping van zijn appartement staat). Dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] , [A] en [E] op de hoogte hebben gesteld van hun plannen en de uitvoering daarvan met hen hebben afgestemd, is niet gebleken.
  • 4.5. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hebben geen gebruiksovereenkomsten getekend met daarbij behorende certificaten. Dit betekent dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet voldoen aan een van de voorwaarden voor toestemming voor de plaats van hun apparatuur. Reeds daardoor is het hen niet toegestaan die apparatuur op het gemeenschappelijke deel van het dak te hebben.
(…)”
3.12.
In het licht van deze overwegingen kan het dictum niet anders worden uitgelegd dan dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de units van het gehele gemeenschappelijke dak moesten verwijderen, omdat zij (1) voorafgaand aan het plaatsen van de units geen toestemming hebben gevraagd aan de de VvE, (2) dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] geen afstemming hebben gezocht met de direct betrokken appartementseigenaren en (3) dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet voldoen aan een van de voorwaarden voor het plaatsen van hun apparatuur, waardoor het hen niet is toegestaan die apparatuur op het gemeenschappelijke deel van het dak te hebben. Verder ondersteunend voor het oordeel dat de units van het gemeenschappelijk dak moesten worden verwijderd en de units wel op het privéterras van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] mochten staan, is dat uit het vonnis blijkt dat herhaaldelijk gesproken is over het verplaatsen van de units naar het dak van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] :
“ (…)
  • 4.2. (…) Tijdens de mondelinge behandeling is namelijk gebleken dat de buitenunit van hun airconditioning vóór de aanleg van hun dakterras op het dak boven hun eigen appartement stond en dus niet op het gemeenschappelijke deel van het dak. (…)
  • 4.8. In dit kader is het bovendien van belang dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] er voor hebben gekozen om zonder toestemming en afstemming hun apparatuur niet te plaatsen op de plaats waar voorheen de buitenunit van de airco stond (te weten op het dak boven hun eigen appartement) maar op het gemeenschappelijke deel van het dak boven het appartement van [A] en in de directe nabijheid van het appartement van [E] . Ze hebben bij die verplaatsing ook geen belang gesteld dat boven het redelijke belang van [E] zou gaan om verstoken te blijven van door hem ervaren geluidsoverlast.
  • 4.9. (…) Ter zitting is gebleken dat hun apparatuur kan staan op dezelfde plaats waar voorheen hun buitenunit van de airconditioning stond. En voor zover dat al problematisch zou zijn, dan hebben [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet uitgelegd waarom de apparatuur niet op hun dakterras zou kunnen staan.
(…)”
Het doel en de strekking van het vonnis was niet het tegengaan van geluidsoverlast van [A]
3.13.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Tennekes namens [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] verklaard dat het doel en de strekking van het vonnis is dat de geluidsoverlast van [A] moest worden tegengegaan. Dat is niet zo. Uit het vonnis kan worden afgeleid dat de geluidsoverlast werd ervaren door [E] (nr. [nummer] ). Zie daarvoor mede de vorige passage uit rechtsoverweging 4.8. van het vonnis. Uit rechtsoverweging 4.7 van het vonnis blijkt dat de installatie van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] in de directe nabijheid stond van de etage waarop [E] slaapt. Het vonnis kan dan ook niet tot doel hebben gehad om de geluidsoverlast van [A] tegen te gaan. Het doel en de strekking was, zoals door de VvE terecht is aangevoerd, een einde te maken aan het zonder toestemming gebruiken van het gemeenschappelijke dak voor privé-installaties.
De gevorderde verwijdering van de units van het gehele gemeenschappelijke dak is niet afgewezen
3.14.
[eiser sub 2] en [eiseres sub 1] stellen verder dat de gevorderde verwijdering van de units van het gehele gemeenschappelijke deel van het dak zou zijn afgewezen, omdat in rechtsoverweging 5.5 van het dictum staat dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Ook deze stelling treft geen doel.
3.15.
Uit rechtsoverweging 3.1. van het vonnis volgt dat de vordering van de VvE luidde:
“Verwijdering van de door [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] geplaatste buitenunits van een airco en een warmtepomp en het daarbij behorende leidingwerk van het gemeenschappelijke deel van het dak van het gebouw aan de [adres 1] te [plaats] op straffe van een dwangsom”.In rechtsoverweging 4.13 van het vonnis wordt vervolgens geconcludeerd dat de vorderingen van de VvE worden toegewezen op de nader omschreven wijze. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de termijn verlengd, is gekozen voor het begrip ‘ units van de warmtepomp en van de airconditioning’ in plaats van ‘buiten- en binnenunits’ en is de gevorderde toevoeging ‘voor zover deze zijn aangebracht zonder de vereiste toestemming van de VvE’ verwijderd. Dat hieruit zou volgen dat de gevorderde verwijdering van het gehele gemeenschappelijke deel van het dak vervolgens zou zijn afgewezen of dat de verwijdering slechts zou zien op het gedeelte van het gemeenschappelijke dak boven het appartement van [A] , blijkt hieruit dan ook niet. Het in rechtsoverweging 5.1 van het vonnis genoemde ‘
gemeenschappelijke deel van het dak van het gebouw aan de [adres 2] te [plaats] , dat zich boven het appartement van [A] bevindt’is dan ook een feitelijke duiding van de posities waar de units zich ten tijde van de procedure bevonden. In de veroordeling staat namelijk daarna dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] het dak na verwijdering van de units en al het leidingwerk op eigen kosten moeten herstellen in de staat waarin dat zich voor de plaatsing en montage van de units bevond.
Uit het vonnis volgt één plek waar de units van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] konden staan: hun dakterras
3.16.
Volgens [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] bepaalt het vonnis niet wat de nieuwe locatie van de buitenunits zou moeten zijn en is daar ook geen dwangsom aan verbonden. Volgens [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] zijn zij dan ook niet gebonden aan een andere specifieke alternatieve locatie voor de buitenunits. Ook deze stelling slaagt niet.
3.17.
In rechtsoverweging 4.9 van het vonnis staat:
“Ter zitting is gebleken dat hun apparatuur kan staan op dezelfde plaats waar voorheen hun buitenunit van de airconditioning stond. En voor zover dat al problematisch zou zijn, dan hebben [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet uitgelegd waarom de apparatuur niet op hun dakterras zou kunnen staan.”Volgens [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] volgt daaruit dat de units op twee plekken zouden kunnen staan: (1) op de plek waar voorheen hun buitenunit van de airconditioning stond en (2) op hun dakterras. Dat is niet zo. Uit deze rechtsoverweging volgt dat is gebleken dat de buitenunits op dezelfde plaats konden staan als waar deze voorheen stond en als dat niet zo is, [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet hebben uitgelegd waarom dat niet kon. Daarmee heeft de voorzieningenrechter [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] één optie gegeven, namelijk dat de apparatuur kan staan op de plaats waar voorheen hun buitenunit van de airconditioning stond. Die locatie was boven het appartement van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] . Dit volgt uit rechtsoverweging 2.3 van het vonnis, waarin staat:
“De buitenunits ten behoeve van het appartement van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] stond(en) aanvankelijk op het gedeelte van het (toen ook nog gemeenschappelijke deel van het) dak boven hun appartement.”Dit betekent overigens niet dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de units hier naar toe
moestenverplaatsen. Het was hen enkel niet meer toegestaan de units geplaatst te houden op het gemeenschappelijke dak (anders dan op hun privé dakterras).
Geen misbruik van bevoegdheid
3.18.
[eiser sub 2] en [eiseres sub 1] stellen verder dat gelet op hun gerechtvaardigde belangen met recht van de VvE geëist kan worden dat zij stopt met het treffen van executiemaatregelen. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] wijzen daarbij op de omstandigheid dat de executiemaatregelen grote impact hebben op hun leven, terwijl zij inmiddels (op 14 november 2025) de units verplaatst hebben naar hun privé dakterras. Door desondanks de executie voort te zetten, maakt de VvE volgens hen misbruik van bevoegdheid.
3.19.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] geen hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis en dat deze termijn is verstreken. Dit betekent dat er geen oordeel gegeven kan worden over de schorsing van de uitgesproken uitvoerbaarheid bij voorraad (voor zover [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] dat hebben beoogd te verkrijgen). Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is uitgangspunt dat deze mag worden uitgevoerd. De voorzieningenrechter begrijpt dat executiemaatregelen grote impact kunnen hebben op het persoonlijk leven van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] . Dat neemt niet weg dat ze, op tijd, aan een veroordeling moeten voldoen. Dat hebben [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet gedaan. Zij hebben de units op een onjuiste plek op het dak neergezet (namelijk het gemeenschappelijke gedeelte) en hebben voorafgaand aan deze verplaatsing niet met de VvE besproken op welke locatie zij de units hadden moeten plaatsen volgens de VvE. Dit hebben zij pas gedaan nadat dwangsommen verbeurd waren. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hebben nog gesteld dat er restitutierisico’s zijn als blijkt dat zij in een bodemprocedure gelijk krijgen. Hoewel dit niet relevant is voor de beoordeling van hun vorderingen, geldt dat dit gemotiveerd en onbetwist weersproken is door de VvE. De VvE heeft aangevoerd dat de VvE niet kan failleren en de leden van de VvE hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de VvE in verhouding tot hun breukdeel. Dit alles betekent dat de VvE een grond had voor het executeren van het vonnis.
Conclusie
3.20.
De VvE heeft aannemelijk gemaakt dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet aan de veroordeling heeft voldaan. De conclusie is dan ook dat de vorderingen van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] zullen worden afgewezen.
[eiser sub 2] en [eiseres sub 1] moeten de proceskosten van de VvE betalen
3.21.
[eiser sub 2] en [eiseres sub 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de VvE betalen. De gevorderde hoofdelijkheid van deze veroordeling zal worden toegewezen. Voor het berekenen van het salaris van de advocaat van de VvE zal de voorzieningenrechter aansluiting zoeken bij de bedragen die gelden in een handel kort geding. De proceskosten van de VvE worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
3.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] af,
4.2.
veroordeelt [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hoofdelijk, dat betekent dat als de één betaalt de ander zal zijn gekweten, in de proceskosten van de VvE van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op
6 februari 2026.
4809