ECLI:NL:RBMNE:2026:3909

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6791
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Beleidsregel herziening, intrekking en terugvordering RDWI 2016Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging uitstel betaling en afwijzing kwijtschelding te veel ontvangen bijstand

Eiser ontving sinds 2016 een bijstandsuitkering die in 2022 werd ingetrokken vanwege een ontvangen erfenis waardoor zijn vermogen te hoog werd. De RDWI vorderde een bedrag van €79.126,99 terug, waarvoor een betalingsregeling met uitstel van betaling was getroffen. Na afloop van de beroepsprocedures beëindigde de RDWI deze regeling en eiste onmiddellijke betaling van het resterende bedrag.

Eiser voerde aan dat de betalingsregeling onvoorwaardelijk was toegezegd en dat de RDWI ten onrechte geen kwijtschelding toepaste bij betaling van 50% ineens. Ook stelde hij dat bijzondere omstandigheden zoals zijn slechte gezondheid en het ontbreken van pensioen onevenredige gevolgen veroorzaken.

De rechtbank oordeelde dat het uitstel van betaling tijdelijk en afhankelijk van de beroepsprocedures was en dat de RDWI het uitstel mocht beëindigen. De beleidsregel die kwijtschelding bij betaling van 50% mogelijk maakt, is een discretionaire bevoegdheid die hier niet van toepassing was omdat er geen reële verwachting was dat afkoop meer zou opleveren. De bijzondere omstandigheden van eiser wegen niet op tegen het belang van een goede besteding van gemeenschapsgeld.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit tot beëindiging van het uitstel van betaling en afwijzing van kwijtschelding is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6791

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Boer),
en

Het dagelijks bestuur van de RDWI, de RDWI

(gemachtigde: V.V. Tuchkova).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de invordering ineens van de te veel door eiser ontvangen bijstand en de afwijzing van zijn verzoek om (gedeeltelijke) kwijtschelding. Eiser is het er niet mee eens dat hij het resterende openstaande bedrag ineens moet betalen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 5 augustus 2025 heeft de RDWI aan eiser laten weten dat hij de restantvordering van de door hem te veel ontvangen bijstand ineens moet voldoen. Bij brief van 25 augustus 2025 heeft de RDWI daarbij ook aangegeven geen aanleiding te zien tot kwijtschelding in het geval dat een bedrag van 50% van de invordering in één keer wordt betaald. In het bestreden besluit van 2 september 2025 is de RDWI bij deze beslissingen gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de RDWI.

Beoordeling door de rechtbank

(Totstandkoming van) het bestreden besluit
3. Eiser ontving sinds 2016 een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Pw. Deze uitkering is in 2022 ingetrokken omdat eiser een erfenis had ontvangen en de hoogte van dit ontvangen erfdeel maakte dat eiser een te hoog vermogen had om nog recht te hebben een bijstandsuitkering. Ook is gelet op deze ontvangen erfenis een bedrag aan te veel ontvangen bijstand van € 79.126,99 van eiser teruggevorderd [1] . Voor dit bedrag was met eiser een betalingsregeling getroffen [2] en uitstel van betaling ineens verleend. Na afloop van de (hoger) beroepsprocedures heeft de RDWI bij brief van 5 augustus 2025 aan eiser laten weten dat deze betalingsregeling komt te vervallen. Dit omdat de betalingsregeling volgens de RDWI tijdelijk was en uit coulance was getroffen voor de duur van de beroepsprocedures omdat aan die procedure geen schorsende werking was verbonden. Aangezien eiser over voldoende middelen beschikt, ziet de RDWI geen reden om de betalingsregeling voort te zetten. Bij brief van 25 augustus 2025 heeft de RDWI besloten dat eiser geen verder uitstel van betaling ineens krijgt. Ook ziet de RDWI geen aanleiding om van verdere invordering af te zien na betaling van 50% ineens. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 28 oktober 2025 is de RDWI bij dit besluit gebleven.
Wat vindt eiser?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de eerder met hem getroffen betalingsregeling ten onrechte is beëindigd en moet worden voortgezet. Hij voert hiertoe aan dat de RDWI de regeling op eigen initiatief en onvoorwaardelijk aan hem heeft aangeboden op een moment dat zij al waren geïnformeerd over de omvang van de aan hem toekomende nalatenschap. Ook heeft de RDWI bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) [3] aangegeven tevreden te zijn over de regeling en heeft de Raad deze regeling betrokken bij hun oordeel. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de beleidsregel dat bij aflossing van tenminste 50% van de restsom ineens, de RDWI kan besluiten van terugvordering van de overige 50% af te zien. Eiser wijst er in dit verband op dat een medewerker van de RDWI hem voorafgaand aan de zitting bij de Raad heeft gewezen op deze mogelijkheid. Tenslotte heeft de RDWI naar de mening van eiser ten onrechte geen bijzondere omstandigheden aangenomen die maken dat de terugvordering ineens voor hem leidt tot onevenredige gevolgen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Beëindiging van de betalingsregeling
5. De rechtbank is van oordeel dat de RDWI het aan eiser verleende uitstel van betaling ineens en de daarbij getroffen betalingsregeling heeft mogen beëindigen. Hierbij is het volgende van belang.
6. De rechtbank stelt vast dat de RDWI bij brief van 25 augustus 2023 aan eiser heeft laten weten dat hij
uitstelvan betaling ineens en een betalingsregeling krijgt. Uitstel betekent de opschorting of verschuiving van iets tot een later tijdstip. [4] Eiser had gelet hierop kunnen en moeten weten dat deze regeling niet voor altijd zou zijn. Dat eiser er na deze brief vanuit is gegaan dat dit een onvoorwaardelijke en oneindige regeling zou zijn, komt dan ook voor zijn eigen en risico. De precieze omvang van de erfenis en de vraag of de RDWI hier voorafgaand aan de regeling van op de hoogte was, doet er daarbij niet toe. Er is immers niet gebleken dat de betalingsregeling afhankelijk was gesteld van de hoogte van de erfenis. De RDWI heeft er in dit verband op gewezen dat gebruikelijk is dat tijdens lopende juridische procedures waaraan geen schorsende werking is verbonden, coulant wordt omgegaan met dergelijke terugbetalingsregelingen. Er wordt dan ook niet gekeken naar de exacte omvang van het vermogen. Ook aan de omstandigheid dat de RDWI aan de Raad heeft laten weten content te zijn met de regeling, kan niet die waarde worden toegekend die eiser hieraan gehecht wil zien. Dat iemand op een enig moment tevreden is met een regeling, maakt nog niet dat dit voor altijd het geval zal zijn en evenmin dat daarmee geen sprake meer is van
uitstelvan de betalingsverplichting tot een later moment, maar van een onvoorwaardelijke betalingsregeling. Daarbij heeft de Raad de bestaande betalingsregeling weliswaar betrokken bij haar oordeel maar betreft dit niet de enige of dragende overweging. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Afzien van verdere terugvordering
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de RDWI geen aanleiding hoeven zien om af te zien van verdere terugvordering bij aflossing van 50% ineens. Hierbij acht de rechtbank van belang dat artikel 10, lid 2, onder d, van de Beleidsregel herziening, intrekking en terugvordering RDWI 2016 over kwijtschelding een kan-bepaling betreft. Daarin staat dat het bestuur
kanafzien van verdere terugvordering als een belanghebbende tenminste 50% van de restsom ineens aflost. Dit betreft echter de specifieke situatie dat er een reële verwachting bestaat dat afkoop van de uitkeringsschuld op deze manier meer oplevert dan wanneer de gebruikelijke incassoprocedures wordt gevolgd. Dit blijkt uit de toelichting op dat artikel [5] . Bij eiser is dit onbetwist niet het geval; het geld stond immers op zijn rekening. De RWDI heeft dan ook in lijn met haar beleid gehandeld door geen toepassing te geven aan dit artikel. Dat de RDWI de Raad in een intake-gesprek heeft gewezen op dit beleid, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat dit voorafgaand aan de zitting bij de Raad als schikkingsvoorstel aan eiser is aangeboden, leidt niet tot het oordeel dat de RDWI hier alsnog aan gehouden is. De door de RDWI beoogde afspraak is namelijk niet tot stand gekomen; eiser heeft zijn juridische procedure voortgezet en is niet op het voorstel ingegaan. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Onevenredige gevolgen
8. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat terugvordering voor hem leidt tot onevenredige gevolgen. De RDWI heeft dan ook ten onrechte niet afgezien van terugvordering. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat hij geen pensioen heeft en dat hij leeft van de rente over zijn spaargeld, zijnde het geld uit de erfenis. Ook heeft hij een slechte gezondheid.
9. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. Hierbij is van belang dat de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming is, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. [6] Het doel van het bestreden besluit is om uiteindelijk te komen tot een goede besteding van gemeenschapsgeld. Eiser heeft het geld voor handen en heeft hier geen recht op. De RDWI heeft dan ook kunnen concluderen dat het belang van een goede besteding van gemeenschapsgeld opweegt tegen de nadelige gevolgen die de terugvordering voor eiser heeft. Er si dan geen sprake van onevenredig nadelige gevolgen. De grond faalt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het beroep van eiser tegen dit besluit is bij uitspraak van 20 december 2023 (23/3610) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 15 april 2025 door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.
2.Eiser betaalde een bedrag van €100,- per maand.
3.In de procedure over de terugvordering.
4.Zie het Groot woordenboek der Nederlandse taal van Van Dale.
5.Zie hiervoor de toelichting op artikel 10 Kwijtschelding Pro bij de Beleidsregel herziening, intrekking en terugvordering Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI) 2016.
6.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2022:2207.