ECLI:NL:RBMNE:2026:4162

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/8064
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet WIAArt. 8 Wet WIAArt. 3 ZiektewetArt. 20 ZiektewetArt. 3a Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens toepasselijkheid Turkse sociale zekerheidswetgeving tijdens detachering

Eiser, een Turkse werknemer gedetacheerd naar Nederland, vroeg een WIA-uitkering aan na arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser niet verzekerd was onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. De kern van het geschil betrof de vraag of de verlengingen van de detachering voldeden aan de voorwaarden van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (EVSZ) en het Aanvullend Akkoord, waardoor de Turkse wetgeving van toepassing bleef.

De rechtbank stelde vast dat de eerste 12 maanden van de detachering onbetwist onder de Turkse wetgeving vielen. Voor de verlengingen waren CE-2 verklaringen afgegeven door de Turkse autoriteiten, en het UWV ontving instemming van de Nederlandse bevoegde autoriteit (SVB). Eiser voerde aan dat de verlengingen niet rechtsgeldig waren, maar kon dit niet aantonen.

De rechtbank concludeerde dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 15 EVSZ Pro en artikel 12 van Pro het Aanvullend Akkoord was voldaan, waardoor de Turkse sociale zekerheidswetgeving bleef gelden. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard wegens een onjuiste wettelijke grondslag in het bestreden besluit, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Eiser heeft geen recht op WIA-uitkering omdat hij tijdens detachering onder Turkse sociale zekerheidswetgeving viel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E.S. Träger).

Inleiding

Eiser, die de Turkse nationaliteit heeft, was in dienst bij [bedrijf 1] in Turkije. Hij is in 2020 vanuit Turkije uitgezonden naar Nederland om te werken bij [bedrijf 2] in [plaats 2] dat onderdeel is van [bedrijf 3] Eiser werkte per 6 juli 2020 bij [bedrijf 2] als [functie] voor 40 uur per week. Vervolgens is deze detachering twee keer verlengd, van 18 augustus 2021 tot 18 augustus 2022 en van 18 augustus 2022 tot 18 augustus 2023.
Eiser is vervolgens voor zijn werkzaamheden uitgevallen en heeft op 15 juni 2024 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Met het primaire besluit van 31 mei 2025 heeft het Uwv geweigerd aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen, omdat eiser niet verzekerd is voor de WIA.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser was daarbij samen met zijn gemachtigde aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De behandeling is op de zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen een nadere toelichting te laten geven op een aantal punten, zoals neergelegd in het aan partijen toegezonden verkort proces-verbaal van 28 mei 2025. Het Uwv heeft naar aanleiding hiervan op 22 juli 2025 een aanvullende motivering ingebracht. Eiser heeft hierop met de brief van 20 augustus 2025 gereageerd. Op 22 oktober 2025 en 9 december 2025 heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft hierop gereageerd met de brieven van respectievelijk 28 oktober 2025 en 16 december 2025. Hierop heeft eiser gereageerd met de brief van 20 januari 2026.
Nadat geen van de partijen heeft aangegeven een nadere zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek op 13 april 2026 gesloten.

Waar gaat deze zaak over?

1. Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv de WIA-aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen, omdat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving volgens het Uwv niet van toepassing is op eiser en hij daarom niet verzekerd was voor de WIA.
2. Het Uwv heeft het bestreden besluit gebaseerd op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek inzake sociale zekerheid, Ankara, 5-4-1966. In de schriftelijke reacties na de schorsing heeft het Uwv de wettelijke grondslag gewijzigd en de motivering aangevuld. De afwijzing van de WIA-aanvraag van eiser heeft het Uwv daarbij niet meer gebaseerd op eerder genoemd verdrag, maar op het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, Parijs, 14-12-1972 (EVSZ) en het Aanvullend Akkoord ter toepassing van het EVSZ, Parijs, 14-12-1972 (het Aanvullend Akkoord). Uit het EVSZ en het Aanvullend Akkoord volgt volgens het Uwv dat bij een detachering van 12 maanden de sociale zekerheidswetgeving van het land van herkomst, in dit geval Turkije, van toepassing is. In dit verband heeft de Turkse autoriteit een zogenoemde CE-1 verklaring afgegeven. Daarna is deze detacheringsperiode twee keer verlengd in het kader waarvan de Turkse autoriteit zogenoemde CE-2 verklaringen heeft afgegeven als gevolg waarvan volgens het Uwv de sociale zekerheidswetgeving van Turkije op eiser van toepassing blijft. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft het Uwv vervolgens geïnformeerd dat zij hiermee hebben ingestemd. Daarnaast wijst het Uwv op de ingebrachte gegevens uit de polisadministratie waaruit volgt dat eiser niet is verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
3. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank stelt vast, dat het EVSZ en het Aanvullend Akkoord van toepassing zijn in deze zaak. Eiser vindt echter dat de verlengingen van de toepasselijkheid van de Turkse sociale zekerheidswetgeving niet inzichtelijk zijn gemaakt. Volgens eiser staat vast dat in dit geval geen aanvraag door de werkgever bij de SVB is ingediend en dat eiser nooit een besluit of schriftelijke bevestiging heeft ontvangen waaruit zou blijken dat een verlenging conform artikel 15 van Pro het EVSZ in samenhang met artikel 12 van Pro het Aanvullend Akkoord is verleend. Het gevolg hiervan is dat niet aan alle voorwaarden voor verlenging van de detachering is voldaan, zodat volgens eiser de hoofdregel van artikel 14 van Pro het EVZS onverkort van kracht is. Dit betekent volgens eiser dat hij na de eerste detacheringstermijn van 12 maanden verzekerd is krachtens de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving en daarom recht heeft op een WIA-uitkering.

Welke regels zijn van toepassing?

4. In de artikelen 7 en 8 van de Wet WIA is geregeld dat voor de vraag wie als verplicht verzekerde wordt aangemerkt, aansluiting wordt gezocht bij het begrip werknemer als bedoeld in de artikelen 3 en artikel 20 van Pro de Ziektewet (ZW). Artikel 3a van de ZW regelt de toepassing van de wet in situaties waarin internationale verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties van invloed zijn op de verzekeringspositie van een persoon.
5. In dit geval gaat het om het EVSZ waarbij Nederland en Turkije partij zijn. Toegepast op deze zaak, regelt artikel 15, eerste lid, onderdeel a (i), van het EVSZ dat, in afwijking van de hoofdregel van artikel 14, onderdeel a, een Turkse werknemer die door zijn Turkse werkgever tijdelijk naar Nederland wordt gedetacheerd om daar te werken, onder de Turkse wetgeving valt, zolang die detachering niet langer dan 12 maanden duurt.
6. Uit artikel 15, eerste lid, onderdeel a (ii), van het EVSZ volgt dat als de tijdelijke detachering door onvoorziene omstandigheden langer duurt dan 12 maanden, de Turkse wetgeving tot aan de beëindiging van die arbeid van toepassing blijft, mits hiervoor de toestemming van de bevoegde autoriteit van Nederland of van het door deze autoriteit aangewezen lichaam werd verkregen.
7. Artikel 12, eerste lid, van het Aanvullend Akkoord bepaalt dat in het in artikel 15, eerste lid, onderdeel a (i), van het EVSZ bedoelde geval, het door de bevoegde autoriteit van Turkije aangewezen orgaan een bewijs van detachering verstrekt op verzoek van de werknemer of van zijn werkgever waarin wordt verklaard dat de werknemer aan de Turkse wetgeving onderworpen blijft.
8. Uit artikel 12, tweede lid, van het Aanvullend Akkoord volgt dat de in artikel 15, eerste lid, onderdeel a (ii), van het EVSZ bedoelde toestemming door de werkgever moet worden aangevraagd. Als de Turkse wetgeving zulks bepaalt, is de toestemming van de betrokken werknemer vereist.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

9. De rechtbank volgt het standpunt van het Uwv dat eiser ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was op grond van de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Dat betekent dat hij op grond van de Wet WIA geen aanspraak heeft op een uitkering. Hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen, legt zij hieronder uit.
10. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de eerste 12 maanden van de detachering van eiser de Turkse wetgeving van toepassing is. De kern van de discussie in deze zaak is de vraag of in het kader van de twee verlengingen van de detachering aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 15, eerste lid, onderdeel a (ii), van het EVSZ in samenhang met artikel 12, tweede lid, van het Aanvullend Akkoord is voldaan zodat eiser gedurende die verlengingen onder de Turkse sociale wetgeving blijft vallen.
11. Artikel 12, tweede lid, van het Aanvullend Akkoord schrijft voor dat de toestemming, die nodig is om de Turkse wetgeving van toepassing te laten gedurende de verlenging van een detachering, door de werkgever moet worden aangevraagd. De toestemming van de betrokken werknemer, zoals de tweede volzin van artikel 12, tweede lid, van het Aanvullend Akkoord voorschrijft, is volgens het Uwv niet aan de orde omdat niet is gebleken dat de Turkse wetgeving dit vereist. Eiser heeft dit niet gemotiveerd weersproken. In het dossier bevinden zich twee CE-2 verklaringen, afgegeven door het presidium van de Sociale Verzekeringsbank van Turkije, die betrekking hebben op de twee verlengingsperioden van de detachering van eiser. Uit de inhoud van deze verklaringen blijkt expliciet dat eiser voor de verlengingsperioden onder de Turkse wetgeving blijft vallen. Gezien het feit dat het verzoek daartoe door de werkgever is gedaan, zoals ook blijkt uit de CE-2 verklaringen, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de voorwaarden van artikel 12, tweede lid, van het Aanvullend Akkoord. Dat de werkgever het verzoek bij de bevoegde autoriteit in Nederland zelf zou moeten indienen, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet. Artikel 12, tweede lid, van het Aanvullend Akkoord in samenhang met artikel 15, eerste lid, onderdeel a (ii), van de EVSZ schrijft uitsluitend voor dat het verzoek door de werkgever moet worden gedaan. Daarnaast is instemming van Nederland nodig. Daar gaat de rechtbank nu op in.
12. Het Uwv heeft toegelicht dat de SVB, als bevoegde autoriteit van Nederland, heeft meegedeeld dat er instemming is verleend voor het van toepassing laten van de Turkse sociale zekerheidswetgeving op eiser gedurende de twee verlengingsperioden van de detachering. Hoewel er geen formele stukken van die instemmingen in het dossier aanwezig zijn, ziet de rechtbank geen reden om daaraan te twijfelen. Daarbij betrekt de rechtbank de ingebrachte gegevens van de polisadministratie, waaruit blijkt dat eiser gedurende de verlengingsperioden niet verzekerd was voor de Nederlandse werknemersverzekeringen. Volgens vaste rechtspraak mag het Uwv uitgaan van de gegevens uit de polisadministratie, tenzij wordt aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn. [1] Eiser heeft dit niet aangetoond. De enkele stellingen van eiser dat de rechtsgeldigheid van de door de SVB verleende instemming niet vaststaat en dat de instemmingen voor de verlengingen pas veel later zijn genomen, brengen de rechtbank niet tot het oordeel dat de mededeling van de SVB aan het Uwv over de instemming onjuist of niet rechtsgeldig zou zijn.
13. Hieruit volgt dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 15, eerste lid, onderdeel a (ii), van het EVSZ in samenhang met artikel 12, tweede lid, van het Aanvullend Akkoord. Wat eiser verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft gesteld dat eiser niet verzekerd was voor de WIA.

Wat is de conclusie en het vervolg?

14. Het Uwv heeft de WIA-aanvraag van eiser terecht afgewezen. Het beroep is wel gegrond, omdat - zoals is overwogen onder 2 - het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat de in beroep door het Uwv gewijzigde wettelijke grondslag van het bestreden besluit standhoudt. Dit betekent dat de beslissing om aan eiser geen WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

Wat gebeurt er met de kosten van deze procedure?

15. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten voor de rechtsbijstand door een gemachtigde. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Voor het indienen van het beroepschrift wordt één punt toegekend, één punt voor het bijwonen van de zitting en een 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie na de schorsing. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 november 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht .
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1386, r.o. 4.6.