ECLI:NL:RBMNE:2026:476

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
UTR 26/913
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.A.J. Woutersen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 174a GemeentewetArt. 8 EVRMArt. 8:29 AwbArt. 2 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens ernstige dreiging met geweld

De burgemeester van Utrecht sloot de woning van verzoeker voor 30 dagen op grond van artikel 174a, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet vanwege een ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde door een dreiging met ernstig geweld. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting te schorsen totdat op het bezwaar was beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten omdat er sprake was van een actuele, ernstige en concrete dreiging richting het woonadres van verzoeker. Dit bleek uit bestuurlijke rapportages over een explosie, een kogelbrief gericht aan familieleden, dreigende berichten en een conflict binnen het criminele circuit waarbij de oudste zoon van verzoeker betrokken is.

De rechter vond de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenredig gezien de ernst van de dreiging en het belang van de openbare orde. Hoewel de belangen van verzoeker ernstig werden geraakt, woog het belang van bescherming van verzoeker en omwonenden zwaarder. Verzoeker had elders onderdak gevonden en er was geen aannemelijk bewijs dat hij daardoor op straat zou komen te staan.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de woningsluiting bleef gehandhaafd tot en met 24 februari 2026. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en er was geen mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen, waardoor de woning gesloten blijft tot en met 24 februari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/913

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. B. Çiçek),
en

de burgemeester van de gemeente Utrecht, de burgemeester

(gemachtigden: mr. D. Rietberg en mr. J. Baijens ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: woningcorporatie Portaal uit Utrecht (Portaal)
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker. Verzoeker zijn woning is door de burgemeester voor 30 dagen gesloten vanwege een ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde door een dreiging met ernstig geweld. Verzoeker is het niet eens met de woningsluiting. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening, namelijk het schorsen van de woningsluiting totdat op zijn bezwaar is beslist, zodat hij in ieder geval tot dan terug kan naar zijn woning. De voorzieningenrechter beoordeelt dat verzoek.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
.Dit betekent dat de woning gesloten blijft tot en met 24 februari 2026. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 januari 2026 heeft de burgemeester een bestuurlijke maatregel genomen en de woning van verzoeker gesloten op grond van artikel 174a, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet vanwege ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning van verzoeker vanwege een ernstige dreiging met geweld (het bestreden besluit).
2.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, namelijk het schorsen van de woningsluiting totdat door de burgemeester op het bezwaar is beslist.
2.2.
Ook heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank op 3 februari 2026 beslist dat beperkte kennisname van de gegevens uit de bestuurlijke rapportages van 15 en 20 januari 2026, op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gerechtvaardigd is. Dat betekent dat de zwartgelakte passages uit die rapportages zwartgelakt blijven voor verzoeker.
2.3.
Verzoeker had de voorzieningenrechter in eerste instantie geen toestemming gegeven om kennis te nemen van de informatie onder de zwartgelakte passages, maar heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij toch akkoord is dat de voorzieningenrechter deze informatie inziet.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigden van Portaal.

Achtergrond van de zaak

3. Verzoeker woont aan de [adres] te [plaats] en is volgens de Basisregistratie Personen als enige ingeschreven op dit adres.
3.1.
Op 10 december 2025 is er door de politie een bestuurlijke rapportage opgemaakt waaruit blijkt dat er op 30 november 2025 een explosie heeft plaatsgevonden bij een woning in [plaats] . Een van de bewoners van deze woning (X) zou volgens de politie een conflict hebben binnen het criminele circuit met de oudste zoon van verzoeker omdat hij iets zou zijn verschuldigd aan X. Volgens de politie hebben zich in dat conflict vermoedelijk verschillende incidenten met excessief geweld of dreigingen voorgedaan in meerdere gemeenten in Nederland. De oudste zoon van verzoeker is opgepakt naar aanleiding van de explosie in [plaats] en op 5 december 2025 weer vrijgelaten. De politie beschrijft dat het conflict, voor zover zij weten, nog niet is geëindigd. De politie constateert ook dat de oudste zoon van verzoeker zich regelmatig in [plaats] begeeft.
3.2.
Op 16 december 2025 beschrijft de politie in een andere bestuurlijke rapportage dat een familielid van verzoeker op 19 november 2025 een kogelbrief heeft ontvangen waarop het adres van verzoeker stond, weliswaar doorgekrast. Vervolgens heeft er in de vroege ochtend van 20 november 2025 een brand plaatsgevonden in het portiek van het appartementencomplex van verzoeker. Op 4 december 2025 heeft de politie het huis van verzoeker doorzocht. Tijdens die doorzoeking heeft de politie het volgende aangetroffen: diverse luxe goederen, zoals merktassen, horloges, sieraden en zonnebrillen, diverse gegevensdragers, zoals smartphones, burnerphones, laptops en een GPS-tracker (baken) en € 52.650,- aan contant geld.
3.3.
Daarna beschrijft de politie in de bestuurlijke rapportage van 15 januari 2026 dat er sinds december 2025 geen incidenten meer hebben plaatsgevonden, maar dat de politie ook vermoedt dat het conflict nog steeds niet is geëindigd. Bij de politie is namelijk informatie binnengekomen dat een paar dagen voor 15 januari 2026 aan familieleden van verzoeker dreigende teksten zijn gestuurd. Uit deze teksten wordt duidelijk dat de dreigende partij kennis heeft wie de familieleden zijn en dat de oudste zoon van verzoeker een geldbedrag verschuldigd is aan de dreigende partij. De teksten hebben een agressieve toon. De politie constateert dat er een actuele dreiging zit op het woonadres van verzoeker. De politie adviseert de burgemeester daarom om passende bestuurlijke maatregelen te nemen. In deze bestuurlijke rapportage is ook een deel zwartgelakt wegens dringende opsporingsbelangen.
3.4.
Op 20 januari 2026 heeft de politie nog een bestuurlijke rapportage opgemaakt, waarin de politie de burgemeester nader informeert over de dreigende berichten. De inhoud van deze bestuurlijke rapportage is volledig zwartgelakt wegens dringende opsporingsbelangen. De politie adviseert de burgemeester wederom om passende bestuurlijke maatregelen te nemen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling door de voorzieningenrechter omdat hij door het besluit zijn woning tot en met 24 februari 2026 in mag. Dit wordt door partijen niet betwist.
4.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen allereerst of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Daarna weegt de voorzieningenrechter de belangen af van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de burgemeester die pleiten tegen het treffen daarvan. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij deze belangenafweging is voor de belangen van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
4.2.
De vraag die de voorzieningenrechter, gelet op de bezwaargronden van verzoeker, hierna zal beantwoorden is of de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten en of de burgemeester vervolgens ook van deze bevoegdheid gebruik mocht maken.
Was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?
5. Verzoeker stelt kort gezegd dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde vanwege een ernstige dreiging met geweld in of nabij zijn woning. Er is namelijk geen actuele, ernstige en concrete dreiging richting zijn woonadres. Tijdens de zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij vanaf begin december 2025 tot en met halverwege januari 2026 in het Stelsel Bewaken en Beveiligen heeft gezeten en dus niet in zijn woning verbleef. In die tijd was de woning echter niet gesloten en hebben er geen incidenten plaatsgevonden. Daarnaast weet verzoeker niets van de dreigende berichten. Hij heeft deze berichten in ieder geval zelf niet ontvangen. Ook stelt hij als enige woont aan de [adres] . Als er geen dreiging naar hem uitgaat, snapt hij dus niet waarom de woning moet worden gesloten.
5.1.
De burgemeester stelt dat er wel degelijk sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde vanwege een ernstige dreiging met geweld in of nabij de woning van verzoeker. De burgemeester heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij uit de incidenten van november en december 2025 opmaakt dat de betrokkenen uit het criminele circuit ernstig en grof geweld niet schuwen. Ook heeft de burgemeester toegelicht dat de dreigende berichten die nu worden gestuurd aan familieleden van verzoeker, waarvan de burgemeester met de bestuurlijke rapportages van 15 en 20 januari 2026 op de hoogte is gesteld, doorslaggevend zijn geweest om de woning van verzoeker te sluiten.
5.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester de bevoegdheid had om de woning te sluiten omdat er sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde in of nabij de woning van verzoeker vanwege een ernstige dreiging met geweld. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet zijn gesteld.
5.3.
De burgemeester mocht er op basis van de verschillende bestuurlijke rapportages namelijk vanuit gaan dat deze ernstige vrees bestaat. De burgemeester mag in beginsel uitgaan van de juistheid van de inhoud van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportages, tenzij verzoeker twijfel wekt over de betrouwbaarheid van die rapportages. [1] Dat heeft verzoeker hier echter niet gedaan. In de bestuurlijke rapportages staat dat er in november een explosie heeft plaatsgevonden in het portiek van het appartementencomplex van verzoeker. Daarnaast stond op de kogelbrief het adres van verzoeker. Op basis van deze bevindingen, en het feit dat de politie bekend is dat de oudste zoon van verzoeker betrokken is bij een conflict in het criminele circuit, mocht de burgemeester vaststellen dat de criminelen ernstig en grof geweld niet schuwen. Daarbij mocht de burgemeester uit die eerdere incidenten afleiden dat het woonadres van verzoeker bekend is bij de dreigende partij. Vervolgens mocht de burgemeester concluderen dat er een ernstige dreiging van geweld uitgaat richting het woonadres van verzoeker gelet op de dreigende berichten. De berichten zijn namelijk gericht aan familieleden van verzoeker en uit de berichten wordt duidelijk dat de dreigende partij kennis heeft wie de familieleden zijn en dat de oudste zoon van verzoeker nog steeds een geldbedrag verschuldigd is aan de dreigende partij. Daaruit blijkt dus dat het conflict nog steeds niet is geëindigd. De teksten hebben volgens de politie een agressieve toon. Met name uit de laatste bestuurlijke rapportage van 20 januari 2026 blijkt dat de dreiging actueel en concreet is richting het woonadres van verzoeker.
5.4.
Gelet op de voorgeschiedenis van het conflict, namelijk de incidenten die in dat kader in november en december 2025 hebben plaatsgevonden, samen met de nieuwe signalen van de dreigende berichten die concreet, ernstig en actueel zijn richting verzoekers woonadres, heeft de burgemeester de bevoegdheid om de woning van verzoeker te sluiten. Temeer nu er rondom dit conflict ook nog geen verdachten zijn aangehouden.
5.5.
Vervolgens zal de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geven over de vraag of de burgemeester ook van deze bevoegdheid gebruik mocht maken.
Mocht de burgemeester gebruik maken van de bevoegdheid?
6. Verzoeker vindt de sluiting kort gezegd niet noodzakelijk. Mede omdat het woonadres van verzoeker niet via de straat bereikbaar is. Om bij de woning te komen, moet iemand namelijk eerst door het portiek. Ook heeft de burgemeester volgens verzoeker niet voldoende onderzocht of alternatieve lichtere maatregelen mogelijk waren. Tijdens de zitting heeft verzoeker daarop aangevuld dat de burgemeester bijvoorbeeld ook de oudste zoon van verzoeker een gebiedsverbod rondom de woning kan opleggen. Ook heeft verzoeker tijdens de zitting aangegeven dat de noodzaak tot het sluiten van de woning na twee maanden na de incidenten uit november en december 2025 ontbreekt. Daarnaast heeft het besluit een onevenredig nadeel voor verzoeker en is er sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Dat is een schending van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verzoeker is ten slotte onvoldoende rekening gehouden met zijn medische klachten. Hij heeft last van reuma en van zijn rug en moet nu op de bank bij vrienden en kennissen slapen. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij bang is straks geen onderdak te hebben omdat hij telkens afhankelijk is van vrienden of kennissen waar hij een aantal dagen kan verblijven. Verzoeker stelt dus dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen.
6.1.
De burgemeester stelt dat het wel noodzakelijk is om de woning te sluiten vanwege de ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde. Daarnaast heeft de burgemeester het belang van verzoeker afgewogen tegen het algemene belang en de positieve verplichting uit artikel 2, eerste lid, van het EVRM om het leven van omwonenden en verzoeker zelf te beschermen. Ten slotte stelt de burgemeester dat er ook niet kon worden volstaan met een alternatief lichter middel zoals cameratoezicht of extra surveillance. Tijdens de zitting heeft de burgemeester nader toegelicht dat het wel degelijk noodzakelijk is om de woning te sluiten gelet op de actuele dreiging en aangezien er nog geen verdachten zijn opgepakt. Daarnaast is de woning duidelijk zichtbaar gesloten en is het gebruikelijk in dit soort zaken dat er ook bij het portiek wordt aangegeven dat de woning gesloten is. Ten slotte heeft de burgemeester tijdens de zitting aangegeven dat het aan verzoeker zelf is om een slaapplek te vinden.
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat voor de vraag of de burgemeester van de bevoegdheid tot het sluiten van de woning gebruik mocht maken, moet worden beoordeeld of de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was hiervan sprake.
6.3.
De maatregel is namelijk allereerst geschikt om het doel, het wegnemen van de ernstige vrees voor een verstoring van de openbare orde vanwege een ernstige dreiging met geweld, te bewerkstelligen. Doordat verzoeker namelijk niet in de woning verblijft, is het aannemelijk dat de woning niet opnieuw doelwit wordt van een incident. Daarbij is tijdens de zitting voldoende toegelicht dat de woning duidelijk zichtbaar is gesloten en dat het gebruikelijk is dat dit ook in het portiek kenbaar is. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen reden om daaraan te twijfelen.
6.4.
De burgemeester mocht het gelet op de ernstige vrees ook noodzakelijk achten om de woning te sluiten. De burgemeester heeft een positieve verplichting om verzoeker en de omwonenden van verzoeker te beschermen tegen mogelijke incidenten. De burgemeester mocht daarom besluiten dat de woningsluiting, gelet op de ernstige, concrete en actuele dreiging, noodzakelijk is. Ook heeft de burgemeester voldoende toegelicht dat er in dit geval geen alternatieve mogelijkheden waren vanwege die actuele, concrete en ernstige dreiging. Zo heeft de burgemeester uitgelegd dat permanente bewaking bij de woning vanwege beperkte capaciteit niet realistisch is, cameratoezicht daders vaak niet weerhoudt van het plegen van een aanslag en er al extra surveillance wordt ingezet, ook tijdens de woningsluiting. Ten slotte heeft de burgemeester ook voldoende toegelicht dat de dreigende berichten uit januari 2026 hebben genoodzaakt om de woning te sluiten. De incidenten die eind 2025 hebben plaatsgevonden hebben daarbij wel een rol gespeeld, maar de actuele, concrete en ernstige dreiging volgt uit de dreigende berichten.
6.5.
Voor de vraag of de maatregel evenwichtig is, zal de voorzieningenrechter kijken of de belangen van verzoeker in redelijkheid zijn meegewogen. De voorzieningenrechter stelt in dat kader vast dat niet in geschil is dat de belangen van verzoeker door de woningsluiting ernstig zijn geraakt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de belangen van verzoeker in redelijkheid meegewogen in zijn besluitvorming. Maar gelet op de ernst en ogenblikkelijke dreiging mocht de burgemeester het belang van handhaving van de openbare orde zwaarder laten wegen. Hierbij speelt mee dat verzoeker elders onderdak heeft gevonden en dat de maatregel zoals deze nu in geding is van beperkte duur is. Daarbij heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn medische situatie hoe dan ook moet terugkeren naar zijn woning omdat het voor hem onmogelijk zou zijn om elders te verblijven.
6.6.
Ook heeft verzoeker in deze procedure niet concreet aangevoerd of onderbouwd dat hij daadwerkelijk op straat komt te staan. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter wel dat de burgemeester een zorgplicht heeft. Die zorgplicht strekt niet zover dat de burgemeester verplicht is om alternatieve woonruimte voor verzoeker te regelen, maar de burgemeester zal verzoeker wel moeten helpen met het zoeken van alternatieve woonruimte zodra verzoeker daadwerkelijk op straat komt te staan en niet bij vrienden of kennissen kan verblijven.
6.7.
Tijdens de zitting heeft Portaal verder toegezegd dat de huurovereenkomst in ieder geval niet binnen de periode van de huidige woningsluiting wordt ontbonden. Zij willen wel met verzoeker in gesprek. Het belang van verzoeker dat zijn huurovereenkomst in de toekomst niet wordt ontbonden en hij dus in zijn woning kan blijven weegt wel zwaar. Daarom vindt de voorzieningenrechter het nog belangrijk om te benoemen dat tijdens de zitting door de burgemeester is aangegeven dat als er geen nieuwe ontwikkelingen zijn, zij geen aanleiding zien om de woningsluiting na 24 februari 2026 te verlengen. De voorzieningenrechter benadrukt dat er voor een verlenging van de woningsluiting nog steeds sprake moet zijn van een actuele en concrete dreiging aan het woonadres van verzoeker. Als daarvan na 24 februari 2026 niet is gebleken, ligt een verlenging van de woningsluiting niet voor de hand.
6.8.
Gelet op het voorgaande is het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de burgemeester van zijn bevoegdheid om de woning van verzoeker te sluiten, gebruik mocht maken.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar bij deze stand van zaken geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woning tot en met 24 februari 2026 gesloten blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:780.