Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, met 22 producties,
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een langdurige samenwerking van meer dan dertig jaar tussen een commissionair en een B.V., waarbij de commissionair betaling vordert van onbetaalde facturen voor verrichte werkzaamheden. De gedaagde partij stelt een tegenvordering en wil deze verrekenen met de vordering van de commissionair.
De rechtbank stelt vast dat de werkzaamheden en factuurbedragen van de commissionair niet worden betwist, waardoor de vordering in beginsel toewijsbaar is. Het beroep op verrekening door de gedaagde faalt grotendeels omdat de onderbouwing van de tegenvorderingen onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar is, met uitzondering van portokosten die worden verrekend.
De gedaagde heeft geen recht op opschorting van betaling omdat niet is gebleken dat de commissionair haar verplichtingen niet is nagekomen. De wettelijke handelsrente wordt toegekend vanaf de dagvaarding.
De reconventionele vorderingen van de gedaagde worden afgewezen, onder meer wegens verjaring en gebrek aan bewijs. De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot betaling van het netto bedrag van €70.240,57 plus rente en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot betaling van €70.240,57 met wettelijke handelsrente en wijst de tegenvorderingen af.