ECLI:NL:RBMNE:2026:4254

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
16-017339-25; 16-277398-25 (t.t.z. gevoegd)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:106 BWArt. 26 WWMArt. 77w Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis medeplegen ontploffingen, bedreiging en wapenbezit met heropening onderzoek

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 14 juli 2026 een tussenvonnis gewezen in een strafzaak tegen een verdachte geboren in 2008, die wordt verdacht van zes strafbare feiten, waaronder medeplegen van ontploffingen, bedreiging, bezit van een vuurwerk-brandstofcombinatie en bezit van een vuurwapen.

De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van onder meer chatberichten, filmpjes, forensisch onderzoek en verklaringen. De verdachte speelde een aansturende rol bij de ontploffingen en heeft meerdere bedreigingen geuit. De rechtbank wijst de vorderingen tot schadevergoeding van diverse benadeelden toe, waarbij immateriële en materiële schade wordt erkend en de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd zonder gijzeling vanwege de jeugdige leeftijd van de verdachte.

Tijdens de beraadslaging bleek dat het onderzoek niet volledig was, met name omtrent de geestvermogens van de verdachte. De rechtbank beveelt daarom een observatie bij het Forensisch Centrum Teylingereind voor maximaal zeven weken om een nieuwe persoonlijkheidsrapportage op te stellen. De voorlopige hechtenis van de verdachte wordt voortgezet. De rechtbank wijst het verzoek tot vrijspraak af en houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: Verdachte wordt medepleger van zes strafbare feiten verklaard, schadevergoedingen worden toegewezen en het onderzoek wordt heropend voor observatie van geestvermogens.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16-017339-25; 16-277398-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Tussenvonnis van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2008] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] in [woonplaats] ,
gedetineerd in [verblijfplaats]
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 30 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. L.H.J. Verheijden;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. L.Noordanus (hierna: de advocaat);
  • de benadeelde partij dhr. [slachtoffer 1] , bijgestaan door slachtofferadvocaat mr. L. Korfker;
  • de benadeelde partijen mw. [slachtoffer 2] en mw. [slachtoffer 3] , bijgestaan door slachtofferadvocaat mr. R.M. Joppen;
  • een raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • een medewerker van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: SAVE);
  • de moeder van [verdachte] .

2.Tenlastelegging

De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16-017339-25 en 16-277398-25 ten laste gelegde feiten respectievelijk als de feiten 1 tot en met 5, en feit 6.
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 7 januari 2025 in [woonplaats] samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een pand gelegen aan de [adres 2] ;
feit 2
op 6 januari 2025 in Almere [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 7] heeft bedreigd;
feit 3
op 8 januari 2025 in [woonplaats] samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een pand gelegen aan de [adres 3] ;
feit 4
op 9 januari 2025 in [woonplaats] samen met anderen geprobeerd heeft om een ontploffing teweeg te brengen bij een pand gelegen aan de [adres 3] ;
feit 5
op 7 en/of 9 januari 2025 in Almere samen met anderen een wapen, te weten een vuurwerk-brandstofcombinatie, voorhanden heeft gehad;
feit 6
op 19 januari 2025 in Almere een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldigingen staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 tot en met 6 heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
4.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van de feiten 1, 3 en 6, en gedeeltelijk vrij te spreken van de feiten 2, 4 en 5. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken in paragraaf 4.3.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat feiten 1 tot en met 6 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
4.3.1
Incidenten rondom [adres 3] te [woonplaats]
Begin januari 2025 hebben zich op verschillende dagen meerdere incidenten voorgedaan in de omgeving van de [adres 3] te [woonplaats] . Op 6 januari 2025 ontving een bewoonster van deze woning via TikTok en Snapchat meerdere berichten, waaronder de bedreigende woorden: “jullie huis gaat morgen helemaal fikken”. Een dag later, op 7 januari 2025, vond daadwerkelijk een ontploffing plaats, bij de woning van de buren aan de [adres 2] . Gelet op de gebeurtenissen die daaraan voorafgingen en daarop volgden, concludeert de rechtbank dat niet deze woning, maar de woning aan de [adres 3] het beoogde doelwit was. Op 8 januari 2025 vond opnieuw een explosie plaats, ditmaal bij de woning aan de [adres 3] . Op 9 januari 2025 werd opnieuw geprobeerd bij hetzelfde adres een explosief tot ontploffing te brengen.
De rechtbank beschouwt deze gebeurtenissen niet als afzonderlijke incidenten, maar als onderdelen van één samenhangend feitencomplex. Uit het dossier volgt namelijk dat de aanleiding voor het conflict vermoedelijk verband hield met goederen die [slachtoffer 5] , bewoner van de [adres 3] , zou hebben weggenomen. De bedreigingen en de daaropvolgende ontploffingen houden daarom allemaal verband met elkaar, en waren gericht tegen de bewoners van nummer [adres 3] : de familie [familie] en [familie] .
De hiervoor genoemde incidenten kunnen naar het oordeel van de rechtbank allemaal worden herleid tot [verdachte] . Alhoewel uit het dossier niet de precieze rolverdeling per feit valt te herleiden, staat de samenhang van de feiten vast. [verdachte] heeft hierin een onmiskenbare, duidelijke en vooral onmisbare rol gehad. Dit volgt uit de aangetroffen chatgesprekken, filmpjes, foto’s, het sporenonderzoek en de verklaringen van [verdachte] zelf en van anderen. In dit geheel aan feiten is [verdachte] niet de uitvoerder, maar degene die alles regelt en aanstuurt. Op grond van alle bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank daarom bewezen dat [verdachte] als medepleger betrokken is geweest bij alle ontploffingen.
Hieronder zal de rechtbank nader ingaan op de afzonderlijke feiten en op de rol die [verdachte] daarin heeft vervuld.
4.3.2
Bewijsoverwegingen feit 2 – bedreiging op 6 januari 2025
InleidingOp 6 januari 2025 ontving [slachtoffer 4] , bewoonster van de [adres 3] , via TikTok berichten, afkomstig van de accounts [TikTok account 1] en [TikTok account 2] . In deze berichten stond onder meer: “jij gaat die klappen eten die je broer hoort te krijgen” en “jullie huis gaat morgen helemaal fikken in tdv midden.” [verdachte] heeft ter terechtzitting bekend dat hij deze berichten heeft verstuurd.
Opzet op bedreiging van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7]De verdediging erkent dat de bedreiging ziet op [slachtoffer 4] – aan wie de berichten zijn verstuurd – en dat de bedreiging, gelet op de achtergrond daarvan, mede gericht was op de broer van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] . Volgens de verdediging kan echter niet wettig en overtuigend worden bewezen dat [verdachte] opzet had om met de dreigementen (ook) [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] te bereiken. Uit het enkele gebruik van het woord “jullie” kan volgens de verdediging niet zonder meer worden afgeleid dat de bedreiging gericht was tegen ieder afzonderlijk gezinslid.
Dit verweer gaat niet op. De bedreiging, meer specifiek het gedeelte ‘jullie huis gaat morgen fikken’, was gericht aan alle bewoners van het huis. De berichten hebben de medebewoners ook daadwerkelijk bereikt, waardoor zij zich zeer bedreigd hebben gevoeld. Ook is de bedreiging van dien aard, en onder zulke omstandigheden gedaan, dat zij in het algemeen een redelijke vrees kan opwekken.
Bedreiging ‘met enig misdrijf tegen het leven gericht’ en ‘zware mishandeling’
De verdediging heeft verder aangevoerd dat de bedreiging niet kan worden gekwalificeerd als bedreiging met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven gericht.
De uitlatingen “jullie huis gaat morgen fikken” en “morgen gaat je osso fikken” brengen volgens de verdediging niet zonder meer mee dat bij de geadresseerden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven konden verliezen, of zwaar lichamelijk letsel konden oplopen.
De rechtbank gaat niet mee in dit verweer. De bedreiging is van dien aard, en gedaan onder zodanige omstandigheden, dat bij de bedreigden een redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Bij brand in een woning, waarbij de bewoners thuis zijn, is het risico reëel dat deze zwaar lichamelijk letsel oplopen of het leven verliezen.
ConclusieDe rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals in paragraaf 4.4 bewezen is verklaard.
4.3.3
Bewijsoverwegingen feit 1 – ontploffing bij woning [adres 2] op 7 januari 2025
Inleiding
[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij op 7 januari 2025 rond 20:30 uur in [woonplaats] samen met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een pand gelegen aan de [adres 2] , waarbij sprake was van levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of gemeen gevaar voor goederen.
De ontploffing vond plaats bij de woning van de familie van mevrouw [slachtoffer 3] . Uit de overige bevindingen in het dossier blijkt echter dat de woning aan de [adres 3] het werkelijke doelwit was.
Mevrouw [slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan en verklaard dat zij ten tijde van het incident thuis was, samen met twee van haar kinderen en een vriendin van één van hen. Zij zag dat er buiten brand was ontstaan. Op het moment dat zij naar buiten wilde gaan en de deurhendel vastpakte, hoorde zij een harde knal, waarna het glas van de voordeur sprong. Vervolgens kreeg zij last van haar hoofd en werd zij duizelig.
Op camerabeelden is te zien dat enkele seconden nadat de explosie hoorbaar was, een fiets of fatbike uit de steeg naast de woning kwam en met hoge snelheid wegreed. In de voortuin zijn later restanten van een explosief veiliggesteld, waaronder snippers van een Cobra, delen van een fles, delen van een brandstofetiket, stukken tape en een gelachtige vloeistof. Uit forensisch onderzoek volgt dat sprake is geweest van een vuurwerk-brandstofcombinatie (verder: VBC).
Medeplegen
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn rol slechts bestond uit het leveren van een Cobra 6 die op 7 januari 2025 is gebruikt, en dat dit op verzoek van een ander is gebeurd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat [verdachte] slechts een faciliterende rol heeft gehad, zodat hooguit sprake is van medeplichtigheid, maar niet van een nauwe en bewuste samenwerking zoals vereist voor medeplegen.
De rechtbank overweegt dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Om te beoordelen of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, zijn verschillende factoren van belang. Daarbij kan worden gedacht aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de wijze van uitvoering van het delict en de aanwezigheid van de verdachte op relevante momenten. Daarnaast moet sprake zijn van een wezenlijke bijdrage aan het delict.
De rechtbank oordeelt, anders dan de verdediging, dat sprake is van medeplegen. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat de rol van [verdachte] groter was dan enkel het leveren van het explosief dat is gebruikt. Dit volgt onder meer uit bevindingen die zijn voortgekomen uit het onderzoek aan de telefoon van [verdachte] . Zo zijn er schermafbeeldingen aangetroffen van een Snapchatgesprek, om 10:43 uur op de dag van de explosie, gevoerd tussen hem en een onbekend gebleven persoon, waarin [verdachte] onder meer zegt: “k heb genoeg, fix dat ze vnv gaan”. Ook meldt hij: “ik heb c6” (wat naar [verdachte] ’s eigen zeggen Cobra 6 betekent), en “ik wil 3 benzine er om heen, en 3 c6”. Deze berichten duiden er naar het oordeel van de rechtbank zonder meer op dat [verdachte] niet slechts een Cobra 6 heeft geleverd, maar juist een aansturende rol had en erop aanstuurde dat ‘vanavond’ (vnv) de aanslag zou worden gepleegd. Dat [verdachte] deze berichten in opdracht van iemand anders zou hebben verstuurd, zoals door de verdediging is aangevoerd, is niet aannemelijk geworden.
De betrokkenheid van [verdachte] volgt daarnaast ook uit het feit dat hij slechts zes minuten na de ontploffing een filmpje op zijn telefoon heeft opgeslagen waarop een persoon op een fatbike te zien is die een explosief vasthoudt, bestaande uit twee flessen met daaraan twee Cobra’s geplakt. Enkele uren voorafgaand aan de explosie heeft [verdachte] bovendien via Snapchat een foto van een explosief ontvangen, waarvan de politie concludeert dat dit naar alle waarschijnlijkheid hetzelfde explosief is als op voornoemd filmpje.
Ook wordt het standpunt dat [verdachte] slechts een faciliterende rol had bij de ontploffing op 7 januari 2025 verder ontkracht door het feit dat hij een dag eerder de hiervoor besproken bedreiging heeft geuit aan de bewoonster van de [adres 3] . Dat een dag later daadwerkelijk in de nabijheid van de woning een ontploffing heeft plaatsgevonden, is – gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden – geen toeval, maar een bevestiging van het feit dat [verdachte] afwist van en nauw betrokken was bij de ontploffing op 7 januari 2025, en medepleger is geweest.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, anders dan door de verdediging is betoogd, het enkele feit dat de telefoon van [verdachte] ten tijde van de ontploffing thuis was en dat hij niet deelnam aan een specifieke groepschat waarin over de uitvoering werd gesproken, niet afdoet aan het oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bewoonster en personen in nabijheidDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van levensgevaar voor mevrouw [slachtoffer 3] , of voor andere personen in de nabijheid van de explosie.
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer [slachtoffer 3] zich ten tijde van de explosie in de hal bevond, in de nabijheid van de voordeur. Dat de explosie met aanzienlijke kracht gepaard ging, volgt onder meer uit het feit dat het glas naast de voordeur is gesprongen en dat op verschillende plaatsen – ook in de woning – glasscherven zijn aangetroffen. Daar komt bij dat uit forensisch onderzoek blijkt dat de ontvlambare gel die in het explosief is gebruikt, onbedoeld niet volledig (maar voor minder dan de helft) is ontbrand. Als dit wel was gebeurd, zou tijdens de explosie volgens het onderzoek een grote vuurbal zijn ontstaan die zich eveneens door de ruit naast de voordeur tot in de hal had kunnen verspreiden. De brandende gel had zich vervolgens kunnen hechten aan de omgeving, waaronder de muren en zeer waarschijnlijk ook aan de in de hal aanwezige bewoner.
Alles overziend was het risico dat mevrouw [slachtoffer 3] door de explosie bij de voordeur levensgevaarlijk gewond zou raken reëel en bovendien voorzienbaar. Deze conclusie wordt ondersteund door de bevindingen uit het forensisch onderzoek. Anders dan de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat bij de ontploffing levensgevaar te duchten was voor mevrouw [slachtoffer 3] . Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier dat voor de andere aanwezigen in het huis minst genomen gevaar te duchten was voor zwaar lichamelijk letsel als gevolg van de ontploffing.
Gemeen gevaar voor goederen van omwonenden
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen bij de woning aan de [adres 2] . Wel heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat dit gevaar zich eveneens uitstrekte tot de in de nabijheid gelegen panden en voertuigen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en acht ook dit onderdeel van de beschuldiging bewezen. Daartoe overweegt de rechtbank dat het hier een rijtjeswoning betreft, waarbij de omliggende woningen en geparkeerde voertuigen zich dicht op elkaar bevinden. De explosie vond bovendien plaats in de voortuin van de woning. Onder deze omstandigheden was het gevaar voor omliggende panden en voertuigen naar het oordeel van de rechtbank reëel en voorzienbaar.
Conclusie
De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals in paragraaf 4.4 bewezen is verklaard.
4.3.4
Bewijsoverwegingen feit 3 – ontploffing bij woning [adres 3] op 8 januari 2025
Inleiding
Op 8 januari 2025 rond 18:00 uur vond er wederom een ontploffing plaats, dit keer bij de woning van de familie Rijskamp-Kampman. De bewoners waren op dat moment niet thuis. Uit onderzoek ter plaatse volgt dat de voorruit van de woning en het raam naast de voordeur vernield was. Onder het raam waren zwarte roetsporen zichtbaar. In de tuin werden delen aangetroffen van een Cobra 6. [verdachte] wordt ervan beschuldigd dat hij medepleger is van het teweegbrengen van deze ontploffing.
MedeplegenDe verdediging heeft aangevoerd dat de betrokkenheid van [verdachte] bij de ontploffing op 8 januari 2025 niet kan worden bewezen. Zo volgt volgens de verdediging uit verklaringen van twee van de uitvoerders van de ontploffing op 8 januari 2025, [uitvoerder 1] en [uitvoerder 2] , dat zij in een Snapchat-gesprek zaten met twee andere personen met andere gebruikersnamen dan die van [verdachte] , waarin werd gesproken over de uitvoering van de ontploffing op 8 januari. De signalementen die [uitvoerder 1] en [uitvoerder 2] van deze twee personen noemen, komen ook niet overeen met [verdachte] . Ook volgt uit historische verkeersgegevens dat [verdachte] ten tijde van de ontploffing thuis was en is er geen DNA-match met hem aangetroffen op de plaats delict. De verdediging heeft verzocht [verdachte] vrij te spreken van feit 3.
De rechtbank ziet dit anders. Zoals eerder overwogen beschouwt de rechtbank de incidenten op de verschillende dagen niet als afzonderlijke gebeurtenissen, maar als één samenhangend feitencomplex. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] meedenkt, aanstuurt en beslist over de ontploffingen op 7, 8 en 9 januari 2025, en dat sprake is van medeplegen.
De betrokkenheid van [verdachte] op 6 en 7 januari 2025 is hiervoor uiteengezet. Ten aanzien van 8 januari 2025 is een filmpje aangetroffen waarop [verdachte] zichzelf heeft herkend. Op dit filmpje is zichtbaar dat [verdachte] op 8 januari 2025 om 15:25 uur via FaceTime contact heeft met een onbekende persoon, die over de stoep loopt en de woningen aan de [adres 2] en 28 filmt. Dit FaceTime-gesprek vond plaats ongeveer 2,5 uur vóór de explosie. Ter terechtzitting heeft [verdachte] hierover verklaard dat hij “gewoon benieuwd was”, gelet op de berichten over de ontploffing in het nieuws. De rechtbank acht die verklaring, gelet op de overige bewijsmiddelen, niet aannemelijk. De rechtbank leidt uit het FaceTime-gesprek af dat [verdachte] meekijkt en aanwijzingen geeft, althans betrokken is bij het bepalen van het doelwit voor de explosie die circa 2,5 uur na deze video heeft plaatsgevonden, nadat de ontploffing een dag daarvoor bij het verkeerde huis had plaatsgevonden. Bovendien staan in de telefoon van [verdachte] 3 video’s van slechts enkele minuten na de ontploffing waarin gesproken wordt over die ontploffing en de aanwezige brandweer.
Het voorgaande, in samenhang bezien met de bedreiging op 6 januari 2025, de betrokkenheid van [verdachte] bij de explosie op 7 januari 2025 en de hierna te bespreken betrokkenheid op 9 januari 2025, leidt tot de conclusie dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat [verdachte] ook onderdeel was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het teweegbrengen van de ontploffing op 8 januari 2025. De samenhang van deze feiten is zodanig evident dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] ook op 8 januari 2025 medepleger is geweest.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, doen enkele omstandigheden – zoals het feit dat de telefoon van [verdachte] ten tijde van de ontploffing bij hem thuis was en het feit dat hij niet deelnam aan de groepschat waarin door de uitvoerders met twee andere personen werd gesproken over de ontploffing – wederom niet af aan de conclusie dat hij op andere wijze heeft bijgedragen aan een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het feit.
Gemeen gevaar voor goederen van omwonenden
Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen er bij de ontploffing op 8 januari 2025 een gevaar voor goederen was, voor zover het gaat om de in de nabijheid gelegen panden en voertuigen. De rechtbank acht dit onderdeel van de beschuldiging bewezen. Daartoe overweegt de rechtbank, net als bij de ontploffing op 7 januari, dat het hier een rijtjeswoning betreft, waarbij de omliggende woningen en geparkeerde voertuigen zich dicht op elkaar bevinden. De explosie vond bovendien plaats in de voortuin van de woning. Onder deze omstandigheden was het gevaar voor omliggende panden en voertuigen naar het oordeel van de rechtbank ook in dit geval reëel en voorzienbaar.
Conclusie
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals in paragraaf 4.4 bewezen is verklaard.
4.3.5
Bewijsoverweging feit 4 – poging tot ontploffing bij woning [adres 3] op 9 januari 2025
Inleiding
Op 9 januari 2025 is opnieuw geprobeerd een ontploffing teweeg te brengen bij de woning aan de [adres 3] . Het gebruikte explosief is echter niet afgegaan en is in de voortuin van de woning aangetroffen. De gebruikte constructie betreft een VBC, bestaande uit twee flessen terpentine waaraan een ‘Super Cobra 6’ was bevestigd. Op het bij de woning aangetroffen, niet-ontplofte explosief zijn na DNA-onderzoek en dactyloscopisch onderzoek vingerafdrukken en een DNA-match vastgesteld die beide naar [verdachte] leiden. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bekend dat hij als uitvoerder van de explosie heeft gefungeerd en dat hij daartoe instructies van [verdachte] heeft ontvangen, die hem hiervoor tevens een geldbedrag ter hoogte van € 700,- zou hebben beloofd, en het explosief aan hem zou hebben overhandigd. Dit vindt bevestiging in de aangetroffen telefoongesprekken.
[verdachte] heeft zijn betrokkenheid bij dit feit bekend, bestaande uit onder meer het plannen ervan en het leveren van de VBC.
Gemeen gevaar voor goederen van omwonenden
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij feit 4 wederom geen sprake was van gemeen gevaar voor goederen van in de nabijheid gelegen panden en/of voertuigen, en dat een deugdelijke onderbouwing daarvan in het dossier ontbreekt.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zoals hiervoor overwogen, heeft het feit plaatsgevonden bij een rijtjeswoning, waarbij de omliggende woningen en geparkeerde auto’s zich op korte afstand bevinden. Volgens een rapportage van het NFI van 21 februari 2025 zou, als de VBC tot ontploffing was gekomen, een vuurbal van meerdere meters zijn ontstaan. Het behoeft geen nadere toelichting dat in een dergelijke situatie voorzienbaar is dat sprake is van gevaar voor omliggende woningen en voertuigen.
Conclusie
De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals in paragraaf 4.4 bewezen is verklaard.
4.3.6
Bewijsoverweging feit 5 – bezit VBC op 7 en 9 januari 2025
Inleiding
Onder feit 5 wordt [verdachte] verweten dat hij op 7 en/of 9 januari 2025 in Almere samen met anderen een wapen, te weten een VBC, voorhanden heeft gehad; een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM).
Partiële vrijspraak voorhanden hebben VBC op 7 januari 2025De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een VBC op 7 januari 2025. Uit de bewijsmiddelen volgt weliswaar dat [verdachte] op 7 januari 2025 een Cobra 6 voorhanden heeft gehad, maar dat is slechts een onderdeel van de VBC. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] op 9 januari 2025 een VBC, een wapen van categorie II onder 7 van de WWM, voorhanden heeft gehad. Dit feit is door [verdachte] bekend en door de verdediging niet betwist.
Conclusie
De rechtbank acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals in paragraaf 4.4 bewezen is verklaard.
4.3.7
Bewijsoverweging feit 6 – bezit vuurwapen 19 januari 2025
Inleiding
[verdachte] wordt er onder feit 6 van verdacht dat hij op 19 januari 2025 in Almere een vuurwapen, namelijk een wapen van categorie III onder 1 van de WWM, voorhanden heeft gehad.
Voorhanden hebben
De verdediging stelt zich op het standpunt dat [verdachte] van feit 6 dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij het wapen voorhanden heeft gehad. Volgens de verdediging brengt de enkele omstandigheid dat [verdachte] het wapen kortstondig heeft vastgehouden om daarvan een filmpje te maken, niet mee dat hij erover heeft kunnen beschikken, wat wel vereist om te spreken van ‘voorhanden hebben’ in de zin van de WWM.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, WWM allereerst is vereist dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen of de munitie. Daarnaast is voor een bewezenverklaring noodzakelijk dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen, in die zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
In bijzondere gevallen is de enkele mogelijkheid om feitelijke macht uit te oefenen over een wapen of munitie onvoldoende om te kunnen spreken van voorhanden hebben in de zin van artikel 26, eerste lid, WWM. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt, of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid van een wapen of munitie van een ander in zijn directe nabijheid, terwijl hij daarvan redelijkerwijs niet onmiddellijk afstand kan nemen. [1]
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] het wapen op 19 januari 2025 bewust aanwezig heeft gehad en daarover tevens beschikkingsmacht had. Dat [verdachte] het wapen mogelijk slechts gedurende korte tijd heeft vastgehouden, maakt niet dat sprake is geweest van een situatie waarin hij redelijkerwijs geen afstand van het wapen kon nemen of waarin hij het wapen onverhoeds of ongewild in handen heeft gekregen. Integendeel, [verdachte] heeft van het moment waarop hij het wapen vasthield een filmpje gemaakt. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] op dat moment feitelijke beschikkingsmacht over het wapen heeft kunnen uitoefenen en het daarom voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 26, eerste lid, WWM.
Conclusie
De rechtbank acht feit 6 wettig en overtuigend bewezen, te weten dat hij op 19 januari 2025 een wapen van categorie III, onder 1 van de WWM voorhanden heeft gehad, te weten een omgebouwd gaspistool naar een scherp schietend vuurwapen.
4.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1
op 7 januari 2025 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door bij het pand gelegen aan de [adres 2] (zwaar) vuurwerk en een of meer fles(sen) ontvlambare vloeistof, zijnde een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, tot ontsteking en ontbranding te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde pand en de in dat pand aanwezige goederen en de nabijgelegen panden en auto's en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer 3] , en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden,
te duchten was;
feit 2
op 6 januari 2025 te Almere, [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en brandstichting, door
-via Tiktok met het account ‘@ [TikTok account 1] ’ en displaynaam ' [TikTok account 1] ’ berichten te sturen naar die [slachtoffer 4] met daarin: 'je gaat die klappen eten die je broer hoort te krijgen' en 'jullie huis gaat morgen helemaal fikken in tdv midden', en
-via Snapchat met het Snapchataccount ' [TikTok account 2] ' en displaynaam ' [Snapchat displaynaam] ' een bericht te sturen naar die [slachtoffer 4] met daarin: 'morgen gaat je osso fikken’;
feit 3
op 8 januari 2025 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door bij het pand gelegen aan de [adres 3] (zwaar) vuurwerk, tot ontsteking en ontbranding te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde pand en de in dat pand aanwezige goederen en de nabij gelegen panden en auto's, te duchten was;
feit 4
op 9 januari 2025 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het pand aan de [adres 3] en de in dat pand aanwezige goederen en in de nabijheid gelegen panden en auto's te duchten was,
een super cobra 6, met daaraan gebonden twee flessen terpentine, zijnde een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, met open vuur in aanraking heeft gebracht en aangestoken en vervolgens nabij de voordeur van de woning aan de [adres 3] heeft geplaatst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 5
op 9 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten
een vuurwerk-brandstof combinatie (VBC), zijnde een voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,
voorhanden heeft gehad;
feit 6
op 19 januari 2025 te Almere, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- (een) omgebouwd gaspistool naar een scherp schietend vuurwapen, van het merk Zoraki, type en/of model 918, kaliber 9mm p.a.k. / 7.65mm,
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool,
voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1:medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
feit 2:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en brandstichting;
feit 3:medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 4:poging tot medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 5:medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;
feit 6:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
5.2
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
De persoonlijke omstandigheden en overwegingen over een op te leggen straf of maatregel worden besproken onder 7.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.Vorderingen van [slachtoffer 8] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 9] (feit 1)
6.1.1
Vorderingen benadeelde partij
[slachtoffer 8] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 9] hebben zich elk afzonderlijk als benadeelde partij gesteld en hebben mr. R.M. Joppen gemachtigd om hen in dit kader te vertegenwoordigen. De vorderingen zullen, gezien hun onderlinge samenhang en overeenkomsten, tezamen worden besproken.
Namens iedere benadeelde partij is gevorderd [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit betreft een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Verder is namens elke benadeelde verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.1.2
Standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voldoende zijn onderbouwd. De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen geheel toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het aantal dagen gijzeling op nul wordt gesteld. De officier van justitie heeft daarnaast verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen, voor zover sprake is van aanwijsbare medeverdachten.
6.1.3
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de advocaat verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, vanwege de verzochte vrijspraak.
Subsidiair heeft de advocaat aangevoerd dat de vorderingen dusdanig laat zijn ingediend, dat zij deze niet goed heeft kunnen bespreken met haar cliënt. Dit maakt dat volgens haar sprake is van een schending van recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Dit zou eveneens moeten leiden tot de conclusie dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijkheid zijn in hun vorderingen.
Meer subsidiair heeft de advocaat verzocht de immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 1.000,-. De advocaat heeft hierbij verwezen naar de Rotterdamse Schaal, categorie ‘ontploffing – ernstig’, waarvoor een bandbreedte geldt van € 1.000,- tot
€ 5.000,-. Omdat de benadeelde partijen hun psychische klachten niet met objectieve stukken hebben onderbouwd, en er volgens de advocaat sprake is van relatief summier omschreven klachten, wordt verzocht om aan te sluiten bij de ondergrens van deze categorie van de Rotterdamse Schaal.
6.1.4
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6 EVRM Pro
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen tijdig zijn ingediend, namelijk zes dagen vóór de inhoudelijke behandeling. Van een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is dan ook geen sprake. De vorderingen zijn van eenvoudige aard, nu deze slechts uit één schadepost bestaan. Daarnaast is er voldoende gelegenheid geweest om de vorderingen met [verdachte] te bespreken.
Daarbij geldt dat het tot de taak van een advocaat behoort om namens zijn of haar cliënt verweer te voeren tegen een vordering tot schadevergoeding, waarbij niet noodzakelijkerwijs ieder detail van de vordering met de cliënt behoeft te worden besproken en voorbereid.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef Pro en sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van elk van de benadeelde partijen in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in dit geval een dergelijke uitzonderlijke situatie voor, zodat de benadeelde partijen recht hebben op vergoeding van immateriële schade. Wanneer een explosief tot ontploffing wordt gebracht bij een woning terwijl de bewoners daarbinnen aanwezig zijn, liggen de nadelige gevolgen voor de benadeelden voor de hand. Dit geldt temeer nu de moeder van twee van de benadeelde partijen daarbij zowel lichamelijk als geestelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op deze omstandigheden kan zonder nadere onderbouwing reeds worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Daarbij komt dat ieder van de benadeelde partijen in de vordering heeft toegelicht welke ernstige nadelige gevolgen zij van het feit hebben ondervonden. Eén van de benadeelde partijen heeft deze gevolgen daarnaast ter terechtzitting mondeling nader toegelicht.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. De rechtbank neemt de in die schaal onder b genoemde bandbreedte van € 1.000,- tot € 5.000,- tot uitgangspunt (categorie ernstig).
Gelet op het voorgaande, en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding, een bedrag van €2.000,-, billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 8] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 9] daarom geheel toe.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 7 januari 2025 tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijkheid
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Volgens de regels van het civiele recht kan in deze situatie geen gelijke (pondspondsgewijze) verdeling van de schade worden toegewezen. Dit zal de rechtbank dus ook niet doen: [verdachte] en zijn mededaders zijn voor het gehele bedrag aansprakelijk, en zij dienen onderling regres te nemen. Voor zover één van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal [verdachte] veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] ten behoeve van elke benadeelde een bedrag van € 2.000,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] vindt de rechtbank het niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
6.2.
Vordering van [slachtoffer 3] (feit 1)
6.2.1.
Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gesteld en heeft mr. R.M. Joppen gemachtigd om haar in dit kader te vertegenwoordigen. Namens de benadeelde partij is gevorderd [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal
€ 9.407,44, vermeerderd met de wettelijke rente. Gevorderd is een bedrag van € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade, en € 1.907,44 voor materiële schade.
Het materiële deel van de vordering bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico (€ 385,-);
- kosten voor een sportschoolabonnement (€ 239,94) en;
- gederfde inkomsten (€ 1.282,50).
Verder is namens de benadeelde verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het aantal dagen gijzeling op nul wordt gesteld. De officier van justitie heeft daarnaast verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen, voor zover sprake is van aanwijsbare medeverdachten.
6.2.3
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de advocaat verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, vanwege de verzochte vrijspraak.
Subsidiair heeft de advocaat aangevoerd dat de vordering dusdanig laat zijn ingediend, dat zij deze niet goed heeft kunnen bespreken met haar cliënt. Dit maakt dat volgens haar sprake is van een schending van recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van Pro het EVRM. Dit moet volgens de advocaat leiden tot de conclusie dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid is in de vordering.
Meer subsidiair heeft de advocaat het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het eigen risico en het immateriële deel van de vordering tot schadevergoeding heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot de kosten van het sportschoolabonnement heeft de advocaat aangevoerd dat voor de schadeperiode moet worden uitgegaan van 4,5 maand in plaats van 6 maanden. Volgens de advocaat is bij het abonnement sprake van een bonusmaand, waarmee in de vordering ten onrechte geen rekening is gehouden. De advocaat heeft de rechtbank daarom verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot een bedrag gelijk aan 4,5 maanden contributie van € 39,99 per maand, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 179,96.
Ten aanzien van de post gederfd inkomen heeft de advocaat verzocht de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van een nul-urencontract, waardoor de omvang van de gestelde inkomensschade nadere onderbouwing behoeft. Volgens de advocaat zou een beoordeling van deze schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat de benadeelde partij ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
6.2.4
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6 EVRM Pro
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij tijdig is ingediend, namelijk zes dagen vóór de inhoudelijke behandeling. Van een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is dan ook geen sprake. De vordering is overzichtelijk opgesteld, en er is voldoende gelegenheid geweest om de vordering met [verdachte] te bespreken. Daarbij geldt dat het tot de taak van een advocaat behoort om namens zijn of haar cliënt verweer te voeren tegen een vordering tot schadevergoeding, waarbij niet noodzakelijkerwijs ieder detail van de vordering met de cliënt behoeft te worden besproken en voorbereid.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef Pro en sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op de eerste en laatste grondslag zijn gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit zowel fysiek als geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit concrete stukken volgt dat zij na de ontploffing last had van hoofdpijn, duizeligheid en evenwichtsproblemen. Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken dat bij haar PTSS is vastgesteld en dat zij als gevolg van de ontploffing onder behandeling staat bij een psycholoog.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank wederom aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie “bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing”, hoofdstuk 19.3 van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal onder a genoemde bandbreedte van € 5.000,- tot € 8.000,- tot uitgangspunt (categorie meest ernstig). Immers was zij thuis ten tijde van de ontploffing, en heeft zij fysiek en geestelijk letsel opgelopen. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook, zoals de advocaat van de benadeelde partij heeft gedaan, aansluiting kan worden gezocht bij de categorie PTSS (14.2) van de Rotterdamse schaal. De rechtbank vindt echter categorie 19.3 gezien de omstandigheden passender.
Gelet op het voorgaande en op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding, een bedrag van € 7.500,-, billijk is. De rechtbank wijst het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op het eigen risico (€ 385,-) is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat ziet op het sportschoolabonnement (€ 239,94), overweegt de rechtbank dat sprake is van een jaarabonnement, waarbij slechts het gedeelte van het abonnement is gevorderd waarin het abonnement niet opzegbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dit gedeelte van de vordering voldoende onderbouwd. De bonusmaand hoeft niet ten gunste van [verdachte] te komen en was al verbruikt vóór het tenlastegelegde. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst ook dit deel van de vordering daarom toe.
Tot slot acht de rechtbank het gedeelte van de vordering dat ziet op het gederfde inkomen (€ 1.282,50) voldoende onderbouwd. De rechtbank acht de berekening die aan de vordering ten grondslag ligt alleszins redelijk. Ook is een verklaring van de werkgever overgelegd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst ook dit deel van de materiële vordering daarom toe.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, tot een totaalbedrag van € 1.907,44.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 7 januari 2025 tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijkheid
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Volgens de regels van het civiele recht kan in deze situatie geen gelijke (pondspondsgewijze) verdeling van de schade worden toegewezen. Dit zal de rechtbank dus ook niet doen: [verdachte] en zijn mededaders zijn voor het gehele bedrag aansprakelijk, en zij dienen onderling regres te nemen. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal [verdachte] veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] namens de benadeelde een bedrag van € 9.407,44 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] vindt de rechtbank het niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
Omdat [verdachte] een deel van de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
6.3
Vorderingen van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] (feiten 1, 2, 3 en 4)
6.3.1.
Vorderingen benadeelde partij
[slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] hebben zich elk afzonderlijk als benadeelde partij gesteld en hebben mr. L. Korfker gemachtigd om hen in dit kader te vertegenwoordigen. De vorderingen zullen, gezien hun onderlinge samenhang en overeenkomsten, tezamen worden besproken.
Namens iedere benadeelde partij is gevorderd [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 8.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit betreft een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Verder is namens elke benadeelde verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.3.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voldoende zijn onderbouwd. De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen geheel toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het aantal dagen gijzeling op nul wordt gesteld. De officier van justitie heeft daarnaast verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen, voor zover sprake is van aanwijsbare medeverdachten.
6.3.3
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de advocaat verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, voor zover deze zien op de feiten 2 en 3, gelet op de verzochte vrijspraak.
Subsidiair heeft de advocaat verzocht om de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Voor zover wordt gesteld dat sprake is van psychisch letsel, ontbreekt volgens de advocaat iedere objectieve onderbouwing. Zonder nadere medische of anderszins objectieve stukken is de gestelde immateriële schade niet controleerbaar, aldus de advocaat.
Meer subsidiair heeft de advocaat aangevoerd dat het bedrag van € 1.500,- ten aanzien van de bedreiging onvoldoende is onderbouwd, omdat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt op welke wijze dit bedrag tot stand is gekomen. Verder wordt een bedrag van € 5.000,- genoemd voor de ontploffing op 8 januari 2025, maar ontbreekt volgens de advocaat een bedrag voor de poging op 9 januari 2025. Het overgebleven bedrag, € 2.000,-, is niet nader onderbouwd. Ten aanzien de gevorderde € 5.000,- wordt in de vordering aangesloten bij de Rotterdamse Schaal, categorie 19.3 a dan wel categorie 19.3 b, maar volgens de advocaat kan enkel op deze categorieën aanspraak worden gemaakt, als de benadeelde in de woning aanwezig was tijdens de ontploffing. Ook dit deel van de vorderingen moet volgens de advocaat worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van eventuele hoofdelijke toewijzing heeft de advocaat aangevoerd dat [verdachte] hooguit aansprakelijk kan worden gehouden voor zijn eigen aandeel in de feiten waarvoor hij daadwerkelijk wordt veroordeeld. Nu zijn betrokkenheid per feit verschilt en hij van
diverse feiten dient te worden vrijgesproken, bestaat er volgens de advocaat geen grond om hem, ook niet via de schadevergoedingsmaatregel, hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de volledige gevorderde bedragen.
6.3.4
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schadevergoeding
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef Pro en sub b BW mogelijk als een benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vorderingen van de benadeelde partijen in dit geval op deze laatste grondslag zijn gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. Voldoende duidelijk is geworden welke impact de bedreiging op 6 januari 2025 en de daaropvolgende ontploffingen of pogingen daartoe op 7, 8 en 9 januari 2025 voor de benadeelden hebben gehad. Zo blijkt uit de vordering en spreekrechtverklaring van mevrouw [slachtoffer 7] , dat de familie heeft moeten onderduiken. Ook zijn de benadeelden na de incidenten angstig geworden. Voor iedere afzonderlijke benadeelde wordt gespecificeerd welke impact de incidenten op hem of haar hebben gehad. De benadeelde partijen hebben dan ook voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt.
Het verweer van de advocaat dat geen concrete medische gegevens over psychisch letsel of andere objectieve stukken zijn overgelegd, gaat niet op. Weliswaar ontbreken dergelijke concrete gegevens waaruit psychisch letsel blijkt, maar in dit geval brengen de aard en de ernst van de normschending, alsmede de concrete gevolgen daarvan voor de benadeelden, mee dat sprake is van een aantasting in de persoon. Het ontbreken van objectieve gegevens waaruit psychisch letsel blijkt, staat daarom niet aan de toekenning van immateriële schadevergoeding in de weg.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. In de onderhavige zaak valt de schade van de benadeelden naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie “bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing”, hoofdstuk 19.3 van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal onder b genoemde bandbreedte van € 1.000,- tot € 5.000,- tot uitgangspunt (categorie ernstig). Hierbij moet wel in aanmerking genomen worden dat deze bandbreedte ziet op een enkele ontploffing, en niet op een groter feitencomplex zoals waarvan in dit geval sprake is.
Gelet op het voorgaande, en bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding, een bedrag van € 8.500,-billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] daarom geheel toe.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 6 januari 2025 tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijkheid
Omdat [verdachte] een gedeelte van de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Volgens de regels van het civiele recht kan in deze situatie geen gelijke (pondspondsgewijze) verdeling van de schade worden toegewezen. Dit zal de rechtbank dus ook niet doen: [verdachte] en zijn mededaders zijn voor het gehele bedrag aansprakelijk, en zij dienen onderling regres te nemen. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan (een van) de benadeelde partijen heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan die benadeelde partij(en) te betalen.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal [verdachte] veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] namens elke benadeelde een bedrag van € 8.500,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] vindt de rechtbank het niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
Omdat [verdachte] een deel van de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan (een van) de benadeelde partij(en) of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan die benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

7.Heropening onderzoek

De rechtbank heeft op de zitting van 30 juni 2026 de zaak inhoudelijk behandeld en op dezelfde dag het onderzoek gesloten. Tijdens de beraadslaging in raadkamer is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
7.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft primair verzocht de zaak aan te houden teneinde [verdachte] alsnog klinisch te laten observeren bij de observatieafdeling van [verblijfplaats] .
Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 330 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en onder de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad op 26 juni 2026.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan [verdachte] een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) op te leggen voor de duur van twaalf maanden, onder de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad op 26 juni 2026.
Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat zowel de bijzondere voorwaarden als de GBM dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
7.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht geen langere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Verder heeft de advocaat verzocht rekening te houden met verschillende strafmatigende omstandigheden, waaronder de jeugdige leeftijd van [verdachte] , zijn blanco strafblad, de verminderde toerekeningsvatbaarheid die volgt uit een eerder persoonlijkheidsonderzoek en de beperkte rol die [verdachte] bij een aantal van de feiten heeft gehad.
De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat het opleggen van een GBM niet noodzakelijk en niet proportioneel is, omdat dezelfde behandeldoelen volgens de verdediging ook binnen een voorwaardelijk strafkader kunnen worden gerealiseerd, onder oplegging van dezelfde bijzondere voorwaarden. Verder heeft de advocaat ter terechtzitting een formeel bezwaar aangevoerd tegen het opleggen van de GBM, inhoudende dat geen toestemming wordt verleend om het persoonlijkheidsonderzoek van 23 mei 2025 aan de maatregel ten grondslag te leggen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte] van 24 juni 2026. Hieruit volgt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Wel staan er verschillende openstaande zaken op zijn strafblad, waaronder ook voor soortgelijke strafbare feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 5 juni 2026. Uit deze rapportage volgt dat [verdachte] niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, waardoor geen zicht is verkregen op zijn denken, voelen en handelen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. De onderzoeker onthoudt zich in het rapport dan ook van een uitspraak over bijvoorbeeld de toerekenbaarheid van [verdachte] . Ook zijn er te weinig gegevens beschikbaar voor een gedegen risicotaxatie en een advies over passende interventies.
Wel vermeldt de onderzoeker in het rapport dat door de houding van [verdachte] twijfel bestaat of hij zich aan eventuele voorwaarden zal houden. Daardoor bestaat ook twijfel over de mogelijkheden van een maatregel binnen een voorwaardelijk kader. In het kader van de advisering geeft de onderzoeker mee om [verdachte] alsnog te onderwerpen aan een klinische observatie. Binnen een klinische observatie kan gedurende een langere periode gedragsobservatie en multidisciplinaire beoordeling plaatsvinden. Ook kan de eerder gestelde diagnostiek binnen die klinische observatie verder worden aangescherpt.
Volgens het rapport is het verder van belang dat een inschatting kan worden gemaakt of [verdachte] bereid en in staat is zich aan een behandeling en begeleidingsverplichting te houden. Daarnaast kan op die manier een beter beeld worden verkregen van het recidiverisico.
De rechtbank houdt verder rekening met het advies van de Raad van 26 juni 2026, dat door een raadsonderzoeker op de zitting nader is toegelicht. De Raad vindt het het belangrijkst dat [verdachte] de juiste behandeling krijgt. Volgens de Raad is echter gebleken dat het voor [verdachte] moeilijk is zich te houden aan strenge vrijheidsbeperkende voorwaarden, waardoor de tot dusver opgelegde voorwaarden de behandeling juist hebben belemmerd. De Raad hoopt dat meer vrijheid ertoe zal leiden dat [verdachte] zich beter zal openstellen voor behandeling. Wel acht de Raad een stevig kader passend, mede gezien de aard van de verdenkingen.
Mede gelet op de Pro Justitia-rapportage van 23 mei 2025 adviseert de Raad om een GBM op te leggen voor de duur van twaalf maanden. De Raad acht een GBM de meest passende maatregel, gezien het persoonlijk functioneren van [verdachte] , zijn vaardigheidstekorten, zijn ADHD en normoverschrijdende gedragsstoornis, alsmede zijn cognitieve vermogens. Volgens de Raad biedt een GBM de noodzakelijke stok achter de deur om [verdachte] te motiveren mee te werken aan de behandeling en zich aan de voorwaarden te houden. Een voorwaardelijke straf alleen wordt daarvoor onvoldoende geacht. De Raad verwacht dat door de mogelijkheid van een time-out en de forse detentie die tegenover een GBM staat, [verdachte] minder snel in de verleiding zal komen om over te gaan tot delictgedrag en zich beter zal conformeren aan de gestelde voorwaarden, waaronder het volgen van de noodzakelijke behandeling.
Naast het advies ten aanzien van de GBM adviseert de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, vanwege de ernst van het feit waarvan hij wordt verdacht. Het opleggen van een deels voorwaardelijke detentie is naar het oordeel van de Raad eveneens noodzakelijk, zodat het voorwaardelijke deel als stok achter de deur blijft fungeren en het toezicht ook na afloop van de GBM kan worden voortgezet.
De rechtbank komt op basis van de hiervoor besproken adviezen tot de conclusie dat bij [verdachte] sprake is van forse problematiek. Ook ziet zij de zorgen over de haalbaarheid van op te leggen voorwaarden. De rechtbank deelt de opvatting van de Raad dat aan [verdachte] een strikt kader moet worden opgelegd waarbinnen hij zich aan voorwaarden dient te houden. De rechtbank is van oordeel dat het enkel opleggen van voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke straf onvoldoende waarborg biedt. Een straf of maatregel zonder oplegging van een GBM acht de rechtbank daarom niet afdoende.
Voor het opleggen van een GBM is ingevolge artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een advies van de Raad vereist, dat wordt ondersteund door een gedragsdeskundige, dat niet ouder is dan één jaar. Als een ouder rapport wordt gebruikt, kan de rechter dit slechts gebruiken met instemming van de verdediging en de officier van justitie.
De rechtbank constateert dat een met redenen omkleed advies van de Raad voorligt, waarin wordt geadviseerd een GBM op te leggen, maar dat ondersteuning van een gedragskundige ontbreekt, althans door een advies dat jonger is dan één jaar. De verdediging heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het gebruik van het Pro Justitia rapport van 23 mei 2025. Hierdoor komt de rechtbank tot de conclusie dat niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een GBM.
Deze constatering, in samenhang bezien met het advies uit de Pro Justitia-rapportage van 5 juni 2026 om nader onderzoek te verrichten naar de geestvermogens van [verdachte] , een groot risico tot onttrekking aan de voorwaarden en daarmee het falen van een ‘gewoon’ voorwaardelijk kader, brengt de rechtbank tot het oordeel dat een plaatsing ter observatie noodzakelijk is, zodat alsnog een nieuwe persoonlijkheidsrapportage kan worden opgesteld. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en bevelen dat [verdachte] ter observatie wordt geplaatst bij de observatieafdeling van [verblijfplaats] , teneinde een nieuwe Pro Justitia-rapportage te laten opstellen.
De mogelijkheid tot plaatsing bij [verblijfplaats] ter observatie, genoemd in het rapport van 5 juni 2026, is aan de orde gekomen in het requisitoir van de officier van justitie, waarna de raadsvrouw daarop afwijzend heeft gereageerd in haar pleidooi. De mogelijkheid dat alsnog een klinische observatie zou kunnen plaatsvinden, is daarbij ook besproken met [verdachte] zelf, die heeft aangegeven dat te begrijpen. Dit alles maakt dat de rechtbank [verdachte] niet nog eens afzonderlijk zal horen over klinische observatie.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorlopige hechtenis van [verdachte] ambtshalve op te heffen of te schorsen. De ernstige bezwaren en gronden die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, zijn nog aanwezig. Ook doet het geval van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zich niet voor. De voorlopige hechtenis van [verdachte] duurt daarom voort.

8.Beslissing

De rechtbank:
  • heropenten
    schorsthet onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, maar maximaal voor een termijn van drie maanden;
  • bepaalt dat de stukken in handen worden gesteld van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank teneinde de aanmelding bij de observatieafdeling van [verblijfplaats] te verzorgen;
- beveelt dat [verdachte] ter observatie zal worden overgebracht naar de observatieafdeling van [verblijfplaats] , opdat op de gebruikelijke wijze een persoonlijkheidsonderzoek zal worden verricht. Dit plaatsingsbevel is afzonderlijk gemuteerd;
- bepaalt dat de voorlopige hechtenis voortduurt;
  • beveelt de oproeping van [verdachte] tegen een nader te bepalen dag en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van [verdachte] ;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, mr. S.M. van Meer en mr. T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
De voorzitter en de oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
16-017339-25
feit 1
hij op of omstreeks 7 januari 2025 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door op/bij/ter hoogte van het pand gelegen aan de [adres 2] een of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk en/of een of meer fles (sen) ontvlambare vloeistof, zijnde een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, in elk geval vuurwerk en/of een ontvlambare stof, tot ontsteking en/of ontbranding te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor voor goederen, te weten voor voornoemde pand en/of de in dat pand aanwezige goederen en/of de nabijheid gelegen pand(en) en/of auto's en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten [slachtoffer 3] en/of voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden,
te duchten was;
feit 2
hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Almere, in elk geval in Nederland,
[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/met brandstichting, door
-via Tiktok met het account ‘@ [TikTok account 1] ’ en displaynaam ' [TikTok account 1] ’ een of meer bericht(en) te sturen naar die [slachtoffer 4] met daarin: 'je gaat die klappen eten die je broer hoort te krijgen' en/of 'jullie huis gaat morgen
helemaal fikken in tdv midden', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
-via Snapchat met het Snapchataccount ' [TikTok account 2] ' en displaynaam ' [Snapchat displaynaam] ' een of meer bericht(en) te sturen naar die [slachtoffer 4] met daarin: 'morgen gaat je osso fikken’ althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
feit 3
hij op of omstreeks 8 januari 2025 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door op/bij/ter hoogte van het
pand gelegen aan de [adres 3] een of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk, tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan
gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde pand en/of de in dat pand aanwezige goederen en/of de nabijheid gelegen pand(en) en/of auto's, te duchten was;
feit 4
hij op of omstreeks 9 januari 2025 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het pand aan de [adres 3] en/of de in dat pand aanwezige goederen en/of in de nabijheid gelegen panden en/of auto's te duchten was,
een super cobra 6, althans (zwaar) vuurwerk, met daaraan gebonden twee flessen terpentine, in elk geval een ontvlambare vloeistof, zijnde een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, met open vuur in aanraking heeft gebracht en/of aangestoken en/of (vervolgens) nabij de voordeur van de woning aan de [adres 3] heeft geplaatst en/of gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 5
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 7 januari 2025 en/of 9 januari 2025 te Almere, in eik geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) een of meer wapen(s) van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten
(telkens) een vuurwerk-brandstof combinatie (VBC), zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing
voorhanden heeft gehad;
16-277398-25
hij op of omstreeks 19 januari 2025 te Almere, althans in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- ( een) omgebouwd gaspistool naar een scherp schietend vuurwapen, van het merk Zoraki, type en/of model 918, kaliber 9mm p.a.k. / 7.65mm
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [2]
Bewijsmiddelen feit 1 tot en met 5
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De afgelopen tijd zijn er meerdere incidenten bij onze woning in [woonplaats] geweest. [3] Op 6 januari 2025 kreeg ik een bericht via TikTok van het account [TikTok account 1] . Ik ken het account niet. Ik had geen privé account, iedereen kan zich toevoegen. Als iemand mij een chat stuurt, kunnen dit er maar drie zijn en dan moet ik het accepteren of weigeren. Hij zei: “Snap nu nu, ik wil niet veel met je praten”. Toen heb ik hem toegevoegd en toen deed hij die bedreigingen. Ik dacht eerst dat ik niet echt bang was, maar ik heb er wel om gehuild. [4]
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat de bedreiging geschiedde door iemand die zich op TikTok ' [TikTok account 1] ' noemt. [5] Ik zag dat in dat bericht stond dat [slachtoffer 4] de Snapchat van ' [TikTok account 1] ' moest toevoegen. Ik zag dat het Snapchataccount betrof ' [TikTok account 2] ', met als gebruikersnaam ' [Snapchat displaynaam] '. Ik zag dat als [slachtoffer 4] dat account niet toevoegde zij 'de klappen ging eten die je broer hoort te krijgen' en 'jullie huis gaat morgen helemaal fikken in tdv midden'. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] zei dat hij het Snapchataccount [TikTok account 2] had toegevoegd met een eigen Snapchataccount onder een valse naam. Ik zag dat [slachtoffer 1] eerst in een privé Snapchatgesprek met [Snapchat displaynaam] sprak. Ik las dat [Snapchat displaynaam] een tas terug wilde. Ik zag dat een foto van [slachtoffer 5] in dat gesprek werd gedeeld. Daarna las ik dat [Snapchat displaynaam] zei dat hij, [slachtoffer 5] , de tas had. Ik las dat, als [Snapchat displaynaam] de tas niet terug zou krijgen, hij hun huis zou laten fikken.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 7 januari 2025 omstreeks 20:20 was ik in mijn woning aan de [adres 2] in [woonplaats] . [6] Mijn twee dochters en een vriendin van mij dochter waren in de woning. Iets later diezelfde dag zag ik, toen ik in de gang stond, vuur buiten. Ik zag dat het vuur blauw van kleur was en het lag op de stenen, het vuur zat tegen de deur aan. Ik wilde het vuur doven. Ik ging snel naar de deur toe en pakte de deurhendel vast. Ik hoorde een harde knal. Het glas aan de linker zijde van de voordeur sprong kapot. Ik kreeg erg last van mijn hoofd en werd duizelig en misselijk. Ik heb geen idee wie dit heeft gedaan maar ik ben 99 procent zeker dat dit bedoeld was voor de buren.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 7 januari 2025 kwamen wij, naar aanleiding van een explosie, voor forensisch onderzoek aan bij de woning gelegen aan de [adres 2] in [woonplaats] . [7] In de voortuin zagen wij verschillende snippers liggen die wij duidden als mogelijk afkomstig van het explosief. [8] In totaal vonden wij zes stukken van een etiket die wij duidden als afkomstig van die een fles ontbrandbare vloeistof. Wij zagen ook een gesmolten deel van een kunststoffles die wij hebben veiliggesteld. De aangetroffen delen deden ons vermoeden dat hier gebruik was gemaakt van een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) . Een VBC is een samenstelling van een explosief (in deze de Cobra) met een ontbrandbare vloeistof (in deze de brandgel). Ik had zelf nog geen onderzoek gedaan waarbij een VBC, [9] bestaande uit een explosief en brandgel was gebruikt. Het NFI bevestigde mijn verwachting dat dit een werkbare VBC was.
Door de explosie zijn goederen, zoals de voordeur, de ruit en de bloempot beschadigd of vernield. Daaruit blijkt dat er gevaar voor goederen te duchten was. Door de explosie was er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor de bewoonster te duchten.
De ontbrandbare gel heeft om een tot op heden onbekend reden bij de explosie niet in zijn geheel vlam gevat. In ieder geval is het merendeel van de ontbrandbare gel niet tot ontbranding gekomen. Gezien de combinatie die door de daders is gebruikt was dit wel de intentie. Als dit gelukt was dan was tijdens de explosie een grote vuurbal ontstaan die zich ook door de ruit naast de voordeur tot in de hal had verplaatst. De brandende gel had zich op de omgeving, waaronder de muren en zeer waarschijnlijk ook de in de hal aanwezige bewoner, vastgezet.
Een proces-verbaal van bevindingen, betreffende handmatig onderzoek gegevensdrager (iPhone 13), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag een schermafbeelding. [10] Ik herkende de lay-out van de schermafbeelding als een chatgesprek van de applicatie Snapchat. Ik zag dat de afbeelding gemaakt was op 7 januari 2025, 10:44 uur. Ik zag dat de ingelogde gebruiker op Snapchat de gebruikersnaam ‘ [Snapchat gebruikersnaam] ' had. Ik zag dat ‘ [TikTok account 1] ’ de accountnaam voor het account ‘ [Snapchat gebruikersnaam] ' was. Ik zag dat de opgegeven geboortedag [geboortedag] was. Ik zag dat de gebruiker van de Snapchat applicatie stuurde 'K heb genoeg’, ‘Fix’ ‘Dat ze vnv gaan’. Ik zag dat er werd geantwoord met ‘Ai’. Ik zag dat de gebruiker van de Snapchat applicatie het bericht ‘Ik heb c6' had verstuurd. Ik, verbalisant, weet ambtshalve dat met 'c6', COBRA6 wordt bedoeld. Ik zag dat er om 10:43 uur geantwoord werd met ' […] ook’. Ik zag dat de gebruiker van de Snapchat applicatie, [Snapchat gebruikersnaam] ( [TikTok account 1] ) daarop antwoorde met ‘Af’, ‘Orgi’, ‘Ik wil 3 benzine’ ‘er om heen’ en ‘En 3 C6.
Ik zag dat er in de filmrol op de iPhone een afbeelding stond van twee flessen met daarbij twee zwarte ronde voorwerpen met daaraan een lont. [11] Ik zag voor de onderstaande foto de datum op 7 januari 2025 om 19:05 uur stond. Ik zag dat de foto was opgeslagen uit Snapchat. Ik zag dat de afbeelding beschikbaar was in de galerij in de applicatie van Snapchat.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik woon op de [adres 3] te [woonplaats] . [12] Op 8 januari 2025 omstreeks 18:05 uur werd ik gebeld door mijn buurjongen. [13] Ik hoorde hem het volgende zeggen:
- ze hebben een bommetje bij je voordeur geplaatst;
- je vooruit ligt er uit;
- wij zijn allemaal buiten en oké;
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 8 januari 2025 uur kwamen wij, naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 3] in [woonplaats] . [14] In de voortuin zagen wij veel rommel liggen. [15] Wij zagen een papiersnipper liggen, lijkend op een snipper afkomstig van het vuurwerktype Cobra. Aan de rechterzijde van het pad naar de voordeur zagen wij twee blauwe doppen liggen, mogelijk afkomstig van het vuurwerk type Cobra. Verder was te zien dat het raam naast de voordeur gesneuveld was en ook het woonkamerraam daarnaast was kapot. Wij zagen onder aan het raam een zwarte beroeting, hoogstwaarschijnlijk was deze veroorzaakt door de explosie waar deze melding op gebaseerd was. Rechts naast de voordeur zagen wij nog een papiersnipper liggen van vermoedelijk een Cobra 6. Uit de beschreven situatie en het aangetroffen schadebeeld bleek dat bij deze explosie gemeen gevaar voor goederen was te duchten.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 9 januari 2025 omstreeks 23:50 uur keek ik op de camerabeelden die gericht zijn op de voortuin van mijn woning aan de [adres 3] in [woonplaats] . [16] Ik kreeg via mijn telefoon een melding dat er beweging in mijn voortuin is geweest. Om 23:55 uur zag ik een grote lichtflits.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 10 januari 2025 om 01:00 uur kwam ik, naar aanleiding van een poging tot
bomaanslag, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 3] in [woonplaats] . [17] Ik zag nabij de voordeur, twee aan elkaar getapte literflessen liggen met daaraan een Cobra' 6. [18] Ik herkende deze samenstelling als een geïmproviseerd explosief. Ik zag dat de lont ontstoken was, ik zag zwarte verkleuring aan de lont. De lont was aangestoken, maar vervolgens door onbekende wijze gesmoord. Het explosief werd hierdoor niet gedetoneerd.
Het explosief werd ontmanteld, en de flessen met tape werden aan mij overgedragen. Ik herkende de flessen als zijde terpentine flessen.
Een geschrift, te weten een rapport NFI-explosievenonderzoek van 21 februari 2025, nummer 2025.01.10.121, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De constructie die is aangetroffen, is een explosieve constructie die nader kan worden getypeerd als een zogenaamde ‘vuurwerk-brandstof-combinatie’ (VBC). [19] De explosieve constructie was als volgt opgebouwd: twee kunststoffen flessen (inhoud:1 liter) die volledig waren gevuld met een kleurloze vloeistof. Een vuurwerkartikel van het type ‘Super COBRA 6’ was met bruine kunststof hieraan vast getapet.
Wanneer het vuurwerkartikel van de VBC die is aangetroffen in Almere in de nacht van 9 op 10 januari 2025 tot ontploffing komt, [20] treden als effecten een drukgolf (gepaard gaande met een luide knal) en hitte (vuurverschijnselen) op. Alleen al hierdoor geldt dat voor personen op een afstand van tientallen meters door de luide knal gevaar ontstaat voor gehoorschade (al dan niet permanent). Als het ontploffende vuurwerkartikel huidcontact maakt op het moment van exploderen, ontstaat schade aan de huid en het onderliggende weefsel. De ernst van het letsel is onder meer afhankelijk van de plaats van het contact. Door het ontploffende vuurwerkartikel worden tegelijkertijd de twee flessen terpentine uiteengereten. Door de hitte van de ontploffing van het vuurwerkartikel wordt de zich verspreidende terpentine direct ontstoken en ontstaat een vuurbal van meerdere meters in doorsnede.
Een proces-verbaal van bevindingen, betreffende categorisering wapen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van de opgemaakte NFI-rapporten, [21] nummer 2025.01.10.121, aanvraag 001, is door mij, in het kader van de Wet wapens en munitie, een nader onderzoek ingesteld.
In deze rapporten wordt een voorwerp beschreven, namelijk 2 aan elkaar getapete
flessen met een ontvlambare vloeistof (terpentine) met daaromheen zwaar vuurwerk
(cobra Super 6) geplakt. Een dergelijke constructie wordt ook wel een vuurwerk-
brand combinatie (VBC) genoemd. Een VBC is een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van vuur of ontploffing. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie Pro II onder 7, gelet op artikel 3 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie.
Een proces-verbaal van bevindingen, betreffende onderzoek gegevensdrager (iPhone 7 van medeverdachte), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 9 januari 2025 wordt er ten hoogte van [adres 4] een zwarte iPhone aangetroffen. [22] Het nummer van deze telefoon is te koppelen aan de persoon [medeverdachte 1] . Ik zag in de telefoon dat er op 9 januari 2025 om 17:01 uur een Snapchat gesprek aanwezig was tussen de gebruikers ‘ [Snapchat gebruikersaccount] ’ en ‘ [TikTok account 2] . [23] De gebruiker [TikTok account 2] is in dit onderzoek geïdentificeerd als [verdachte] . De gebruiker ‘ [Snapchat gebruikersaccount] ’ is het account wat op dit onderzochte toestel aanwezig was. Ik zag dat in onderstaand gesprek, het plaatsen van explosief word besproken. Ik zag dat [verdachte] op 9 januari 2025 om 17:02 uur het bericht “Die osso is al 3x gelit in 24 uur” had gestuurd. Op dat moment waren er al meerdere aanslagen gedaan op de woning aan de [adres 3] . Ik zag dat [medeverdachte 1] op 9 januari 2025 om 17:04:15 uur vroeg aan [verdachte] : ‘ma hvl krijg ik er voor’. Waarop [verdachte] om 17:04:20 uur antwoord met ‘7barkie’. Ambtshalve weet ik dat 1 ‘barkie’ 100 euro is. In dit geval krijgt [medeverdachte 1] waarschijnlijk 700 euro voor het plaatsen van een explosief op de woning.
Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] op 20 mei 2025, voor zover inhoudende:
A: Het begon met een oude vriend van mij. [24] Die zei wil je een job doen, het verdiend goed, 600,700 euro en ik dacht er niet bij na en zei ja. Toen ging ik erover na denken en toen wilde ik het niet en toen zeiden ze dat ze dingen gingen doen. Ik kende ze niet maar een paar kenden mij wel via via en toen gingen ze mij bedreigen en toen heb ik het uiteindelijk wel gedaan. Ik ben er naar toe gegaan. Ik hoorde dat er al twee of drie bommen waren afgegaan en ik was de tweede of derde en de bom die ik heb gegooid, die is niet afgegaan. […]
V: Wat zegt jou de naam: “ [Snapchat gebruikersaccount] ”? [25] A: Dat is een oud account van mij, die wordt niet meer gebruikt. […]
V: Wij zien dat het gesprek met dat account is en dat je spreekt met [TikTok account 2] ?
A: Dat is de jongen die mij zou betalen.
V: Die ken je niet? [26] A: Nee, alleen die oude mattie van me.
Een proces-verbaal van bevindingen, betreffende onderzoek gegevensdrager (iPhone 13), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Video 7 januari 2025 18:37 Uur [27]
Ik zag op de telefoon een video van 10 seconden waarin de bij mij ambtshalve bekende [slachtoffer 5] ( [2005] ) te zien is, in de video krijgt hij meerdere klappen en is hij omringd door diverse personen. Ook moet hij zijn jas uittrekken en ‘sorry DM’ zeggen van de personen om hem heen.
Video 7 januari 2025 20:41 uur [28]
Ik zag op de telefoon een video waarop een persoon op een fatbike zit en vuurwerk toont met
daaromheen flessen vloeistof getaped. De video is aangemaakt op het toestel op 7 januari 2025 om 20:41 uur. In de video is een persoon te zien die nadat hij het vuurwerk toont, zijn telefoon in zijn zak doet, waarna er diverse niet nader te plaatsen geluiden te horen zijn. Hierna haalt de filmer de telefoon uit zijn zak en filmt nogmaals zijn fatbike. Onder aan deze pagina is uitgewerkt wat de persoon zegt in de video.
Video 8 januari 2025 15:25 uur [29]
Ik zag een video op de telefoon aangemaakt op 8 januari 2025 om 15:25 uur. De video is op dit toestel opgenomen met een zogenaamde ‘screen capture’. Hierbij wordt het scherm van de telefoon opgenomen. Op de video zag ik dat, de mij ambtshalve bekende verdachte [verdachte] , links onder in beeld zichtbaar was en dat deze een gesprek voerde via ‘face-time’. De tegenpartij van de video-call filmt de [straat] te [woonplaats] . Op de video is te zien dat de filmer over de stoep loopt in de richting van de [adres 3] te [woonplaats] en de huizen filmt. Zichtbaar is dat verdachte [verdachte] aandachtig kijkt wat de tegenpartij filmt. Er is geen audio waarneembaar bij de video. Ik zag dat de video op de telefoon is opgenomen met een zogenaamde ‘scherm recorder applicatie’. Dit betekent dat de gebruiker van het toestel zijn eigen scherm opneemt, ook is te zien in de video dat de opname wordt gestart en wordt beëindigd door verdachte [verdachte] .
Drie video's 8 januari 2025 [30]
Vervolgens zijn er op de telefoon drie video's zichtbaar, vermoedelijk afkomstig van de applicatie Snapchat.
8-1-2025 18:11:43 - Afbeelding links: Nog een brandweer gwn kk mah
8-1-2025 18:11:57 - Afbeelding midden: Mymen ze osso is weer gelit
8-1-2025 18:14:38 - Afbeelding rechts: 3 KANKER BRANDWEREN HHAHAHAHAHAHAH
Video's 9 januari 2025
Ik zag op de telefoon een video, een zogenaamde screencapture van een snapchatverhaal. Op het filmpje is een verslaggever van Omroep Flevoland zichtbaar die verslag doet van de explosies aan de [straat] te [woonplaats] . De video is aangemaakt op 9 januari 2025 om 10:30 uur.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De berichten naar [slachtoffer 4] op 6 januari 2025, heb ik verstuurd. Het klopt dat ik op TikTok gebruikgemaakt heb van het account [TikTok account 1] , en dat ik ook een Snapchat-account heb met dezelfde naam. Ik heb aan [slachtoffer 4] berichten gestuurd, omdat ik wilde dat haar broer [slachtoffer 5] spullen terug zou geven die hij eerder heeft beroofd. Ik kreeg geen reactie van haar broer, en toen heb ik uit frustratie wel dingen tegen haar gezegd als ‘huis fikken’, en ‘klappen’ enzovoort.
Bij de ontploffing op 7 januari 2025, heb ik een Cobra gegeven.
Het klopt dat ik dingen heb gezegd als, “ik heb genoeg, fix dat ze vanavond gaan”, en “ik heb c6”, wat Cobra 6 betekent.
Het klopt dat ik degene ben op dat FaceTime-gesprek op 8 januari 2025.
Ik heb wat te maken gehad bij de poging tot het teweegbrengen van een ontploffing op 9 januari 2025 aan de [adres 3] . Ik heb zo’n jongen een beetje gepland. Ik heb het vuurwerk in mijn handen gehad. Het klopt dat ik de gehele VBC aan medeverdachte [medeverdachte 1] heb gegeven op 9 januari. Het klopt dat ik met mijn Snapchat-account heb gestuurd dat [medeverdachte 1] 7 barkie, zou krijgen, dus € 700,00.
Bewijsmiddelen feit 6
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb het wapen dat te zien is op de video van 19 januari 2025 vastgehouden. Ik heb er een dom filmpje mee gemaakt.
Een proces-verbaal van bevindingen, betreffende onderzoek gegevensdrager (iPhone 13), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Video 19 januari 2025 17:45 uur [31]
Ik zag een video op de telefoon staan waar verdachte [verdachte] een vuurwapen toont terwijl hij een zogenaamde ‘filter’ toepast in de applicatie waarmee de video is gemaakt. De effecten van de filter zijn dat deze zijn gezicht lichtelijk 'blurred’ en een zwarte balk voor zijn ogen plaatst. Bij de video is audio waarneembaar van een rapnummer waarin onder andere de tekst ‘gunnoe met een lange loop' voorkomt. Gunnoe is mij ambsthalve bekend als pistool/geweer.
Een proces-verbaal van bevindingen (nummer 2025028797-2), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [32]
In het telefoontoestel trof ik een filmpje aan waarbij onze verdachte zichtbaar was. [33] Het filmpje was gecreëerd op 19 januari 2025 om 17:45 uur.
In dezelfde telefoon waren tevens diverse foto's te zien van een onbekend persoon welke vermoedelijk in dezelfde kelderbox/schuur stond. Aan de foto was een GPS locatie gekoppeld. Deze gaf aan dat de foto in de omgeving van de [adres 5] te [woonplaats] was gemaakt.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij kregen de opdracht om in de kelderbox/schuur van de woning [adres 6] te gaan zoeken naar een vuurwapen. [34] Ik zag dat er in de stellagekast een zwarte/grijze schoudertas lag. Ik keek in de tas en zag een voorwerp in de tas. Ik herkende dit voorwerp als zijnde de handgreep van een vuurwapen. Ik zag namelijk een handvat en de hamer. Ik deed de tas verder open en zag daadwerkelijk een zwart vuurwapen in de tas. Ik zag dat het
wapen een roestige loop had. [35] Ik zag dat een deel van de trekkerbeugel ontbrak
vermoedelijk afgebroken was. met alle waarschijnlijkheid betrof dit hetzelfde vuurwapen die ik op de foto's had gezien onder proces verbaal van bevindingen met het nummer 2025028797-2. Wij verbalisanten hoorden de medewerker van Forensische
opsporing zeggen dat het zeer aannemelijk was dit het een echt vuurwapen betrof.
Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats: [36] [adres 6] , [woonplaats]
Datum: 28 januari 2025
In beslag genomen: Vuurwapen (Pistool)
Goednummer: PL0900-2025029095-3474172
SIN: AAST8363NL
Een proces-verbaal van bevindingen, betreffende categorisering wapen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Goednummer: [37] PL0900-2025029095-3474172
SIN : AAST8363NL
Wapen: vuurwapen, pistool
Categorie: III sub I
Bovengenoemd voorwerp is van origine een gaspistool, merk Zoraki, model 918, kaliber 9mm P.A.K. en voorzien van het wapennummer [wapennummer] .
In originele staat is, van fabriekswege, in de loop van dit gaspistool een zogenaamde sper aangebracht. Bij dit voorwerp bleek de sper te zijn verwijderd, waardoor dit gaspistool is voorzien van een volledig open loop. Hierdoor kunnen er projectielen door de loop worden verschoten. Dit pistool is een voorwerp dat bestemd is om projectielen af te schieten. [38] De werking van dit pistool berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie Pro III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Dit vuurwapen valt niet onder categorie II sub 2, 3 of 6 van de Wet wapens en munitie. Dit semiautomatische vuurwapen beschikt over een single- en double action afvuursysteem. Dit pistool is gemaakt van kunststof en metaal en is zwart van kleur. Dit pistool is tevens voorzien van een verwisselbaar patroonmagazijn.
Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] op 29 januari 2025, voor zover inhoudende:
V: Zoals je weet zijn er politiecollega's in de schuur aan de [adres 6] te [woonplaats] . Van wie is deze schuur? [39]
A: Van mij. […]
V: Waarom heb jij een vuurwapen in jouw bezit? [40]
A: Omdat ik dat deed voor iemand.

Voetnoten

1.HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, r.o. 2.4.
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de districtsrecherche Flevoland, met proces-verbaalnummer 20250318.0905.8224 (procesdossier), digitaal genummerd pagina 1 tot en met 793. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
3.Pagina 74.
4.Pagina 75.
5.Pagina 78.
6.Pagina 92.
7.Pagina 698.
8.Pagina 699.
9.Pagina 700.
10.Pagina 380.
11.Pagina 381.
12.Pagina 133.
13.Pagina 134.
14.Pagina 727.
15.Pagina 728.
16.Pagina 191.
17.Pagina 213.
18.Pagina 221.
19.Pagina 239.
20.Pagina 241.
21.Pagina 249.
22.Pagina 360.
23.Pagina 365.
24.Pagina 562.
25.Pagina 563.
26.Pagina 564.
27.Pagina 395.
28.Pagina 396.
29.Pagina 397.
30.Pagina 398.
31.Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , opgenomen op pagina 390 van het dossier van Politie Midden-Nederland met nummer L0900-2025029273 (procesdossier deel II) d.d. 30 januari 2025.
32.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025029273 (procesdossier aantreffen vuurwapen), doorgenummerd pagina 1 tot en met 101. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
33.Pagina 9.
34.Pagina 20.
35.Pagina 21
36.Pagina 87.
37.Pagina 37.
38.Pagina 38.
39.Pagina 52.
40.Pagina 65.