ECLI:NL:RBMNE:2026:5

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
16.257919.22
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de PIJ-maatregel voor een minderjarige verdachte met een persoonlijkheidsstoornis en recidiverisico

Op 5 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de PIJ-maatregel voor een minderjarige verdachte, geboren in 2005. De vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel, ingediend door het Openbaar Ministerie, was drie maanden te laat, maar werd toch ontvankelijk verklaard. De rechtbank overwoog dat de termijnoverschrijding niet het grootste deel van de resterende maatregel beslaat en dat het belang van de verdachte en de maatschappij bij voortzetting van de maatregel zwaarwegend is. De PIJ-maatregel werd met 12 maanden verlengd, ondanks de late indiening van de vordering. De rechtbank weegt hierbij de ernst van de feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld, de aanwezige stoornissen en het recidiverisico mee. De verdachte heeft baat bij de structuur van de PIJ-maatregel en er zijn nog voldoende behandelmogelijkheden beschikbaar. De rechtbank benadrukt het belang van een zorgvuldige behandeling en begeleiding voor de verdachte, die nog aan het begin van zijn resocialisatietraject staat. De beslissing om de PIJ-maatregel te verlengen is genomen in het belang van zowel de verdachte als de maatschappij.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.257919.22 (vordering verlenging PIJ)
Beslissing op grond van artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 5 januari 2026
op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
thans verblijvende in [inrichting] te [plaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder:
  • een afschrift van het vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2023, waarbij aan [verdachte] onder andere de PIJ-maatregel is opgelegd;
  • de beslissing van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 3 oktober 2023 op het bezwaarschrift omzetting maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige met parketnummer 16.340301.21, waarbij het bezwaarschrift gegrond is verklaard;
  • het door het hoofd van de inrichting [inrichting] uitgebrachte advies van 5 december 2025, strekkende tot verlenging van de termijn van de maatregel met 18 maanden, en ook de aantekeningen over de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [verdachte]
  • de schriftelijke vordering van de officier van justitie van 5 december 2025 die strekt tot de voorlopige voortzetting van de PIJ-maatregel;
  • het bevel van de rechter-commissaris van deze rechtbank in het kader van de vordering tot voorlopige voortzetting van de PIJ-maatregel van 8 december 2025;
  • het proces-verbaal van verhoor in het kader van de vordering tot voorlopige voortzetting van de PIJ-maatregel door de rechter-commissaris van 8 december 2025;
  • de schriftelijke vordering van de officier van justitie van 5 december 2025 die strekt tot verlenging van de PIJ-maatregel met 18 maanden.

2.Het onderzoek ter terechtzitting

De behandeling van de vordering heeft op 22 december 2025 ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord:
- de officier van justitie, mr. M.M.L. Kalsbeek;
- [verdachte] ;
- de raadsman van [verdachte] , mr. J.A.C. van den Brink, advocaat in Almere;
- de heer [A] , gedragswetenschapper, verbonden aan [inrichting] .

3.De rapportage en de toelichting daarop

Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 1 genoemde advies van 5 december 2025. Het standpunt van de inrichting is, zakelijk weergegeven, dat er bij [verdachte] nog steeds sprake is van een persoonlijkheid- en gedragsstoornis. Ook het recidiverisico is nog aanwezig. Dit risico wordt zonder behandeling en passende bejegening ingeschat als matig tot hoog.
De inrichting adviseert de PIJ-maatregel te verlengen met 18 maanden.
De gedragswetenschapper is op de zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat [verdachte] baat heeft bij de structuur die hem door de PIJ-maatregel wordt opgelegd. [verdachte] heeft inmiddels mooie stappen gemaakt en daarvoor verdient hij complimenten. Maar er moeten ook nog stappen gezet worden in de behandeling van de kernproblematiek en dat heeft tijd nodig. De te nemen stappen gaan namelijk gepaard met het steeds minder bieden van externe structuur en dit kan tot meer spanning bij [verdachte] leiden Door de behandeling leert [verdachte] daarmee om te gaan. Als de behandeling te snel gaat, is er een grotere kans op schijnaanpassing. Op dit moment is er nog sprake van begeleid verlof en is er opnieuw een machtiging voor begeleid verlof aangevraagd. Deze machtiging is standaard 6 maanden geldig, maar als het begeleid verlof goed blijft verlopen, kan de JJI eerder dan de 6 maanden al een machtiging voor onbegeleid verlof aanvragen.
Voor de behandeling van de kernproblematiek bij [verdachte] is nog minstens 20 maanden nodig, gerekend vanaf de zittingsdatum. Bij het opstellen van de rapportage is de kliniek namelijk uitgegaan van een PIJ die pas verlengd hoefde te worden in februari 2026.

4.De standpunten

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie erkent dat de verlengingsvordering te laat is ingediend. De reden daarvoor is dat het Administratie en Informatiecentrum voor de Executieketen (AICE) de gewijzigde startdatum van de PIJ-maatregel niet had verwerkt. De vordering had moeten worden ingediend tussen 3 augustus 2025 en 3 september 2025. De vordering is uiteindelijk ingediend op 5 december 2025.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering tot verlenging desondanks ontvankelijk is omdat de overschrijding, gelet op het feit dat er een verlenging van 18 maanden wordt geadviseerd, niet het grootste deel van het nog te volgen traject beslaat. Bovendien is verlenging in het belang van de maatschappij en van [verdachte] zelf.
Wel ziet de Officier van Justitie door de forse overschrijding aanleiding om haar vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel met 18 maanden te wijzigen in een vordering tot verlenging met 12 maanden. Zij wil met deze verkorting recht doen aan het belang van [verdachte] . Bovendien kan met deze kortere verlengingsperiode een vinger aan de pols worden gehouden voor het geval het behandeltraject sneller kan verlopen dan gepland en een kortere termijn helpt [verdachte] bovendien om beter gemotiveerd te blijven.
Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat, als het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering tot verlenging, er aan de van rechtswege voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel voorwaarden worden verbonden.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht het Openbaar Ministerie in haar vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel niet-ontvankelijk te verklaren en de voorlopige voortzetting van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel te beëindigen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er sprake is van een ernstige overschrijding van de termijn waarbinnen de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel had moeten worden ingediend. De rechten van [verdachte] zijn hiermee op grove wijze veronachtzaamd. Door het ontbreken van een tijdige vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel is [verdachte] namelijk zonder titel van zijn vrijheid ontnomen geweest. Dat het Openbaar Ministerie het niet zo nauw heeft genomen met het belang van [verdachte] blijkt bovendien uit de omstandigheid dat de vordering tot voorlopige voortzetting van de maatregel door het Openbaar Ministerie niet onverwijld is ingediend bij de rechter-commissaris nadat van het verzuim was gebleken.
Het belang van de maatschappij bij een voortzetting van de PIJ-maatregel is beperkt, omdat [verdachte] een model PIJ-er is. De resterende behandelmogelijkheden kunnen ook in het kader van de voorwaardelijke PIJ-maatregel worden vormgegeven.
De termijnoverschrijding is volgens de raadsman niet verschoonbaar. Dat de officier van justitie is uitgegaan van informatie van DIZ en/of AICE kan het Openbaar Ministerie niet verontschuldigen. De PIJ-maatregel is een zwaar ingrijpende vrijheidsbeneming van een minderjarige. Juist in dit kader mag van het Openbaar Ministerie een verhoogde mate van zorgvuldigheid en actieve termijnbewaking worden verwacht.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verlenging van de PIJ-maatregel beperkt moet worden tot 6 maanden.

5.Het oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
Voordat de rechtbank een beslissing kan nemen over de verlengingsvordering van het Openbaar Ministerie moet zij eerst een beslissing nemen over de vraag of de vordering van het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.
Het Openbaar Ministerie heeft haar vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel ruim drie maanden te laat ingediend. Na onherroepelijk worden van het vonnis waarbij de PIJ-maatregel is opgelegd op 15 augustus 2023, heeft [verdachte] vanaf 16 augustus 2023 vervangende jeugddetentie uitgezeten in de zaak met parketnummer 16.340301.21. Bij beslissing van deze rechtbank van 3 oktober 2023 is het bezwaarschrift tegen de omzetting van de gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) in vervangende jeugddetentie gegrond verklaard, zodat op dat moment de PIJ-maatregel is gaan lopen. Daaruit volgt dat de PIJ-maatregel in beginsel op 3 oktober 2025 voorwaardelijk zou eindigen, tenzij er tussen 3 augustus 2025 en 3 september 2025 een vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel zou zijn ingediend. De vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel is echter pas ingediend op 5 december 2025 en op de griffie ontvangen op 9 december 2025. Dat betekent dat de vordering ruim 3 maanden te laat is ingediend.
In artikel 6:6:31 lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv) is artikel 6:6:11Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond van het derde lid van dit artikel kan het Openbaar Ministerie ook bij een te late indiening van de vordering worden ontvangen als deze binnen een redelijke termijn is ingediend en er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de PIJ-er, verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] zijn 3 factoren genoemd die moeten worden afgewogen als het gaat om de ontvankelijkheid van een te laat ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot verlenging van – in dat geval – een tbs-maatregel, te weten:
  • de belangen van de terbeschikkinggestelde, namelijk tijdig weten dat een vordering wordt ingediend en voor welke termijn, zodat hij zich samen met zijn advocaat kan voorbereiden op de procedure;
  • de belangen van de maatschappij, namelijk bescherming tegen het gevaar dat uitgaat van de terbeschikkinggestelde. Bij de beoordeling daarvan kan worden gekeken naar de fase van de behandeling en resocialisatie, het indexdelict en de gemaximeerdheid van de maatregel, de risicotaxatie en de resterende behandelmogelijkheden;
  • de mate van en de reden voor de overschrijding van de termijn.
Naarmate de overschrijding groter is, zullen zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de maatregel toch wordt verlengd.
Vooropgesteld moet worden dat er geen sprake is geweest van een geringe termijnoverschrijding van enkele dagen. De termijnoverschrijding met ruim drie maanden is fors te noemen en dit rekent de rechtbank het Openbaar Ministerie aan. Ook in het geval AICE een administratieve vergissing begaat zoals hier kennelijk het geval is geweest, is het aan het Openbaar Ministerie om de termijnen te bewaken. Een administratieve vergissing is op zichzelf dus geen omstandigheid die een late indiening rechtvaardigt.
De vraag is dan of de termijnoverschrijding dermate is geweest dat van indiening binnen redelijke termijn geen sprake meer kan zijn. De rechtbank oordeelt dat dat niet het geval is geweest. De rechtbank weegt hierin mee dat termijnoverschrijding met ruim drie maanden weliswaar fors is, maar gelet op de resterende benodigde behandelingsduur niet het overgrote deel van de maatregel beslaat. Ook weegt de rechtbank hierin mee het belang van de voortzetting van de PIJ-maatregel voor [verdachte] en voor de maatschappij.
De rechtbank merkt hierbij op dat de forse termijnoverschrijding en het verzoek van de raadsman om de vordering van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en de PIJ-maatregel voorwaardelijk te beëindigen de rechtbank voor een groot dilemma heeft gesteld. Hiervoor heeft de rechtbank al opgemerkt dat zij de termijnoverschrijding het Openbaar Ministerie aanrekent. Dit klemt temeer nu [verdachte] zelf tijdig en meerdere keren aan de bel heeft getrokken maar zijn signalen desondanks zijn genegeerd. Dit is een kwalijke gang van zaken geweest. Gelet op deze forse termijnoverschrijding en de omstandigheden waaronder dat is gebeurd, had de niet-ontvankelijkheid van de vordering van het Openbaar Ministerie zomaar in de rede gelegen.
De rechtbank beslist echter anders in het belang van [verdachte] zelf en het belang van de maatschappij. [verdachte] is namelijk veroordeeld voor een ernstig feit, waarvoor hij een forse straf heeft gekregen. Uit de rapportage van [inrichting] blijkt dat het recidiverisico matig tot hoog is als de behandeling en begeleiding van [verdachte] nu stopt. Er zijn stoornissen vastgesteld bij [verdachte] en aan deze kernproblematiek is op dit moment nog onvoldoende gewerkt. Er zijn nog voldoende behandelmogelijkheden voor [verdachte] beschikbaar. Bovendien staat hij nog aan het begin van zijn resocialisatietraject. Het belang voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, is daarom groot. En hoewel de rechtbank goed begrijpt dat het niet fijn is om vast te zitten, ziet zij dat [verdachte] veel baat heeft bij de behandeling en begeleiding die hij krijgt in [inrichting] . Op de zitting heeft [verdachte] zelf ook aangegeven dat de structuur hem goed doet, dat hij veel heeft geleerd, maar dat hij ook nog de nodige stappen te zetten heeft. Uit zijn verklaring volgt dat hij zelf meent dat het in zijn eigen belang is om de PIJ-maatregel te verlengen. De rechtbank hecht hier veel belang aan. Op dit moment heeft [verdachte] begeleid verlof. Het onbegeleid verlof is nog niet aangevraagd. Omdat structuur voor [verdachte] zo belangrijk is, is het van belang dat hij goed kan oefenen met de resocialisatie. Als de PIJ-maatregel op dit moment voorwaardelijk zou eindigen, zou een groot deel van de structuur voor [verdachte] wegvallen, met het risico dat hij terugvalt in oud gedrag, omdat het nieuw geleerde gedrag nog niet goed heeft kunnen beklijven.
De rechtbank komt op basis van deze afweging van factoren tot de conclusie dat de verlengingsvordering van het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.
Verlenging
Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel door het Openbaar Ministerie ontvankelijk is, moet de rechtbank daarover een beslissing nemen. In aanvulling op hetgeen hiervoor is beschreven merkt de rechtbank daarover het volgende op.
[verdachte] is bij genoemd vonnis van deze rechtbank veroordeeld voor – kort gezegd – de eendaadse samenloop van diefstal met geweld in vereniging en afpersing in vereniging en het medeplegen van computervredebreuk. Aan [verdachte] is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd. Met betrekking tot de duur van deze maatregel heeft de rechtbank overwogen dat de mogelijkheid bestaat deze te verlengen, omdat [verdachte] is veroordeeld voor een feit dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
Uit het verlengingsadvies blijkt dat er nog steeds sprake is van een stoornis bij [verdachte] , te weten een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische kenmerken en een normoverschrijdende gedragsstoornis met beperkte pro-sociale emoties. Daarnaast is sprake van zwakbegaafdheid. Ook is er sprake van ouder-kindrelatieproblematiek en voldoet [verdachte] aan de criteria voor ADHD.
Het recidivegevaar wordt zonder behandeling en passende bejegening als matig tot hoog ingeschat. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van het advies te twijfelen en neemt dit over.
Uit het verlengingsadvies komt het volgende naar voren. [verdachte] heeft een beperkt zelfinzicht en probleembesef. Hij heeft constante aansturing nodig, waarbij zelfstandig functioneren een uitdaging is. [verdachte] werkt mee aan de aangeboden behandelingen en hij lijkt tot op zekere hoogte bereid om aan zijn problematiek te werken. Zijn motivatie is wel voornamelijk extrinsiek gestuurd. Hij wil zijn traject graag (ver)snel(d) doorlopen, maar lijkt weinig inzicht te hebben in zijn eigen doelen en wat hij gedragsmatig en aan kernproblematiek moet veranderen om zijn resocialisatieproces verder vorm te geven.
In de afgelopen periode is [verdachte] gestart met verlof en met een leer/werkplek in de kantine van [inrichting] . Gedragsmatig laat [verdachte] een positieve ontwikkeling zien, wat onder andere is terug te zien in een afname van verbale en fysieke agressie incidenten. De komende periode zal voornamelijk in het teken staan van het verder werken aan de behandeldoelen om de aanwezige risicofactoren te verminderen en de beschermende factoren te vergroten en te versterken. Dit zal gebeuren binnen een kader van toegenomen vrijheden zoals begeleid verlof en op termijn onbegeleid verlof en STP. Er zal tijd nodig zijn om de verschillende stappen binnen het resocialisatietraject met goed gevolg de doorlopen. Voor elke fase wordt een periode van tenminste 6 maanden ingeruimd. Bij te snelle stappen bestaat het risico op overvraging of een schijnaanpassing en het niet internaliseren van de persoonlijkheid en gedragsveranderingen, met een daarbij samenhangende kans op terugval.
Ter zitting van 22 december 2025 heeft [verdachte] aan de rechtbank een zelfgeschreven verslag overhandigd over zijn ontwikkeling in de afgelopen periode. De rechtbank is onder de indruk van hoe goed [verdachte] heeft kunnen verwoorden hoe het met hem is gegaan en van de stappen die hij al heeft gezet. Dat hij ook wel het ‘visitekaartje van [inrichting] ’ wordt genoemd, is iets waar hij terecht trots op mag zijn.
De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemd advies en wat op de zitting is besproken, volgt dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de maatregel eist. Zij is van oordeel dat wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De verlenging is ook in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . De rechtbank overweegt dat verlenging voor de duur van 12 maanden passend is. Hoewel geadviseerd is om de PIJ-maatregel met 18 maanden te verlengen, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om die periode te verkorten. De situatie dat de PIJ-maatregel te laat is gestart en daarmee te laat wordt verlengd, zal ook wat met [verdachte] doen. Door te verlengen met een kortere termijn, hoopt de rechtbank [verdachte] extra te motiveren om op de goede weg door te gaan en zich te blijven inzetten voor zijn behandeling. Dat verlengd wordt met 12 maanden wil echter niet zeggen dat na die periode overgegaan zal worden tot een voorwaardelijke beëindiging. Het geeft wel de mogelijkheid om al eerder te kunnen kijken en bespreken hoe ver [verdachte] is gevorderd in zijn behandeling en verloftraject.
Een verlenging voor de duur van 6 maanden, zoals de raadsman subsidiair heeft verzocht, acht de rechtbank te kort voor [verdachte] om tot grote veranderingen te komen.
De rechtbank merkt nog op dat de verlengingstermijn (met terugwerkende kracht) aanvangt met ingang van de expiratiedatum van de opgelegde PIJ-maatregel, te weten op 3 oktober 2025.
Einddatum maatregel
Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafvordering stelt de rechtbank vast dat tenzij beslist wordt tot verdere verlenging, de maatregel voorwaardelijk zal eindigen op 28 september 2026 en onvoorwaardelijk zal eindigen op 28 september 2027.

6.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel.
- verlengt de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van
[verdachte]voor de duur van 12 maanden.
Deze beslissing is genomen door mr. D.S. Terporten-Hop, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. S.M. van Meer en R.W. Nederveen, rechters, bijgestaan door mr. B.T. Feenstra als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 5 januari 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5247.