Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:405

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
UTR 24/6634
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:90 AwbArt. 6:162 BWArt. 6:98 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens geen onrechtmatig besluit door UWV

Verzoekster diende meerdere aanvragen in bij het UWV voor een scholingsvoucher en vergoeding van scholingskosten voor een HBO-opleiding, welke alle werden afgewezen. De besluiten van 11 juli 2017 en 5 juni 2020 zijn onherroepelijk omdat er geen beroep tegen is ingesteld.

In 2024 verzocht verzoekster om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige behandeling en onjuiste voorlichting door het UWV, met kosten voor de opleiding en misgelopen inkomsten als gevolg. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit, aangezien de onherroepelijke besluiten juridisch vaststaan en er geen toezeggingen of nieuwe feiten zijn die dit kunnen wijzigen.

De rechtbank benadrukt dat algemene voorlichting door UWV-medewerkers niet gelijkstaat aan een toezegging en dat de stukken van verzoekster dit niet aantonen. Daarom wijst de rechtbank het schadeverzoek af en krijgt verzoekster geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens het ontbreken van een onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6634

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder.
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Inleiding

1.1
Verzoekster heeft op 24 maart 2017 bij het Uwv een aanvraag voor een scholingsvoucher voor werkzoekenden vanuit de langdurige zorg ingediend voor de opleiding [opleidingsnaam] bij Hogeschool Windesheim. Het Uwv heeft deze aanvraag
afgewezen, omdat het beschikbare budget op is. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met een besluit van 11 juli 2017 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard onder gewijzigde motivering dat verzoekster geen scholingsvoucher kan krijgen, omdat de opleiding die zij wil volgen niet gericht is op een kansberoep.
1.2
Verzoekster heeft tegen het besluit van het Uwv van 11 juli 2017 geen beroep ingediend. Dat betekent dat dat besluit onherroepelijk is.
2.1
Verzoekster heeft in 2019 bij het Uwv een aanvraag voor een vergoeding van scholingskosten ingediend. Dit verzoek heeft het Uwv afgewezen. Met een besluit op bezwaar van 5 juni 2020 heeft het Uwv het besluit gehandhaafd dat verzoekster geen recht heeft op een vergoeding van de kosten van de opleiding [opleidingsnaam] , omdat verzoekster niet tot de doelgroep behoort. Het Uwv vindt dat verzoekster werkzaam was in een kansrijk beroep waardoor geen kans bestaat op een langdurige werkloosheid als ze géén opleiding zou volgen. De opleiding [opleidingsnaam] is ook geen noodzakelijke opleiding voor verzoekster. Verzoekster heeft niet aangetoond dat er sprake is van een baanintentie of baangarantie en de opleiding leidt ook niet tot een beroep met moeilijk vervulbare vacatures (krapteberoep).
2.2
Verzoekster heeft geen beroep ingediend tegen het besluit van 5 juni 2020. Dat betekent dat ook dit besluit onherroepelijk is.
3. Verzoekster heeft het Uwv op 7 juni 2024 verzocht om vergoeding van schade die zij heeft geleden door toedoen van het Uwv.
4. Het Uwv heeft met een besluit van 8 oktober 2024 dat verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Verzoekster heeft op 22 oktober 2024 de rechtbank bericht het niet eens te zijn met het besluit van het Uwv en heeft op 25 januari 2025 de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van door haar geleden schade. [1] Het Uwv heeft hierop met een verweerschrift gereageerd. Verzoekster heeft op 10 november 2025 nadere stukken overgelegd.
6. De rechtbank heeft het verzoek op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

Schadeverzoek
7. Verzoekster stelt dat zij schade heeft opgelopen door toedoen van het Uwv.
Ze is tijdens haar onderzoek over haar mogelijkheden om een opleiding te gaan volgen door het Uwv respectloos behandeld en onjuist voorgelicht. Ze kwam juist uit een zorgberoep en zou via een opleiding uiteindelijk ook kunnen gaan werken in een zogeheten krapteberoep. Verschillende medewerkers van het Uwv hebben haar toegezegd dat als zij aan een aantal voorwaarden zou voldoen - en zij voldeed daaraan - zij een vergoeding zou kunnen krijgen voor het volgen van een HBO-opleiding, zoals de 4 jarige HBO-opleiding [opleidingsnaam] . Ze heeft het Uwv verzocht om alle stukken te betrekken en opnieuw te beoordelen, maar dat is niet gebeurd. Ze heeft door dit alles heel veel kosten gemaakt, zoals de kosten van de HBO-opleiding inclusief de aangeschafte schoolboeken, maar ook overige kosten, zoals misgelopen inkomsten op HBO-niveau. Zij wil daarom een vergoeding voor de door haar gemaakte kosten.
Rechtspraak
8. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, vereist [2] dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. [3]
Geen onrechtmatig besluit
9. Naar het oordeel van de rechtbank is hier geen sprake van een onrechtmatig besluit. De besluiten van 11 juli 2017 en 5 juni 2020 zijn onherroepelijk, omdat verzoekster daartegen geen beroep heeft ingediend. Die besluiten staan dus juridisch vast en van de juistheid van die besluiten moet worden uitgegaan. De rechtbank kan daar niet meer zomaar op terugkomen. Dat zou anders kunnen zijn als sprake is van een toezegging of van nieuwe feiten, maar de rechtbank ziet niet dat dit aan de orde is. Ook uit de door verzoekster aan de rechtbank overgelegde stukken en toelichting blijkt dat niet. Uit de mails blijkt wel dat de medewerkers van het Uwv algemene voorlichting hebben gegeven, maar dat is niet hetzelfde als een toezegging. Verder hebben medewerkers dingen over verzoeksters situatie geschreven onder een uitdrukkelijk voorbehoud. Ook daarom kan geen sprake zijn van een toezegging.

Conclusie en gevolgen

10. Vanwege het ontbreken van een onrechtmatig besluit wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. Verzoekster krijgt daarom niet het griffierecht terug en ontvangt geen vergoeding voor haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Op grond het bepaalde in artikel 8:88 en Pro 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.In aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW),
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:967