ECLI:NL:RBMNE:2026:3795
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en proceskosten bij geschil over woningwaarde in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning in Utrecht centraal. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €306.000,- voor het belastingjaar 2023, terwijl eiser een lagere waarde van €250.000,- bepleitte. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank de waarde van de heffingsambtenaar bevestigd op basis van een taxatiematrix met vergelijkbare woningen.
Eiser stelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht had gegeven in de waardering van de grondprijs en onvoldoende rekening had gehouden met de staat van onderhoud van de woning. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de grondstaffel correct had toegepast en dat de lagere m²-prijs in de taxatiematrix voldoende rekening hield met het voorzieningenniveau en onderhoud. Eiser had dit niet gemotiveerd onderbouwd.
Verder stelde eiser dat de heffingsambtenaar de verplichting tot het verstrekken van indexeringsgegevens op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ had geschonden. De rechtbank constateerde dat de heffingsambtenaar deze gegevens niet had verstrekt, maar dat dit gebrek in de beroepsfase kon worden gepasseerd omdat de taxatiematrix voldoende inzicht bood. Wel werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Ten slotte wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het financiële belang van eiser onvoldoende aannemelijk was gemaakt en de redelijke termijn met meer dan twee jaar was overschreden. De uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries op 26 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, terwijl het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.