De burgemeester van Utrecht sloot de woning van verzoeker voor 30 dagen op grond van artikel 174a, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet vanwege een ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde door een dreiging met ernstig geweld. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting te schorsen totdat op het bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten omdat er sprake was van een actuele, ernstige en concrete dreiging richting het woonadres van verzoeker. Dit bleek uit bestuurlijke rapportages over een explosie, een kogelbrief gericht aan familieleden, dreigende berichten en een conflict binnen het criminele circuit waarbij de oudste zoon van verzoeker betrokken is.
De rechter vond de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenredig gezien de ernst van de dreiging en het belang van de openbare orde. Hoewel de belangen van verzoeker ernstig werden geraakt, woog het belang van bescherming van verzoeker en omwonenden zwaarder. Verzoeker had elders onderdak gevonden en er was geen aannemelijk bewijs dat hij daardoor op straat zou komen te staan.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de woningsluiting bleef gehandhaafd tot en met 24 februari 2026. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en er was geen mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.