ECLI:NL:RBMNE:2026:4029

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
16/268999-24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor stelselmatige mishandeling van minderjarige kinderen met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 7 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die samen met een medeverdachte haar twee minderjarige kinderen gedurende ongeveer één jaar stelselmatig mishandeld zou hebben. De mishandeling bestond uit fysieke en psychische geweldsuitingen, waaronder slaan met een koekenpan en vlakke hand, schoppen, het onthouden van eten, drinken en toegang tot de wc, opsluiting, en het beplakken van de mond met ducttape.

De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van deze mishandeling vanaf 1 augustus 2023 tot 19 augustus 2024. De verklaringen van de kinderen, ondersteund door getuigenverklaringen en chatberichten tussen de verdachte en medeverdachte, vormden het belangrijkste bewijs. Sommige gedragingen, zoals slaan met de vuist en bepaalde handelingen jegens het jongste kind, werden niet bewezen verklaard.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarbij werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met de kinderen. Tevens werd een 38v-maatregel opgelegd die een contactverbod met de medeverdachte inhoudt. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de kinderen, deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard wegens complexiteit, met een BEM-clausule ter bescherming van de minderjarige belangen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met contactverboden en schadevergoedingen aan de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/268999-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1989] in [plaats 1] ,
verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 2] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. M. Landsman (hierna: de advocaat);
  • de officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;
  • mr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:
in de periode van 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en/of [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken.
De advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt daarom de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024.
Daarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken van het slaan met een koekenplan en het slaan met de vuist, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Tot slot verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de armen meeslepen en/of armen verdraaien, door urine heen trekken, afplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres 2] in [plaats 3] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar [verdachte] (hierna: de verdachte) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1 (voornaam)] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2 (voornaam)] ). [slachtoffer 1 (voornaam)] is volledig naakt en [slachtoffer 2 (voornaam)] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood. De kinderen zijn vervolgens gehoord door de politie.
Gedragingen
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de advocaat van verdachte dat er onvoldoende en wettig bewijs is voor het slaan met de koekenpan. Het is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.
Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, het stelselmatig mishandelen van haar kinderen [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en/of douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [medeverdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [medeverdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt.
Als ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten ze in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en dat zij werden opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.
Partiele vrijspraak
Slaan met de vuist van [slachtoffer 1 (voornaam)] en/of [slachtoffer 2 (voornaam)]
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1 (voornaam)] en/of [slachtoffer 2 (voornaam)] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.
Gedragingen ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)]
Daarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de handen/armen meeslepen en/of armen (ver)draaien, door eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank volgt dit verweer. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs nu [slachtoffer 2 (voornaam)] zelf hier niets over verklaart en dit ook niet uit enige andere verklaring blijkt. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken.
Periode
De advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
[slachtoffer 1 (voornaam)] is op 21 augustus 2024 verhoord. Tijdens dit verhoor verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] onder meer dat zijn moeder vroeger als ze boos was wel eens sloeg met een koekenpan of hen onder de koude douche zette. Wanneer de politie vraagt wanneer ‘vroeger’ was, verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] dat dit wel een jaar geleden was en dat hij toen 9 jaar was. Ook verklaart hij dat dit allemaal thuis gebeurt sinds zijn vader gescheiden is in 2023 en dat het eigenlijk al een jaar zo is.
De verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] wordt ondersteund door de verklaringen van de juffen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in het schooljaar 2023/2024. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 2 (voornaam)] blijkt namelijk dat zij al vanaf oktober 2023 zorgen hadden over [slachtoffer 2 (voornaam)] . Zo was er sprake van veranderend gedrag. [slachtoffer 2 (voornaam)] was onrustig en was snel bozig. Ook had [slachtoffer 2 (voornaam)] vaak dezelfde kleren aan. [slachtoffer 2 (voornaam)] begon er vermoeid uit te zien en haar juf had de indruk dat ze wat vermagerde. Na de meivakantie in 2024 gaf [slachtoffer 2 (voornaam)] ook aan dat ze geen ontbijt kreeg naar school. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 1 (voornaam)] volgt ook dat er zorgen waren in het schooljaar 23/24. Zo viel aan het begin van het schooljaar externaliserend gedrag op en zag hij er vanaf september onverzorgd en niet schoon uit. Hij had vieze nagels en zijn haar zat niet in model. Ook verklaart zijn juf dat [slachtoffer 1 (voornaam)] vergeleken met 5 september 2024 (de dag waarop zij haar verklaring bij de politie aflegt) echt wel mager was en kringen onder zijn ogen had. Ook verklaart zij dat [slachtoffer 1 (voornaam)] dat schooljaar vaak dezelfde kleren aan. Begin maart 2024 heeft de juf ook gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] brood uit de tas van andere kinderen pakte en gaf [slachtoffer 1 (voornaam)] aan af en toe trek te hebben.
Gelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar kinderen stelselmatig heeft mishandeld vanaf 1 augustus 2023, zoals ten laste gelegd.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
in of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te
[plaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
haar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,
stelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)]
- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en
- te schoppen en
- aan zijn handen/armen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en
- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en/of met weinig kleding in huis rond
te laten lopen en
- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn
eigen ontlasting en/of urine (gedurende geruime tijd) op de grond en/of op de trap
te laten zitten en/of hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en/of
urine vervuilde kleding te laten verblijven en
- zijn eigen ontlasting en/of urine op te laten ruimen en/of door zijn eigen urine
heen te trekken en
- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en/of daarmee te bedreigen en
- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en
- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en
- als straf onder een koude douche te zetten en
- te kleineren en/of (zijn pijn) te negeren en/of en denigrerend en dwingend toe te
spreken en
- hem te onthouden van schoolgang;
en
haar kind, [slachtoffer 2] , geboren op [2017] ,
stelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2 (voornaam)]
- met vlakke hand te slaan en
- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en/of met weinig kleding in huis rond
te laten lopen en
- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar
eigen ontlasting en/of urine (gedurende geruime tijd) op de grond en/of op de trap
te laten zitten en/of haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en/of
urine vervuilde kleding te laten verblijven en
- haar eigen ontlasting en/of urine op te laten ruimen en
- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en
- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en
- als straf onder een koude douche te zetten en
- te kleineren en/of (haar pijn) te negeren en/of en denigrerend en dwingend toe te
spreken.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Medeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.
4.2.
Strafbaarheid feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 11 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met haar kinderen. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die niet langer is dan de duur van het voorarrest, aangevuld met een fors voorwaardelijk strafdeel. Indien noodzakelijk zou dit aangevuld kunnen worden met een onvoorwaardelijke taakstraf.
Daartoe voert de advocaat aan dat indien de rechtbank de verdediging volgt, de rechtbank tot een bewezenverklaring komt over een kortere periode dan ten laste is gelegd en één of meer feitelijkheden niet bewezen worden verklaard.
Ter onderbouwing van zijn verzoek wijst de advocaat ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is een first offender en heeft vanaf het moment dat de politie heeft ingegrepen haar verantwoordelijkheid genomen. Ze heeft openheid van zaken gegeven en is met zichzelf aan de slag gegaan. Zo werkt de verdachte onder meer mee aan een behandeling bij [instelling 2] . Ook merkt de advocaat op dat verdachtes kinderen niet meer onder haar gezag vallen en dat hier ook geen omgang of contact mee is. De verdachte heeft een sociale huurwoning die zij bij een langdurige detentie zal kwijtraken. Hetzelfde geldt voor haar baan.
Tot slot merkt de advocaat op dat er geen bezwaar is tegen een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] . Ten aanzien van de kinderen stelt de advocaat zich op het standpunt dat er geen aanleiding is die een dergelijk verbod noodzakelijk maakt nu contact altijd met tussenkomst van de instanties moet gebeuren.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft gedurende ongeveer één jaar stelselmatig haar kinderen mishandeld. De rechtbank acht bovendien bewezen dat sprake was van medeplegen van die mishandeling, in ieder geval gedurende de periode vanaf 22 januari 2024 tot 19 augustus 2024.
De mishandeling van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2 (voornaam)] en [slachtoffer 1 (voornaam)] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1 (voornaam)] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan, waarna zij vervolgens in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilde kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.
De verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geborgen hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.
De gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog iedere dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1 (voornaam)] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2 (voornaam)] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook iedere dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen, moet nog blijken.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.
Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 21 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog [A] . Uit het onderzoeksrapport van de psycholoog blijkt onder meer dat bij de verdachte tekortkomingen zijn geconstateerd, maar geen psychische stoornis aanwezig is en ook niet was ten tijde van het tenlastegelegde feit. De psycholoog acht de verdachte geheel toerekeningsvatbaar en adviseert haar het tenlastegelegde, indien bewezen verklaard, toe te rekenen. Tot slot wordt er geen advies voor behandeling gegeven.
Verder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van [instelling 1] van 11 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] . Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico op korte termijn als laag inschat. Als delictgerelateerd en als risicofactoren die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit vergroten, ziet de reclassering het psychosociale functioneren van de verdachte, het contact met de medeverdachte en de zorgtaak over haar kinderen. De verdachte is inmiddels uit het ouderlijk gezag gezet. Dit verlaagt de recidivekans aanzienlijk. Daarnaast heeft de verdachte haar leven in praktische zin op orde en werkt zij mee aan de bijzondere voorwaarden die haar in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis zijn opgelegd, waaronder de behandelverplichting. Hoewel de risico's vanwege haar huidige persoonlijke omstandigheden op dit moment laag lijken, kan de reclassering het risico op de langere termijn niet inschatten, omdat het afhangt van hoe de verdachte haar persoonlijke omstandigheden er dan uitzien. Zoals of er (stief)kinderen in haar leven zijn en hoe het met haar beïnvloedbaarheid en met haar vaardigheden gesteld is na de behandeling bij [instelling 2] .
De reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
  • Meldplicht;
  • Ambulante behandeling;
  • Contactverbod met haar kinderen.
De reclassering schat in dat er een langer dan gebruikelijk toezicht nodig is om de behandeling af te kunnen ronden en om eventuele risico’s op de langere termijn te monitoren. Gelet hierop adviseert de reclassering een langer dan gebruikelijke proeftijd.
Strafkader
Vanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte en haar slachtoffers als de maatschappij.
Naast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Conclusie
Alles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het
bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van veertien (14) maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vier (4) maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling en zich houdt aan een contactverbod met haar kinderen.
Deze straf is langer dan de gevangenisstraf die aan de medeverdachte wordt opgelegd. De reden hiervoor is onder meer dat bij de medeverdachte een aanzienlijk kortere periode bewezen is verklaard dan bij de verdachte en het feit in verminderde mate kan worden toegerekend aan de medeverdachte.
Dadelijk uitvoerbaar
De rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.
38v-maatregel
De rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.
De rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partijen
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Namens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Reeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;
Toekomstige kosten bijles: € 5.400,-;
Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;
Verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.
De immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;
Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Namens [slachtoffer 2] heeft haar vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;
Verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.
De immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;
Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, omdat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting is van het strafproces. Het gaat om omvangrijke vorderingen, die slechts twee werkdagen voorafgaand aan de zitting zijn ingediend. De verdediging heeft onvoldoende voorbereidingstijd gehad.
Subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de posten ‘toekomstige kosten bijles’ en ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’. Dit zijn posten die een mogelijk deskundigenoordeel of externe informatie behoeven om juist te kunnen beoordelen.
Ten aanzien van de immateriële deel stelt de advocaat zich op het standpunt dat bij toewijzing de pleegperiode die bewezen wordt verklaard, verdisconteerd moet worden in de gevorderde bedragen, die van een andere begindatum uitgaan.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert in verband met de late indiening van de vorderingen. De wet biedt de mogelijkheid aan een benadeelde partij om zich tot het moment van het requisitoir te voegen. De vorderingen zijn op 19 juni 2026 ingediend voor de inhoudelijke behandeling op 23 juni 2026. De vorderingen zijn in die zin tijdig ingediend.
Dit betekent dat de benadeelde partijen ontvangen kunnen worden in hun vorderingen
De rechtbank zal bij de verdere beoordeling van de verschillende onderdelen van de vordering voor ogen houden dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, en dat dat meebrengt dat de rechtbank zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan zijde van verdachte niet zo is, of eigen onderzoek van rechter naar toewijsbaarheid van vordering daarvoor voldoende compensatie biedt. (HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644).
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
a.
Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.
Reeds gemaakte kosten bijles;
Toekomstige kosten bijles;
Verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.
De rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.
De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
De Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.
Gelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.
Veroordeling in de kosten van de benadeelde partij
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Materiële schade
a.
Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.
Verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.
De rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.
De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
De Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.
Gelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.
Veroordeling in de kosten van de benadeelde partij
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
  • veroordeelt de verdachte tot
  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat van de gevangenisstraf
- stelt daarbij een
proeftijd van drie (3) jarenvast;
- stelt als
algemene voorwaardendat de verdachte:
 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte:

Meldplicht Reclassering
De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [instelling 1] op het adres [adres 3] in [plaats 3] ;

Ambulante behandeling
De verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en de beïnvloedbaarheid. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

Contactverbod
De verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering
dadelijk uitvoerbaarzijn;
38v-maatregel
  • legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;
  • beveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1983] ;
  • beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel
  • beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]
  • wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);
  • veroordeelt de verdachte
 over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;
indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de
 over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;
- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 92 dagen
gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
  • bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);
- veroordeelt de verdachte
hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
 over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;
indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de
 over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;
- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling
aan te vullen met 93 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
  • bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een
Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te
Utrecht, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en/of [slachtoffer 2] ,
geboren op [2017]
stelselmatig
heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)]
- met een koekenpan en/of met vlakke hand en/of vuisten te slaan (zie o.a. p. 228,
239, 965) en/of
- te schoppen (zie o.a. p. 240) en/of
- aan hun handen/armen mee te slepen en/of hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p.
239) en/of
- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en/of met weinig kleding in huis rond
te laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en/of
- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en/of (vervolgens) in hun
eigen ontlasting en/of urine (gedurende geruime tijd) op de grond en/of op de trap
te laten zitten en/of hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en/of
urine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en/of
- hun eigen ontlasting en/of urine op te laten ruimen en/of door hun eigen urine
heen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en/of
- met grijze ducttape hun mond te beplakken en/of daarmee te bedreigen (zie o.a.
p. 47, 142, 922) en/of
- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p.
500, 507) en/of
- gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en/of
- als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en/of
- te kleineren en/of (hun pijn) te negeren en/of en denigrerend en dwingend toe te
spreken (zie o.a. p. 228, 500) en/of
- hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
De verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:
Ik had intensief contact met [medeverdachte (voornaam)] (
de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]). We hadden appcontact maar ook contact via Face time. Het was onze afspraak dat ik alles zou zeggen wat de kinderen zeiden en deden. Ik heb haar om advies gevraagd, vooral over het straffen van de kinderen. Ik luisterde naar het advies van [medeverdachte (voornaam)] . We gingen steeds meer straffen geven en de straffen werden steeds erger tot 19 augustus 2024.
Het klopt dat de kinderen niet naar de wc mochten en dat zij als zij op de grond plasten of poepten dit zelf moesten opruimen. Er zat een slot op de slaapkamerdeuren van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . De kinderen hebben maximaal één of twee dagen geen eten gekregen. Ze gingen wel eens zonder ontbijt naar school. Ik ben de kinderen gaan uitschelden.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
A: [medeverdachte (voornaam)] heb ook weleens gezegd, geef [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] een tik.
V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook?
A: Ja. [2]
V: Waar moesten ze zich uitkleden en naakt zitten?
A: Op de grond, thuis.
V: En waarom moesten ze dat?
A: Omdat ze straf hadden. [3]
V: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou?
A: De laatste tijd niet vaak.
V: Nee, maar wat is dat ongeveer?
A: Nou, bijna niet.Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht. [4]
O: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] eten uit de tassen pakte.
A: Ja.
V: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1 (voornaam)] honger had. En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1 (voornaam)] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1 (voornaam)] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen?
A: Ook. Maar dat was ook haar idee.
V: Wat was haar idee?
A: Om hem te straffen, zodat. Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen. [5]
Een proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres 2] in [plaats 3] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.
Ik zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [verdachte] .
Ik zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.
Uit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn:
[slachtoffer 1]
Geboren [2014] te [plaats 3]
[slachtoffer 2]
Geboren op [2017] . [6]
Toen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.
Ik zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1 (voornaam)] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1 (voornaam)] zeggen: "Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing. [7]
Een proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen.
A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet
plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen. [8]
V: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker?
A: Vaker.
A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche.
V: En wat deed ze dan?
A: Op mijn hoofd slaan.
A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder.
V: En je zei aan het begin dat was vroeger.
A: Ja. [9] V: En wat is vroeger dan?
A: Best wel een jaar geleden.
V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde?
A: 9.
V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker?
A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak.
V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband?
A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen.
A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten.
V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt?
A: Ja.
V: En is dat een keer gebeurd of vaker?
A: Vaker.
V: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat?
A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen.
V: Schoppen?
A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug.
V: En wat voel je dan?
A: Pijn alleen.
V: En hoe ze dat slaat dan?
A: Zo.
V: Met haar hand.
A: Ja. [10] V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee?
A: Met d'r voet.
V: Vertel me eens alles over het arm draaien.
A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo.
V: Wat voel je dan?
A: Dan doet het heel erg pijn.
V: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen?
A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt.
V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou?
A: Mijn hand.
V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen?
A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.
V: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen?
A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.
V: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water
mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over?
A: En niet plassen.
V: Vertel daar eens over?
A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond.
V: En is dat een keer gebeurd of vaker.
A: Heel vaak. Bijna elke dag. [11] V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag?
A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag.
A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.
V: En vertel eens over welke deur heb je het dan?
A: Mijn slaapkamerdeur. [12]
V: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder?
A: Ja, dan kregen we geen eten.
V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders?
A: Hele week geen eten.
V: En drinken?
A: Ook niet.
V: Geen water ook niet?
A: Nee.
V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan?
A: Mogen we ook niet.
V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch?
A: Dan doen we het op de grond.
V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet?
A: Dan moeten we het schoonmaken.
V: En hoe doe je dat schoonmaken dan?
A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje.
V: En hoe zit dat bij je zusje dan?
A: Ook.
V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna?
A: Dan moet ze het ook schoonmaken.
V: En hoe zit het dan met poep?
A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond. [13]
V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast.
A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed.
V: Moest je zo naar bed, in je nakie?
A: Ja.
V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast?
A: Eén (1) keer. [14]
V: En hoelang is dit al zo?
A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar. [15]
Een proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2 (voornaam)] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama (
de rechtbank begrijpt: de verdachte)jullie ging slaan?
A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond.
V: En verder?
A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets. [16] V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen.
A: Ja.
V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd?
A: Wel vaker.
V: En waar is dat dan gebeurd?
A: Bij ons thuis.
V: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he.
A: Ja.
V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd?
A: Ook vaker. [17]
V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he.
A: Ja.
V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan?
A: Zo.
V: Op je hoofd.
A: Ja zo.
V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders?
A: Altijd hetzelfde.
V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet?
A: Niet leuk.
V: Nee, waarom vind je dat niet leuk?
A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.
A: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet. [18]
V: [slachtoffer 1 (voornaam)] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1 (voornaam)] waarom hij in z'n blootje was.
A: Ja
V: En wat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] toen?
A: Omdat hij niet mocht aankleden.
V: Dat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] .
A: Ja.
V: En van wie mocht hij dan niet aankleden?
A: Van m'n moeder niet.
V: En hoe was het met jouw kleding dan?
A: Die was ook nat
V: En hoe kwam dat?
A: Omdat ik niet naar de wc mocht.
V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama?
A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag.
V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd?
A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden.
V: En wat zei mama toen?
A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.
V: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast?
A: Daarna nee en daarvoor.
A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1 (voornaam)] .
V: Maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1 (voornaam)] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord?
A: Dat had ik gehoord. [19] A: Dat tik van dat slaan.
V: Ok, want waarom sloeg mama jou dan?
A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken.
V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast?
A: Ook dat.
V: En hoe was dat met [slachtoffer 1 (voornaam)] ?
A: Wel een paar keer
V: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat?
A: Ja. [20]
Een proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [verdachte] en [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De telefoon (een Iphone 13) van verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [verdachte] ( [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ), hun gedragingen, hoe [verdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [verdachte] door [medeverdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [verdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [verdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [medeverdachte] . [21]
In de chats wordt benoemd door [verdachte] dat ze [slachtoffer 1 (voornaam)] sleept. De volgende chat illustreert dat [verdachte] [slachtoffer 1 (voornaam)] door zijn eigen urine heeft getrokken.
Een proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
22 januari 2024 [medeverdachte (voornaam)] wordt contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] .
Afspraak met hulpverlening dat [medeverdachte (voornaam)] de contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] wordt. Er wordt afgesproken dat [verdachte (voornaam)] contact met [medeverdachte (voornaam)] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [medeverdachte (voornaam)] [verdachte (voornaam)] gaat helpen om afspraken na te komen. [23]

Voetnoten

2.Pagina 965.
3.Pagina 978.
4.Pagina 979.
5.Pagina 984.
6.Pagina 43.
7.Pagina 44.
8.Pagina 238.
9.Pagina 239.
10.Pagina 240.
11.Pagina 241.
12.Pagina 242.
13.Pagina 243.
14.Pagina 244.
15.Pagina 245.
16.Pagina 226.
17.Pagina 227.
18.Pagina 228.
19.Pagina 229.
20.Pagina 230.
21.Pagina 482.
22.Pagina 514.
23.Pagina 736.