ECLI:NL:RBMNE:2026:4200

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/16/600577 / HL ZA 25-259
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:131 lid 1 BWArt. 6:136 BWArt. 9 commissionairovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde facturen en afwijzing tegenvorderingen in commissionairsovereenkomst

De zaak betreft een langdurige samenwerking van meer dan dertig jaar tussen een commissionair en een B.V., waarbij de commissionair betaling vordert van onbetaalde facturen voor verrichte werkzaamheden. De gedaagde partij stelt een tegenvordering en wil deze verrekenen met de vordering van de commissionair.

De rechtbank stelt vast dat de werkzaamheden en factuurbedragen van de commissionair niet worden betwist, waardoor de vordering in beginsel toewijsbaar is. Het beroep op verrekening door de gedaagde faalt grotendeels omdat de onderbouwing van de tegenvorderingen onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar is, met uitzondering van portokosten die worden verrekend.

De gedaagde heeft geen recht op opschorting van betaling omdat niet is gebleken dat de commissionair haar verplichtingen niet is nagekomen. De wettelijke handelsrente wordt toegekend vanaf de dagvaarding.

De reconventionele vorderingen van de gedaagde worden afgewezen, onder meer wegens verjaring en gebrek aan bewijs. De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot betaling van het netto bedrag van €70.240,57 plus rente en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot betaling van €70.240,57 met wettelijke handelsrente en wijst de tegenvorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/600577 / HL ZA 25-259
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
h.o.d.n. [handelsnaam] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. G.B. de Jong,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E. Weijer.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 september 2025, met 9 producties,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, met 22 producties,
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie met 3 producties,
- de akte van [eiseres] met producties 4 t/m 6,
- de akte van [gedaagde] met producties 25 t/m 46,
- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Bij e-mail van 13 april 2026 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen het door [gedaagde] overleggen van de aanvullende producties 25 tot en met 46. De rechtbank heeft bij e-mail van gelijke datum het bezwaar afgewezen omdat de producties op tijd zijn ingediend en, anders dan [eiseres] stelde, de enkele grote omvang ervan niet zonder meer meebrengt dat de producties als in strijd met de goede procesorde moeten worden beschouwd.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van het geschil

2.1
[eiseres] heeft meer dan dertig jaar met [gedaagde] samengewerkt. Zij verkocht als commissionair de producten van [gedaagde] en kreeg daarvoor van [gedaagde] een vergoeding. [eiseres] vordert in deze procedure betaling door [gedaagde] van onbetaald gebleven facturen. [gedaagde] meent dat zij op basis van de afspraken tussen partijen een tegenvordering heeft op [eiseres] . [gedaagde] wil die vordering verrekenen, dan wel door [eiseres] betaald krijgen. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] de openstaande facturen van [eiseres] moet betalen en dat [gedaagde] geen (noemenswaardige) tegenvordering heeft.

3.De beoordeling

In conventie
[eiseres] heeft een vordering op [gedaagde]
3.1
[eiseres] stelt dat zij werkzaamheden heeft verricht waardoor zij op grond van de commissionairovereenkomst nog een bedrag aan commissievergoeding van € 70.606,51 van [gedaagde] moet krijgen. [gedaagde] betwist niet dat [eiseres] die werkzaamheden heeft verricht en betwist ook niet de hoogte van de door [eiseres] gefactureerde bedragen. Dat betekent dat de vordering van [eiseres] in beginsel toegewezen kan worden.
Met uitzondering van de portokosten, gaat het beroep op verrekening niet op
3.2
Hoewel de vordering van [eiseres] vaststaat, stelt [gedaagde] dat zij toch niets meer aan [eiseres] hoeft te betalen. [gedaagde] meent dat zij een tegenvordering heeft op [eiseres] van € 104.060,13. Die tegenvordering moet met de vordering van [eiseres] worden verrekend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [gedaagde] een groot aantal facturen, overzichten, tabellen en verklaringen overgelegd.
3.3
Aan een beroep op verrekening kan worden voorbijgegaan als het bestaan en/of de omvang van de te verrekenen vordering niet eenvoudig is vast te stellen (artikel 6:136 Burgerlijk Pro Wetboek, BW). De juistheid van de door [gedaagde] overgelegde facturen, overzichten, tabellen en verklaringen wordt door [eiseres] onderbouwd betwist, met uitzondering van de portokosten. Dat maakt dat de gegrondheid van het verrekeningsverweer van [gedaagde] niet eenvoudig is vast te stellen. Aan dit verweer wordt daarom voor het overgrote deel voorbijgegaan.
Portokosten worden wel verrekend
3.4
Dat is anders voor de door [gedaagde] gestelde portokosten. [eiseres] erkent dat zij nog € 365,94 aan portokosten aan [gedaagde] moet betalen. Voor dit onderdeel slaagt het beroep op verrekening van [gedaagde] . Dit bedrag zal dan ook worden verrekend met de vordering die [eiseres] heeft op [gedaagde] .
De vordering van [eiseres] wordt, verminderd met de portokosten, toegewezen
3.5
Dit betekent dat de vordering van [eiseres] wordt toegewezen, met aftrek van de portokosten. [gedaagde] moet aan [eiseres] een bedrag betalen van € 70.240,57 (€ 70.606,51 - € 365,94).
[gedaagde] mocht betaling van de vergoeding aan [eiseres] niet opschorten
3.6
Voor het eerst op de mondelinge behandeling beroept [gedaagde] zich op opschorting. [gedaagde] meent dat zij betaling van de facturen van [eiseres] mocht opschorten, omdat [eiseres] verplichtingen uit de tussen partijen gesloten commissieovereenkomst niet zou zijn nagekomen. Uit de beoordeling van de vordering van [gedaagde] in reconventie hieronder zal blijken dat [gedaagde] geen tegenvordering heeft op [eiseres] en dat niet is gebleken dat [eiseres] zich niet aan gemaakte afspraken zou hebben gehouden. [gedaagde] heeft daarom niet het recht om haar betaling aan [eiseres] op te schorten.
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen
3.7
[eiseres] vordert wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW, vanaf de datum van de dagvaarding. De overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] kwalificeert als een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW. [gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen, omdat zij de facturen van [eiseres] niet heeft betaald binnen de daarvoor gegeven betalingstermijnen. Overigens voert [gedaagde] ook geen verweer tegen de gevorderde wettelijke handelsrente. Dat betekent dat de wettelijke handelsrente over € 70.240,57 zal worden toegewezen, vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
In reconventie
[gedaagde] vordert betaling van € 104.060,13
3.8
Voor het geval het beroep op verrekening zou worden gepasseerd, heeft [gedaagde] de door haar gestelde tegenvordering op [eiseres] van € 104.060,13 (voorwaardelijk) als eis in reconventie ingesteld. Omdat het beroep op verrekening inderdaad niet is gehonoreerd, moet deze vordering beoordeeld worden.
Een deel van de tegenvorderingen van [gedaagde] is verjaard
3.9
Het meest verstrekkende verweer van [eiseres] houdt in dat een deel van de vorderingen van [gedaagde] zijn verjaard, doordat de verjaringstermijn van 5 jaar die voor die vorderingen geldt, is verstreken. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] daartegenin gebracht dat verjaringstermijnen niet zouden gelden voor verrekening.
3.1
De bevoegdheid van [gedaagde] om haar vorderingen te verrekenen met de vorderingen van [eiseres] , eindigt niet door verjaring van haar vorderingen. Dat volgt uit artikel 6:131 lid 1 BW Pro. Die bepaling laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid van [gedaagde] voortbestaan na het moment waarop haar te verrekenen vordering verjaart. Deze bepaling schept niet een bevoegdheid om een al verjaarde vordering van [gedaagde] te verrekenen met een vordering van [eiseres] die is ontstaan nadat de verjaring is voltooid. [1]
3.11
Het beroep van [gedaagde] op artikel 6:131 lid 1 BW Pro gaat daarom niet op, voor zover haar vorderingen op [eiseres] al verjaard waren op het moment waarop de vorderingen van [eiseres] ontstonden. Dat betekent dat in ieder geval een deel van de tegenvorderingen van [gedaagde] verjaard zijn. In het midden kan blijven voor welk deel van de tegenvorderingen dit geldt. Zoals hierna zal blijken, worden de vorderingen van [gedaagde] namelijk ook om inhoudelijke redenen afgewezen. De verschillende posten waaruit de vordering van [gedaagde] bestaat, zullen hieronder een voor een worden langsgelopen. Uitzondering hierop vormen de portokosten: die zijn namelijk wel verrekend.
[eiseres] hoeft geen commissievergoeding aan [gedaagde] terug te betalen
3.12
[gedaagde] stelt dat zij in de periode van 2005 tot en met 2025 teveel commissievergoeding aan [eiseres] heeft betaald. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] op grond van artikel 6.1 van de commissionairovereenkomst slechts recht op een commissievergoeding over door afnemers betaalde orders. Een deel van de door [eiseres] geplaatste orders is niet betaald, omdat de afnemers failliet zijn gegaan. Ter onderbouwing van haar stelling overlegt [gedaagde] een overzicht van openstaande facturen, een tabel van vorderingen op [eiseres] en een factuur aan [eiseres] van 30 juni 2025.
3.13
[eiseres] geeft aan dat het door [gedaagde] overgelegde factuuroverzicht en de wijze waarop dat is samengesteld voor haar niet te volgen is. Voor haar is ook niet (meer) te controleren wat de gang van zaken is geweest in de periode van 2005 tot en met 2025, de periode waarop de door [gedaagde] gepretendeerde commissiecorrecties zien. Over een heel groot deel van die periode heeft zij geen administratie meer en kan zij gegevens niet meer achterhalen, ook niet bij derden. [gedaagde] heeft ook nooit eerder aangegeven dat zij deze tegenvordering op [eiseres] zou hebben. [eiseres] zag daarom ook geen aanleiding om stukken langer te bewaren dan vereist.
3.14
De rechtbank oordeelt dat de door [gedaagde] in het geding gebrachte stukken niet inzichtelijk zijn en bovendien voor [eiseres] niet controleerbaar. Daardoor kan uit de door [gedaagde] overgelegde stukken niet worden afgeleid óf zij teveel commissievergoeding aan [eiseres] heeft betaald, en zo ja, hoeveel. De stelplicht van het bestaan en de omvang van een vordering rust op de schuldeiser: [gedaagde] in dit geval. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiseres] heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij een vordering op [eiseres] zou hebben met betrekking tot teveel betaalde commissievergoeding. Dit lag wel op haar weg: [gedaagde] had meer kunnen en moeten doen. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
[eiseres] hoeft geen omzetverlies van [gedaagde] te vergoeden
3.15
[gedaagde] stelt dat zij in de periode van 2005 tot en met 2025 omzet is misgelopen. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] , in strijd met tussen hen gemaakte afspraken, producten geleverd aan winkels met een openstaande factuur. Een aantal van die winkels is vervolgens failliet gegaan. [gedaagde] vindt dat [eiseres] het daardoor geleden omzetverlies dient te vergoeden. Ter onderbouwing van haar stelling overlegt [gedaagde] een tabel van vorderingen op [eiseres] , en een factuur aan [eiseres] van 30 juni 2025.
3.16
Ook over deze kostenpost brengt [eiseres] naar voren dat het voor haar niet (meer) te controleren is wat de gang van zaken is geweest in de periode van 2005 tot en met 2025, de periode waarop de facturen zien.
3.17
Zoals hiervoor ook al is overwogen: de stelplicht van het bestaan en de omvang van de vordering rust op [gedaagde] . De rechtbank stelt vast dat uit de door [gedaagde] overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat [eiseres] in strijd met tussen partijen gemaakte afspraken producten heeft geleverd aan winkels die daarna failliet zijn gegaan. Ook kan hieruit niet worden afgeleid dat [gedaagde] daardoor het genoemde bedrag aan omzet is misgelopen. Tegenover de betwisting door [eiseres] heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij omzet is misgelopen die [eiseres] dient te vergoeden. Ook dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
[eiseres] hoeft de facturen van [onderneming] niet te betalen
3.18
[gedaagde] stelt dat [eiseres] in de periode van 2011 tot en met 2025 aan [onderneming] opdracht heeft gegeven om diverse werkzaamheden te verrichten. De daarvoor door [onderneming] opgestelde facturen zijn onbetaald gebleven. [gedaagde] stelt verder dat [onderneming] op 20 november 2025 haar vordering op [eiseres] aan [gedaagde] heeft gecedeerd. Daarom betoogt [gedaagde] dat [eiseres] de onbetaalde facturen aan [gedaagde] dient te voldoen. Ter onderbouwing van haar stelling overlegt [gedaagde] een tabel van vorderingen op [eiseres] , toelichtingen van [onderneming] op de verrichte werkzaamheden, een getuigenverklaring van de heer [A] van [onderneming] over de verrichte werkzaamheden, een factuuroverzicht, een groot aantal facturen van [onderneming] die aan [gedaagde] zijn geadresseerd en een akte van cessie van 20 november 2025.
3.19
[eiseres] betwist dat zij een overeenkomst met [onderneming] is aangegaan. Zij wijst erop dat alle overgelegde facturen van [onderneming] aan [gedaagde] zijn gericht. Volgens [eiseres] heeft zij nooit facturen van [onderneming] ontvangen.
3.2
Voor toewijzing van de vordering van [gedaagde] op dit punt zal moeten komen vast te staan dat [eiseres] een vergoeding verschuldigd is voor de door [onderneming] verrichte diensten. Dat blijkt uit niets. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat [eiseres] een overeenkomst met [onderneming] is aangegaan op grond waarvan betalingsverbintenissen van [eiseres] aan [onderneming] zouden zijn ontstaan. De bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte facturen zijn ook enkel aan [gedaagde] gericht en niet aan [eiseres] . Nadat hierover bij conclusie van antwoord in reconventie opmerkingen zijn gemaakt, is bij akte overlegging nadere producties door [gedaagde] een nieuwe set facturen in het geding gebracht. Bij bestudering hiervan blijkt het om precies dezelfde facturen te gaan, alleen staan nu enkel de werkzaamheden verricht voor [eiseres] op de facturen en is het adres gewijzigd in dat van [eiseres] . [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat er geen facturen aan [eiseres] zijn verstuurd, maar dat deze achteraf zijn opgemaakt in verband met de door [gedaagde] gestelde cessie. Dit is toch minst genomen een merkwaardige manier om een vermeende vordering te onderbouwen. Dat betekent dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [eiseres] de facturen van [onderneming] dient te betalen. Dit deel van de vordering wordt daarom eveneens afgewezen.
[eiseres] hoeft geen ‘afwezigheidsvergoeding’ te betalen
3.21
Op grond van verscheidene bepalingen uit de commissionairovereenkomst was [eiseres] verplicht om aanwezig te zijn om te helpen op zogenaamde ‘atelierdagen’, ‘containerdagen’ en ‘teldagen’. Artikel 4.11 van de commissionairovereenkomst bepaalt dat als [eiseres] afwezig is op de genoemde dagen, zij een vergoeding aan [gedaagde] verschuldigd is. [gedaagde] stelt dat [eiseres] in de periode van 2004 tot en met 2020 grotendeels afwezig was op de genoemde dagen. Daarom betoogt zij dat [eiseres] een vergoeding aan haar dient te betalen. Ter onderbouwing van haar stelling overlegt [gedaagde] een tabel van vorderingen op [eiseres] en een tweetal facturen aan [eiseres] van 20 november 2025.
3.22
[eiseres] betwist dat zij afwezig is geweest op de genoemde dagen. Als zij wel afwezig zou zijn geweest, dan zou op grond van artikel 4.11 van de commissionairovereenkomst een vervangende kracht zijn aangewezen die betaald zou moeten worden. [eiseres] heeft hiervoor nooit een factuur van [gedaagde] ontvangen. [eiseres] overlegt een door haar bijgehouden kilometerregistratie. Volgens haar volgt hieruit dat zij 863 maal aanwezig is geweest op de genoemde dagen in de periode van 2016 tot en met 2025.
3.23
Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken kan niet worden afgeleid óf [eiseres] afwezig is geweest op de genoemde dagen, en zo ja, wanneer en hoe vaak. En zelfs als [eiseres] afwezig zou zijn geweest, dan blijkt nog steeds uit niets dat haar werkzaamheden zijn overgenomen door een vervangende kracht. Dat betekent dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [eiseres] een vergoeding op grond van artikel 4.11 van de commissionairovereenkomst moet betalen. Dit deel van de vordering wordt daarom ook afgewezen.
[eiseres] hoeft geen kosten voor het vervangen van stickers en barcodes te vergoeden
3.24
[gedaagde] stelt dat [eiseres] op grond van artikel 4.7 van de commissionairovereenkomst verantwoordelijk was voor het vervangen van de stickers en barcodes op producten, als de producten prijswijzigingen ondergingen. [gedaagde] stelt verder dat [eiseres] deze werkzaamheden heeft uitbesteed aan andere medewerkers van [gedaagde] . Zij meent dat [eiseres] de kosten daarvan moet vergoeden. Ter onderbouwing van haar stellingen overlegt [gedaagde] een tabel van vorderingen op [eiseres] en een factuur aan [eiseres] van 20 november 2025.
3.25
[eiseres] betwist dat zij op grond van de overeenkomst verantwoordelijk was voor het vervangen van de stickers en barcodes op producten, als de producten prijswijzigingen ondergingen. Zij meent dat [gedaagde] daarvoor verantwoordelijk was, op grond van artikel 4.2 van de commissionairovereenkomst.
3.26
Uit artikel 4.7 van de commissionairovereenkomst volgt dat alle commissionairs gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het beheer van het centrale magazijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit niet worden afgeleid dat [eiseres] verantwoordelijk was voor het vervangen van stickers en barcodes op producten, als de producten prijswijzigingen ondergingen. Dat betekent dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [eiseres] kosten voor het omstickeren, (her)prijzen en barcodes plakken moet vergoeden. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
[eiseres] hoeft geen kosten wegens eigen gebruik van producten te vergoeden
3.27
[gedaagde] stelt dat [eiseres] sinds 1 januari 2021 producten voor eigen gebruik heeft aangeschaft, maar dat [eiseres] dat niet op haar facturen aan [gedaagde] heeft vermeld. [gedaagde] vermoedt dat het eigen gebruik van [eiseres] na 1 januari 2021 op dezelfde wijze is voortgezet als in de daaraan voorafgaande jaren. Volgens [gedaagde] moet [eiseres] de producten die zij voor eigen gebruik heeft aangeschaft, betalen. Ter onderbouwing van haar stellingen overlegt [gedaagde] een tabel van vorderingen op [eiseres] en een factuur aan [eiseres] van 20 november 2025.
3.28
[eiseres] betwist dat zij sinds 1 januari 2021 producten voor eigen gebruik heeft aangeschaft. Op de mondelinge behandeling heeft zij naar voren gebracht dat zij op dat moment minder geld kreeg van [gedaagde] , dat zij wellicht hier en daar een pakje wierook gebrand zal hebben, maar dat het niet om grote bedragen ging en dat zij zelf nog een eigen voorraad producten, gekregen voor verjaardagen, had liggen.
3.29
[gedaagde] heeft haar vermoeden dat [eiseres] producten voor eigen gebruik heeft aangeschaft niet nader onderbouwd. Dat betekent dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld óf, en zo ja, hoeveel producten [gedaagde] voor eigen gebruik heeft aangeschaft. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Niet kan worden vastgesteld of [eiseres] producten aan winkelmedewerkers verkocht
3.3
[gedaagde] stelt dat [eiseres] sinds 1 januari 2018 diverse producten heeft verkocht aan winkelmedewerkers van de winkels die zij in haar portefeuille had. Daarnaast stelt zij dat [eiseres] heeft nagelaten daarvoor aparte particuliere verkoopfacturen in te dienen, terwijl zij dat op grond van de commissionairovereenkomst wel moest doen. [gedaagde] vermoedt dat [eiseres] na 1 januari 2018 evenveel producten aan particuliere klanten heeft verkocht als in de daaraan voorafgaande jaren. Volgens [gedaagde] moet [eiseres] daarom de daarmee gepaard gaande kosten vergoeden. Ter onderbouwing van haar stellingen overlegt [gedaagde] een tabel van vorderingen op [eiseres] en een factuur aan [eiseres] van 20 november 2025.
3.31
[eiseres] betwist dat zij in de genoemde periode producten aan particuliere klanten heeft verkocht.
3.32
[gedaagde] heeft haar vermoeden dat [eiseres] producten aan winkelmedewerkers heeft verkocht niet nader onderbouwd. Een enkel vermoeden is sowieso onvoldoende. In het licht van de betwisting door [eiseres] , betekent dit dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld óf, en zo ja, hoeveel producten [gedaagde] aan particuliere klanten heeft verkocht. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
[eiseres] hoeft geen vergoeding voor het gebruik van het magazijn van [gedaagde] te betalen
3.33
[gedaagde] stelt dat [eiseres] een deel van het centrale magazijn van [gedaagde] als opslagruimte voor haar thuisvoorraad heeft gebruikt. [gedaagde] meent dat [eiseres] de daarmee gepaard gaande gebruikskosten moet vergoeden. Ter onderbouwing van haar stellingen overlegt [gedaagde] een tabel van vorderingen op [eiseres] en een factuur aan [eiseres] van 20 november 2025.
3.34
[eiseres] erkent dat zij in de periode van 2015 tot 2017 twee planken in het centrale magazijn van [gedaagde] in gebruik heeft gehad. Zij betwist dat zij buiten die periode gebruik heeft gemaakt van het magazijn, dat zij meer dan twee planken in gebruik heeft gehad, en dat partijen hebben afgesproken dat [eiseres] voor het gebruik van het magazijn een vergoeding aan [gedaagde] verschuldigd zou zijn.
3.35
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat partijen niet hebben afgesproken dat [eiseres] een gebruikskostenvergoeding verschuldigd zou zijn voor het gebruik van het magazijn van [gedaagde] . Dat betekent dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld op grond waarvan [eiseres] aan haar een gebruiksvergoeding moet betalen. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
[eiseres] hoeft niet te betalen voor niet-geretourneerde voorraad
3.36
[gedaagde] stelt dat [eiseres] heeft nagelaten haar thuisvoorraad in te leveren bij [gedaagde] , toen [eiseres] op 9 juli 2025 met haar werkzaamheden als commissionair is gestopt. Daarom vindt [gedaagde] dat [eiseres] de waarde van die thuisvoorraad moet vergoeden. Ter onderbouwing van haar stellingen overlegt [gedaagde] een tabel van vorderingen op [eiseres] en een factuur aan [eiseres] van 20 november 2025.
3.37
[eiseres] erkent dat zij thuis nog een voorraad heeft die zij bij [gedaagde] moet inleveren. Zij heeft een overzicht overgelegd van die voorraad. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] de omvang van de voorraad, zoals die uit het door [eiseres] overgelegde overzicht blijkt, erkend en heeft [gedaagde] haar vordering tot die omvang verminderd.
3.38
Op grond van artikel 9 van Pro de commissionairovereenkomst was [eiseres] verplicht aan [gedaagde] alle te verkopen voorraad die zij van [gedaagde] heeft gekregen, terug te geven. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit geen verplichting van [eiseres] om de waarde van niet teruggeven voorraad te vergoeden. Ook is niet gebleken dat [eiseres] op enige andere grond de waarde van de nog niet teruggegeven voorraad aan [gedaagde] moet vergoeden. Bovendien heeft [eiseres] zich zonder meer bereid verklaard om die voorraad te retourneren. Dat betekent dat ook dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Alle reconventionele vorderingen worden afgewezen
3.39
Het voorgaande betekent dat alle vorderingen van [gedaagde] in reconventie worden afgewezen.
In conventie en reconventie
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] betalen
3.4
In conventie is [gedaagde] grotendeels in het ongelijk gesteld. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.291,04
3.41
In reconventie is [gedaagde] in het ongelijk gesteld. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de vorderingen in reconventie voortvloeien uit het verweer in conventie, wordt het salaris van de advocaat in reconventie gehalveerd. De proceskosten van [eiseres] worden in reconventie begroot op:
- salaris advocaat
1.290,00
(2 punten × factor 0,5 × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.479,00

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 70.240,57, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.291,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
4.3
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.479,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de onder 4.1, 4.2 en 4.4 genoemde beslissingen,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
5984

Voetnoten

1.HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93,