ECLI:NL:RBMNE:2026:3911

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/1112
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging zorg- en huurovereenkomst in Corporatiehotel niet toegerekend aan gemeente

Eisers verbleven sinds maart 2023 in het Corporatiehotel in afwachting van een eigen woning. Na het weigeren van een eenmalig woningaanbod en het intrekken van hun urgentieverklaring door Woningnet, beëindigde de Tussenvoorziening per brief van 28 juli 2025 hun zorg- en huurovereenkomst. Eisers maakten bezwaar bij het college, dat dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaarde omdat de brief niet van een bestuursorgaan afkomstig was.

Eisers voerden aan dat de opvang namens de gemeente was toegekend en dat het college daarom verantwoordelijk was voor de beëindiging. De rechtbank oordeelde echter dat de zorg- en huurovereenkomst een privaatrechtelijke overeenkomst is tussen eisers en de Tussenvoorziening, een stichting, en dat het college geen partij is. Er was geen sprake van een voorziening toegekend door of namens de gemeente, noch van maatschappelijke opvang of Wmo-indicatie.

Ook de toepassing van artikel 6:19 Awb Pro werd verworpen omdat er geen sprake was van een bestuursorgaan dat een besluit intrekt, wijzigt of vervangt tijdens een lopende bezwaarprocedure. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eisers kregen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de beëindiging van hun zorg- en huurovereenkomst wordt ongegrond verklaard omdat de brief niet aan het college kan worden toegerekend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1112

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. M.W.A. Notenboom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de opvang van eisers in het Corporatiehotel. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 22 december 2025 heeft het college het bezwaar van eisers tegen de brief waarin hun zorg- en huurovereenkomst wordt beëindigd en wordt medegedeeld dat zij moeten vertrekken uit de woning kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. Eisers en hun dochter verblijven in afwachting van een eigen woning sinds maart 2023 in het Corporatiehotel dat wordt uitgebaat door de Tussenvoorziening. Aan hen is in november 2024 een urgentie in de vorm van een eenmalig aanbod voor een woning toegekend door Woningnet. In juli 2025 hebben zij een woning aangeboden gekregen. Deze woning hebben zij geweigerd omdat zij deze ongeschikt vonden. Toen zij later op de avond aangaven de woning toch te willen accepteren, bleek deze al vergeven. Omdat zij recht hadden op een eenmalige woningaanbieding en zij de gedane aanbieding hebben geweigerd, is hun dossier bij Woningnet gesloten. Omdat er hierdoor geen perspectief meer bestond op uitstroom naar andere woonruimte heeft de Tussenvoorziening bij brief van 28 juli 2025 laten weten dat zij per 24 oktober 2025 de zorg- en huurovereenkomst met eisers beëindigen. Eisers moesten de woning dus verlaten. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze brief bij het college.
4. Bij brief van 27 oktober 2025 heeft Woningnet de eerder aan eisers verleende urgentie in de vorm van een eenmalig aanbod ingetrokken. Eisers hebben gesteld dat hun bezwaar tegen de brief van de Tussenvoorziening op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb mede is gericht tegen deze brief van Woningnet.
5. Het college heeft het bezwaar tegen de brief van de Tussenvoorziening van 28 juli 2025 bij besluit van 22 december 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De brief van de Tussenvoorziening is volgens het college namelijk niet afkomstig van een bestuursorgaan en daarom geen besluit [1] waartegen bezwaar mogelijk is. Verder is het college van mening dat geen sprake kan zijn van toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb. Het betreft namelijk geen situatie waarin een bestuursorgaan een besluit wijzigt, intrekt of vervangt terwijl er al bezwaar of beroep tegen loopt. Omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, komt het college niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar en evenmin aan een belangenafweging.
Wat vinden eisers
6. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college de brief van de Tussenvoorziening ten onrechte niet als een besluit in de zin van de Awb heeft aangemerkt. De opvang in het Corporatiehotel betreft naar hun mening opvang ofwel op grond van de Wmo ofwel op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid. Omdat de opvang namens de gemeente Utrecht is toegekend moet de beëindiging hiervan ook aan de gemeente zijn toe te rekenen. Het bezwaar is dan ook ten onrechte niet inhoudelijk behandeld. Ook vinden eisers dat het college ten onrechte artikel 6:19 Awb Pro niet van toepassing heeft geacht en wijzen zij er in dit kader op dat hun zogenaamde 6:19-brief nog voor de hoorzitting en in ieder geval binnen redelijke termijn na ontvangst van de stukken is ingediend.
Het oordeel van de rechtbank
7. Partijen verschillen van mening over de vraag of de brief van 28 juli 2025 toegerekend kan worden aan het college. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.
8. Bij brief van 28 juli 2025 heeft de Tussenvoorziening de bestaande zorg- en huurovereenkomst met eisers beëindigd. Deze zorg- en huurovereenkomst betreft een overeenkomst tussen de Tussenvoorziening, een stichting en daarmee een privaatrechtelijke rechtspersoon, en eisers. Het college is geen partij in of bij deze zorg- en huurovereenkomst. Eisers hebben tegen de beëindiging hiervan bezwaar wel bezwaar gemaakt bij het college. Hun stelling is namelijk dat de opvang namens de gemeente (Woningnet) was toegekend en de beëindiging daarvan daarmee ook aan de gemeente is toe te rekenen. Deze stelling van eisers slaagt naar het oordeel van de rechtbank echter niet. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de opvang in het Corporatiehotel namens de gemeente is toegekend. De enkele omstandigheid dat Woningnet (toen nog: het Vierde Huis) (wel) een eenmalige urgentieverklaring aan eisers had afgegeven, leidt hier in ieder geval niet toe. De rechtbank stelt verder vast dat zowel de Tussenvoorziening [2] als het college heeft aangeven dat eisers niet met een Wmo-indicatie bij de Tussenvoorziening verblijven en dat zij ook niet onder de maatschappelijke opvang vallen. Er is dan ook niet gebleken dat de verleende opvang op enige wijze als voorziening door of namens de gemeente is toegekend. Eiseres hebben hun stelling dat dit wel het geval is, niet onderbouwd. De verwijzing naar jurisprudentie [3] leidt ook niet tot een ander oordeel. In die zaken ging het wel om beëindiging van opvang die was verleend als maatschappelijke opvang of vanuit de bijzondere bijstand. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
9. Gelet op vorenstaande is er ook geen plaats voor toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb. Er is immers gelet op wat onder punt 8 is overwogen geen sprake van een situatie waarin een bestuursorgaan een besluit intrekt, wijzigt of vervangt tijdens een lopende bezwaar- of beroepsprocedure. Ook deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.
10. Het bezwaar van eisers is dan ook terecht kennelijk niet- ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgen zij geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie hiervoor de telefoonnotitie van het gesprek van 16 december 2025
3.Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 5 december 2019, HAA 19/2454 en van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2013:2365).