ECLI:NL:RBMNE:2026:3786

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
16/283968-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 SrArt. 246 SrArt. 244 SrArt. 243 Sr (oud)Art. 247 Sr (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bijzonder kwetsbare positie bij seks met 17-jarige

Op 19 oktober 2025 vond een incident plaats waarbij de verdachte samen met een medeverdachte seksuele handelingen verrichtte met een 17-jarig meisje. De officier van justitie beschuldigde hen van verkrachting en aanranding in een bijzonder kwetsbare positie, waarbij dwang werd toegepast.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de verklaringen van het slachtoffer en het forensisch bewijs de seksuele handelingen bevestigen, niet kon worden vastgesteld dat het slachtoffer zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond. De rechtbank stelde vast dat de 17-jarige niet in een staat van geestelijke of lichamelijke onmacht verkeerde en ook niet in een situatie van afhankelijkheid zoals bedoeld in de wet.

De rechtbank benadrukte dat het slachtoffer weliswaar aangeschoten was, maar niet zo ver heen dat zij niet tot vrije wilsbepaling en -uiting in staat was. Ook was er geen sprake van een situatie waarin het slachtoffer geen andere realistische en acceptabele mogelijkheid had dan toe te geven aan de seksuele handelingen. De verdachte werd daarom vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd afgewezen wegens de vrijspraak, en de inbeslaggenomen auto werd teruggegeven aan de verdachte. De rechtbank benadrukte dat de zaak veel maatschappelijke aandacht had gekregen, maar dat het oordeel uitsluitend op het bewijs en de wet berustte.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor een bijzonder kwetsbare positie van het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/283968-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 9 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 30 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officieren van justitie: mr. G. Alagahgi en mr. F.E. Leeman (hierna: de officier van justitie);
  • de advocaat van de verdachte: mr. F.C.R. Keijzer (hierna: de advocaat);
  • de benadeelde partij: [aangeefster] (hierna: [aangeefster] );
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. M. Rotgans.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit primair
op 19 oktober 2025 in Nieuwegein samen met een ander [aangeefster] , die toen tussen de 16 en 18 jaar oud was, heeft verkracht, terwijl zij in een bijzonder kwetsbare positie verkeerde, namelijk in een situatie van afhankelijkheid en/of in een staat van lichamelijke onmacht en/of geestelijke onmacht, terwijl de verkrachting gepaard ging met dwang;
feit subsidiair
op 19 oktober 2025 in Nieuwegein samen met een ander [aangeefster] , die toen tussen de 16 en 18 jaar oud was, heeft aangerand, terwijl zij in een bijzonder kwetsbare positie verkeerde, namelijk in een situatie van afhankelijkheid en/of in een staat van lichamelijke onmacht en/of geestelijke onmacht, terwijl de aanranding gepaard ging met dwang.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Vrijspraak

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 48 maanden wordt opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast eist de officier van justitie een contact- en locatieverbod voor vijf jaar.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van zowel het primaire als het subsidiaire feit. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
In de nacht van 18 op 19 oktober 2025 komt [aangeefster] - toen 17 jaar oud - in een kroeg in IJsselstein in contact met de verdachte (47 jaar oud) en medeverdachte [medeverdachte] (44 jaar oud). De vriendinnen met wie [aangeefster] die avond naar de kroeg is gegaan, zijn al naar huis. [aangeefster] is als enige achter gebleven. Omdat ze aardig wat heeft gedronken, en omdat het al laat en koud is, ziet [aangeefster] het niet zitten om op de fiets terug naar haar huis in Nieuwegein te gaan. Ze zegt tegen de verdachte dat ze ook niet weet hoe zij thuis moet komen. De verdachte biedt haar daarop een lift naar huis aan.
Enige tijd later verlaten de verdachten, die eveneens onder invloed van alcohol zijn, met [aangeefster] de kroeg. Ze lopen naar de auto van de verdachte. De verdachte neemt plek achter het stuur. [aangeefster] en de medeverdachte nemen plaats op de achterbank en ze rijden naar de woning van [aangeefster] . Vlak voordat ze bij de woning van [aangeefster] aankomen, rijden ze langs de McDonalds en geeft [aangeefster] aan dat ze een McFlurry wil. De verdachte slaat daarop met zijn auto af naar de McDonalds. De McDonalds blijkt dicht te zijn. Omdat de medeverdachte moet plassen, parkeert de verdachte zijn auto op de parkeerplaats bij de McDonalds.
Terwijl de medeverdachte aan het plassen is, neemt de verdachte plaats in de deuropening naast [aangeefster] , achterin de auto. Er vindt vervolgens een kus plaats tussen de verdachte en [aangeefster] en de verdachte begint over het been en de vagina van [aangeefster] te wrijven. De medeverdachte komt terug. De verdachte maakt een grapje over een trio, waarna de laarzen, de broek en de onderbroek van [aangeefster] worden uitgetrokken en seksuele handelingen met [aangeefster] plaatsvinden. [aangeefster] verklaart dat zij zich hiertegen niet heeft verzet en ook niet (op een voor verdachten kenbare wijze) heeft aangegeven dat zij de seksuele handelingen niet wilde.
Uit camerabeelden blijkt dat de auto van de verdachte circa tachtig minuten op de parkeerplaats van de McDonalds staat. Op een gegeven moment beseft de medeverdachte dat hij zijn vrouw (weer) aan het bedriegen is, waarna hij er vloekend en tierend te voet vandoor gaat. De verdachte helpt [aangeefster] met aankleden en brengt [aangeefster] naar huis.
Kort na thuiskomst belt [aangeefster] een vriendin op. Ze is overstuur en zegt dat ze is verkracht door twee mannen. [aangeefster] gaat naar de woning van die vriendin. Die vriendin haalt [aangeefster] over om de politie te bellen. [aangeefster] zegt ook tegen de politie dat ze door twee mannen is verkracht.
Enkele dagen later worden de verdachten aangehouden. De verdachten hebben drie maanden vastgezeten in voorlopige hechtenis.
De onderhavige zaak heeft veel impact op de betrokkenen. Allereerst op [aangeefster] , die zegt dat de verdachten (twee veel oudere en grotere mannen) tegen haar wil seksuele handelingen met haar hebben verricht. [aangeefster] en haar ouders hebben op de zitting verteld wat de impact van deze gebeurtenis op hen is geweest en hoe zij hier de rest van hun leven last van zullen hebben.
De zaak heeft ook impact op de verdachten, van wie de levens door de beschuldiging van verkrachting van een minderjarige ook op de kop zijn komen te staan. In de media is veel aandacht geweest voor deze zaak en het feit dat twee oudere mannen seks hebben gehad met een minderjarig meisje in de nacht in een auto op een parkeerplaats, is voor veel mensen al reden genoeg om de verdachten op voorhand te bestempelen als verkrachters en seksuele roofdieren. Wat gebeurd is, roept woede op in de maatschappij, zeker gelet op de terechte aandacht die er tegenwoordig is voor de veiligheid van meisjes en vrouwen. Ook moreel valt er veel te vinden van wat er gebeurd is.
Het is de taak van de rechtbank om te beoordelen of de beschuldiging kan worden bewezen.
Het openbaar ministerie beschuldigt de verdachte er (
primair) van dat dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] (onder dwang) seksueel is binnengedrongen bij een meisje van 17 jaar, althans (
subsidiair) dat hij (onder dwang) samen met de medeverdachte seksuele handelingen heeft verricht met een meisje van 17 jaar, terwijl dat meisje zich in ‘een bijzonder kwetsbare situatie’ bevond als bedoeld in artikel 246 lid Pro 1, onderdeel b, respectievelijk artikel 245 lid Pro 1, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
De rechtbank hecht eraan om op te merken dat het niet per definitie strafbaar is om als meerderjarige man(nen) seks te hebben met iemand van 16 of 17 jaar. Het is - kort gezegd - wel strafbaar als diegene dat niet wilde, terwijl de ander dat weet of zich bewust is van die mogelijkheid en toch doorgaat (opzetverkrachting) of als er omstandigheden zijn waaruit de ander had moeten afleiden dat diegene het niet wilde, maar de ander er ten onrechte van uitgaat dat diegene wel seks wil (schuldverkrachting).
Echter dat is niet waar de verdachten van beschuldigd worden. In deze zaak gaat het niet om de vraag of [aangeefster] het wilde of niet en of de verdachten dat wisten of hadden moeten weten. Het gaat bij de onderhavige beschuldiging om de beoordeling van de vraag of [aangeefster] zich in ‘een bijzonder kwetsbare positie’ bevond als bedoeld in de artikelen 246 lid 1, onderdeel b, en 245 lid 1, onderdeel b, Sr. De rechtbank zal hierna in meer (juridisch) detail op deze punten ingaan.
Het uiteindelijke oordeel van de rechtbank is, hoewel de rechtbank [aangeefster] gelooft in wat zij heeft verteld over wat de verdachten hebben gedaan, dat zij niet bewezen acht dat [aangeefster] zich in zo’n
bijzonderkwetsbare positie bevond. Dat betekent dat het feit, zowel primair als subsidiair, niet is bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank legt hierna uit waarom.
3.3.2.
Welke seksuele handelingen zijn verricht en door wie?
De verklaring van [aangeefster] tegenover die van de verdachte
Zoals hiervoor al is benoemd, gelooft de rechtbank [aangeefster] in wat zij heeft verteld over wat de verdachten hebben gedaan. Haar verklaring daarover is betrouwbaar. Zij is twee keer door de politie gehoord en over relevante punten heeft ze consistent verklaard. Verder is ze eerlijk geweest over zaken die ze zich niet precies weet te herinneren en heeft ze zaken niet aangedikt. Dat maakt haar verklaring authentiek. Haar verklaring vindt ook steun in ander bewijs. Zo is er spermavloeistof afkomstig van de medeverdachte in haar vagina en anus aangetroffen. Dit ondersteunt haar verklaring dat er met de penis bij haar is binnengedrongen. Daarnaast is er sperma afkomstig van de verdachte aangetroffen op de mouw van het vest van de aangeefster. Dit strookt met haar verklaring dat de verdachte in de buurt van haar gezicht is klaargekomen, op haar mouw. Bovendien vindt de verklaring van de aangeefster steun in de verklaringen van de eerste verklaringen van de verdachte en de verklaringen van de medeverdachte. Beide verdachten bekennen een deel van de seksuele handelingen (van zichzelf en van elkaar) en die verklaringen komen grotendeels overeen met hoe de aangeefster het heeft beleefd.
Tegenover haar verklaring staat de verklaring van de verdachte. Hij heeft tijdens de eerste drie politieverhoren een deels bekennende verklaring afgelegd. Deze verhoren vonden plaats in het weekend direct na zijn aanhouding. Tijdens het vierde verhoor bij de politie, bijna drie maanden later, en op de zitting is de verdachte op deze verklaring teruggekomen. Volgens de verdachte is de eerste verklaring onjuist omdat deze verklaring tijdens die eerste drie politieverhoren in paniek en onder druk is gegeven. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij hierdoor alles op tafel wilde gooien en dat hij zichzelf hierdoor ‘niet heeft gespaard’. De verdachte heeft op de zitting verder verklaard dat het eerste weekend na zijn aanhouding ‘paniekvoetbal’ was, dat hij flitsen aan herinneringen aan elkaar heeft geknoopt tijdens de verhoren en dat het daardoor een onsamenhangend verhaal was en dat hij vindt dat hij heeft gelogen.
De rechtbank vindt het ongeloofwaardig dat de verdachte uit paniek, tegen de waarheid in, belastend over zichzelf zou verklaren. Al helemaal omdat de verklaring die volgt uit de eerste drie politieverhoren steun vindt in de verklaring van [aangeefster] en overig bewijsmateriaal (aangetroffen sperma op de mouw van het vest van [aangeefster] ). De rechtbank gaat dan ook uit van de in eerste instantie afgelegde verklaring.
Tussenconclusie
Op basis van de verklaring van de aangeefster, de aanvankelijke verklaringen van de verdachte, de verklaringen van de medeverdachte bij de politie en het forensisch onderzoek gaat de rechtbank er vanuit dat de seksuele handelingen zoals die in de beschuldiging staan, hebben plaatsgevonden.
Zoals hiervoor al is aangegeven is voor een bewezenverklaring van de beschuldiging echter vereist dat de aangeefster zich in een ‘bijzonder kwetsbare positie’ bevond.
3.3.3.
Juridisch kader
Het Openbaar Ministerie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met de medeverdachte [medeverdachte] seksuele handelingen heeft gepleegd met een 17-jarige, terwijl zij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond, namelijk in een staat van lichamelijke en/of geestelijke onmacht en/of een situatie van afhankelijkheid als bedoeld in de artikelen 246, eerste lid, onderdeel b, en 245, eerste lid, onderdeel b, Sr.
Volgens het Openbaar Ministerie maakt het feit dat [aangeefster] zich als 17-jarig meisje onder invloed van alcohol tussen de twee - veel oudere en grotere - verdachten op de achterbank van een auto op een wat afgelegen parkeerplaats bevond, dat zij zich in zo’n bijzonder kwetsbare positie bevond. De rechtbank ziet dat anders en licht dat hierna toe.
De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de invoering van de artikelen 245 en 246 Sr bij de Wet seksuele misdrijven en de positie van 16- en 17-jarigen daarin. Daarna zal de rechtbank uiteenzetten wat volgens haar moet worden verstaan onder ‘een bijzonder kwetsbare positie’ in de zin van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen, waarbij de rechtbank in het bijzonder zal ingaan op de begrippen ‘een staat van lichamelijke of geestelijke onmacht’ en ‘een situatie van afhankelijkheid’, en het begrip ‘kwetsbare positie’ onder de oude zedenwetgeving, om vervolgens uit te leggen waarom naar het oordeel van de rechtbank van een ‘bijzonder kwetsbare positie’ in het onderhavige geval geen sprake van is. Kort gezegd komt dat erop neer dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [aangeefster] zodanig onder invloed van alcohol was dat zij in een staat van geestelijke onmacht verkeerde, noch dat zij in een afhankelijke situatie verkeerde waar de artikelen 245 en 246, eerste lid, onderdeel b, Sr, bescherming voor bieden.
De invoering van de artikelen 245 en 246 Sr
De artikelen 245 en 246 Sr, waarop de onderhavige zaak is toegespitst, gelden sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven per 1 juli 2024. Met de Wet seksuele misdrijven werd beoogd de strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld te verruimen. [1] Ook werd beoogd de bescherming tegen seksueel geweld in lijn te brengen met de internationale verplichtingen, in het bijzonder die uit richtlijn 2011/93/EU en het Verdrag van Lanzarote. [2]
De artikelen 245 en 246 Sr zijn volgens de parlementaire geschiedenis de rechtsopvolgers van een aantal artikelen waarin verschillende vormen van seksueel misbruik van kinderen beneden de leeftijd van achttien jaren zijn strafbaar gesteld. Deze artikelen werden samengevoegd in twee nieuwe artikelen waarin seksueel misbruik onder bepaalde specifiek omschreven omstandigheden strafbaar werd gesteld onder de kwalificaties aanranding (artikel 245) en verkrachting (artikel 246) in de leeftijdscategorie 16 tot 18 jaar, deels in verband met bestaande internationale verplichtingen. [3]
Anders dan bij de misdrijven omschreven in de artikelen 240 tot en met 243 Sr is het niet relevant dat het slachtoffer de seksuele handelingen niet wilde: strafbaarheid ontstaat pas als sprake is van seksueel contact met 16- en 17-jarigen onder de in de artikelen 245 en 246 Sr omschreven bijzondere omstandigheden. Dat betekent dat iemand dus niet veroordeeld kan worden op basis van seksuele handelingen met iemand van 16 tot 18 jaar, alleen op basis van het feit dat het slachtoffer dat niet wilde. Sterker nog, het is mogelijk dat zich de situatie voordoet dat een slachtoffer de seksuele handelingen wel wilde, maar vanwege zijn of haar bijzonder kwetsbare positie toch beschermd wordt door deze wetgeving, omdat die wil (mogelijk) gebrekkig tot stand is gekomen vanwege die positie. Kortom: of het slachtoffer het wilde of niet doet er voor een bewezenverklaring onder deze strafbepalingen niet toe. 16- en 17-jarigen hebben daarvoor de (generieke) bescherming van de artikelen 240 tot en met 243 Sr, [4] die bescherming bieden tegen ongewilde seks. [5] De artikelen 245 en 246 Sr zien uitsluitend op de in die bepalingen genoemde specifieke situaties waarin seksuele handelingen worden verricht met 16- of 17-jarigen.
De positie van 16- en 17-jarigen in de Wet seksuele misdrijven
In het strafrecht wordt uitgegaan van een ‘seksuele meerderjarigheid’ van personen bij het bereiken van een leeftijd van 16 jaar. Dat gold ook al voor de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven per 1 juli 2024. Kinderen vanaf 16 jaar worden in staat geacht om zelf te bepalen of zij, en zo ja, met wie zij seks willen hebben. Seksuele handelingen met personen beneden de leeftijd van 16 jaar zijn in de regel strafbaar. Vanaf 16 jaar staat het een persoon echter vrij om zelf invulling te geven aan zijn of haar seksuele leven. [6] Seksuele handelingen met personen vanaf 16 jaar zijn daarom in de regel juist niet strafbaar.
Hoewel personen vanaf 16 jaar dus worden gerekend tot ‘seksueel meerderjarigen’, voorziet de wet in bepaalde gevallen in bijzondere bescherming voor 16- en 17-jarigen. [7] Ook voor de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven voorzag de wet in deze gevallen al in vergelijkbare bescherming van 16- en 17-jarigen. [8] De wetgever acht (en achtte) het in specifiek omschreven gevallen noodzakelijk om een hogere leeftijdsgrens te hanteren dan die van de seksuele meerderjarigheid: dergelijke feiten zijn (en waren) ook strafbaar als ze worden begaan tegen 16- en 17-jarigen.
De artikelen 245 en 246 Sr voorzien in dergelijke specifiek omschreven gevallen waarin een hogere leeftijdsgrens geldt. Bij de toepassing van deze bepaling is de leeftijd van het slachtoffer geobjectiveerd. Dat wil zeggen dat het niet uitmaakt of de verdachte weet of moet weten dat het slachtoffer minderjarig is. [9]
De achtergrond en strekking van ‘een bijzonder kwetsbare positie’ in de artikelen 245 en 246, eerste lid, onderdeel b, Sr
Het Openbaar Ministerie heeft de beschuldiging in de onderhavige zaak als gezegd ingestoken op de artikelen 246 en 245, eerste lid, onderdeel b, Sr. Met deze bepalingen heeft de wetgever beoogd seksuele handelingen met 16- en 17-jarigen in een bijzonder kwetsbare positie strafbaar te stellen. [10]
Voor de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven voorzag artikel 248, derde en vierde lid, Sr (oud) in strafverzwaringsgronden als bij seksuele misdrijven misbruik werd gemaakt van de kwetsbare positie van een kind onder de 16 respectievelijk onder de 18 jaar.
Met artikel 248, derde en vierde lid, Sr (oud) en de artikelen 245 en 246, eerste lid, onderdeel b, Sr werd uitvoering gegeven aan de artikelen 3, vijfde lid, onder ii, [11] en artikel 9, onder a [12] , van de richtlijn 2011/93/EU en het artikel 18, eerste lid, onderdeel b, derde gedachtestreepje van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Trb. 2008, 58) (hierna: het verdrag van Lanzarote). [13]
De artikelen 245 en 246, eerste lid, onderdeel b, Sr bepalen dat het verrichten van seksuele handelingen met respectievelijk het seksueel binnendringen van het lichaam van een 16- of 17-jarige strafbaar is
“indien het feit wordt begaan jegens een kind in een bijzonder kwetsbare positie, waaronder in ieder geval wordt verstaan een bijzonder kwetsbare positie ten gevolge van een psychische stoornis dan wel verstandelijke of lichamelijke handicap, een situatie van afhankelijkheid of een staat van lichamelijke of geestelijke onmacht”.
De opsomming van gevalstypen waarin sprake is van een bijzonder kwetsbare positie is volgens de wetstekst (‘waaronder’) niet limitatief: er zijn volgens de wetgever andere situaties denkbaar waarin een 16- of 17-jarige in zo een bijzonder kwetsbare positie verkeert, dat het hebben van seksueel contact leidt tot strafbaarheid.
Niet vereist is dat de 16- of 17-jarige door de verdachte in de bijzonder kwetsbare positie is gebracht. Wel is vereist dat de verdachte weet van de bijzonder kwetsbare positie en dat die positie de verdachte niet van de seksuele handelingen heeft weerhouden. De seksuele handelingen vinden plaats in de laakbare wetenschap dat bij de 16- of 17-jarige als gevolg van de bijzonder kwetsbare positie waarin hij of zij zich bevindt, geen sprake kan zijn van een vrije wilsbepaling en/of vrije wilsuiting.
De beschuldiging in de onderhavige zaak is toegesneden op ‘een staat van lichamelijke of geestelijke onmacht’ en ‘een situatie van afhankelijkheid’. De rechtbank zal zich bij de verdere bespreking hiertoe beperken.

Staat van lichamelijke of geestelijke onmacht [14]
Van een bijzonder kwetsbare positie in de zin van de artikelen 245 en 246, eerste lid, onderdeel b, Sr is sprake ingeval van ‘een staat van lichamelijke of geestelijke onmacht’.
Onmacht ziet op een toestand waarin de weerloosheid van ‘binnenuit’ komt en iemand geen macht heeft over zijn ledematen. [15] Volgens de parlementaire geschiedenis gaat het bij lichamelijke onmacht om de aanwezigheid van een stoornis, handicap of aandoening als gevolg waarvan de ander niet of niet volledig in staat is tot wilsuiting omtrent het seksuele contact. Van geestelijke onmacht is sprake indien de ander zich in een toestand van slaap of bewusteloosheid verkeert of in een roes verkeert als gevolg van het gebruik van alcohol en/of drugs. [16]
De staat van onmacht wordt in de beschuldiging toegeschreven aan de invloed van alcohol. Het staat vast dat alcoholhoudende drank, eenmaal genuttigd, de bewustheidstoestand van een mens beïnvloedt. Maar niet ieder gebruik van alcoholhoudende drank is van dusdanige invloed op de bewustheidstoestand dat sprake is van lichamelijke of geestelijke onmacht. Pas als een persoon niet meer (voldoende) in staat is om zijn of haar wil te bepalen dan wel kenbaar te maken, kan - afhankelijk van de effecten van de alcohol - gesproken worden van een staat van lichamelijke of geestelijke onmacht.
Tot de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven was het op grond van artikelen 243 en 247 Sr (oud) strafbaar om seksuele handelingen te verrichten bij een persoon van wie hij/zij wist dat deze in staat van (onder meer) ‘verminderd bewustzijn’ verkeerde. Deze artikelen strekten ertoe de seksuele integriteit te beschermen van personen die daartoe zelf op een bepaald moment niet (meer) in staat waren. Bij de invulling van het begrip ‘verminderd bewustzijn’ kon gedacht worden:
“aan situaties waarin de persoon zich bevindt in een roes als gevolg van het innemen van alcohol of drugs. Het gaat niet om de situatie dat iemand geheel weg is. Het gaat om situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn in, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij weerstand biedt aan seksuele verlangens van een ander. De toestand van verminderd bewustzijn zal in de rechtspraktijk en jurisprudentie nadere uitwerking moeten krijgen.” [17]
Waar het om ging is dat een persoon in een toestand van “dronkenschap” niet meer of in onvoldoende mate zijn of haar wil kon bepalen en kenbaar kon maken of hij/zij wel of geen seks wilde. [18] Voor een bewezenverklaring moest aannemelijk zijn dat een slachtoffer “door het innemen van grote hoeveelheden alcohol” was “geraakt in een situatie van verminderde bewustzijnstoestand”. [19]
Uit de hiervoor besproken wetgeschiedenis volgt dat het voor de ‘staat van verminderd bewustzijn’ als bedoeld in artikelen 243 en 247 Sr (oud) niet voldoende was dat een persoon aangeschoten was (wat ook verstaan zou kunnen worden onder een “roes als gevolg van het innemen van alcohol”), maar dat sprake moest zijn van een staat van dronkenschap, waardoor de persoon in kwestie niet meer of in onvoldoende mate zijn of haar wil kon bepalen en kenbaar kon maken of hij/zij wel of geen seks wilde. Uit de op deze bepalingen gebaseerde rechtspraak blijkt dat een persoon (vrij) ver heen moet zijn (bijvoorbeeld niet goed meer in staat moet zijn om zelfstandig te kunnen lopen en niet meer goed kunnen praten), wil van een dergelijke staat gesproken kunnen worden. [20]
Het begrip ‘staat van verminderd bewustzijn’ is na de inwerkingtreding Wet seksuele misdrijven terug te vinden in het huidige artikel 244 Sr Pro. [21] Hoewel in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 245 en 246 een ander begrip wordt gebruikt, leidt de rechtbank nergens uit af dat de wetgever met de introductie van het begrip ‘een staat van geestelijke onmacht’ in de artikelen 245 en 246 Sr iets anders voor ogen heeft gestaan dan bij het begrip ‘staat van verminderd bewustzijn’ in de artikel 244 Sr Pro en de artikelen 243 en 247 Sr (oud).
De rechtbank sluit daarom voor de uitleg van het begrip ‘staat van geestelijke onmacht’ in de artikelen 245 en 246, eerste lid, onderdeel b Sr als gevolg van het gebruik van alcohol aan bij de hiervoor weergegeven invulling van het begrip ‘staat van verminderd bewustzijn’ als bedoeld in de artikelen 244 Sr en 243 en 247 Sr (oud). Wil sprake zijn van een staat van geestelijke onmacht als gevolg van het gebruik van alcohol, dan is vereist dat de persoon in een staat van dronkenschap verkeert (“ver heen moet zijn”); aangeschoten zijn is daarvoor onvoldoende.

Situatie van afhankelijkheid
Van een bijzonder kwetsbare positie in de zin van de artikelen 245 en 246, eerste lid, onderdeel b, Sr kan ook sprake zijn in een ‘situatie van afhankelijkheid’. In de parlementaire geschiedenis, [22] richtlijn 2011/93/EU en het verdrag van Lanzarote wordt geen nadere duiding gegeven aan ‘een situatie van afhankelijkheid’. [23] In het toelichtend rapport bij het Verdrag van Lanzarote [24] wordt aan dit begrip wel een nadere duiding gegeven. Daarin worden verschillende situaties onderscheiden waarin sprake is van een zodanige afhankelijkheid dat sprake is van een bijzonder kwetsbare positie. Het begrip ‘situatie van afhankelijkheid’ ziet volgens deze toelichting op situaties waarin een minderjarige geen andere mogelijkheid heeft dat zich te onderwerpen aan het misbruik. Dan kan het gevolg zijn van fysieke, emotionele, familie-gerelateerde, sociale of economische factoren. In het toelichtend rapport worden als voorbeelden genoemd: een onzekere of illegale (verblijfs)status, een situatie van economische afhankelijkheid of een kwetsbare gezondheidstoestand. In dergelijke situaties kan een kind met een seksuele relatie instemmen, terwijl zijn of haar bijzonder kwetsbare positie als gevolg van de situatie van afhankelijkheid aan het vermogen om die toestemming te weigeren in de weg staat. De begrippen ‘bijzondere kwetsbaarheid’ en ‘situatie van afhankelijkheid’ kunnen ook betrekking hebben op handelingen jegens kinderen in het kader van activiteiten van sekten, die worden gekenmerkt door fysiek en mentaal isolement van het kind, dat van de buitenwereld wordt afgesneden en zeer vaak aan uiteenlopende vormen van hersenspoeling wordt blootgesteld. Ook de situatie van alleenstaande minderjarige migranten kan onder dit begrip vallen, aldus het toelichtend rapport bij het Verdrag van Lanzarote.

Andere situaties waarin sprake is van een bijzonder kwetsbare positie
Zoals hiervoor al werd overwogen, is de opsomming van gevalstypen in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 245 en 246 Sr waarin sprake is van een bijzonder kwetsbare positie niet limitatief. Volgens de wetgever zijn ook andere situaties denkbaar waarin een 16- of 17-jarige in een zodanige bijzonder kwetsbare positie verkeert, dat het hebben van seksueel contact leidt tot strafbaarheid.
De rechtbank merkt op dat in het strafrecht een belangrijk uitgangspunt is dat rechtssubjecten van tevoren weten welke gedragingen strafbaar zijn, zodat zij hun gedrag daarop kunnen afstemmen (het legaliteitsbeginsel en het lex certa-beginsel). Alleen in een geval waarin evident sprake is van een bijzonder kwetsbare positie, van een vergelijkbaar niveau als de genoemde gevalstypen, kan naar het oordeel van de rechtbank sprake zijn van strafbaarheid.
Het begrip ‘kwetsbare positie’ onder de oude zedenwetgeving
Zoals hiervoor al werd overwogen, hadden minderjarigen - waaronder dus ook ‘seksueel meerderjarige’ 16- en 17-jarigen - in een kwetsbare positie voor de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven ook al een (meer) beschermde positie.
Artikel 248, vierde lid, Sr (oud) voorzag in de verhoging van het strafmaximum van gevangenisstraffen voor bepaalde seksuele misdrijven met een derde, indien het misdrijf werd begaan tegen een persoon beneden de leeftijd van achttien jaar bij wie misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt. Het derde lid van deze bepaling voorzag in eenzelfde verhoging van het strafmaximum van gevangenisstraffen voor bepaalde seksuele misdrijven begaan tegen kinderen onder de zestien jaar.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de lat voor het aannemen van een kwetsbare positie als bedoeld in artikel 248 Sr Pro (oud) hoog lag. Dat een 15-jarige schoolgaande jongen door een veel oudere man mee naar diens huis was genomen, was naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende om te kunnen spreken van een dergelijke kwetsbare positie. De Hoge Raad oordeelde in HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:486:
“2.4.1 Artikel 248 lid 3 Sr Pro bevat een strafverzwarende omstandigheid voor de daarin genoemde strafbare feiten, die alle zien op zedenmisdrijven gepleegd tegen minderjarigen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met die bepaling - ter implementatie van artikel 9 van Pro Richtlijn 2011/93 - is beoogd kinderen die in een kwetsbare situatie verkeren extra bescherming te bieden tegen het misbruik van die kwetsbare positie, waarbij bijvoorbeeld gedacht werd aan kinderen met lichamelijke of geestelijke beperkingen. Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat het feit is gepleegd tegen een minderjarige nog niet meebrengt dat ook deze strafverzwarende omstandigheid zich voordoet.
2.4.2
Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat het minderjarige slachtoffer in een kwetsbare positie als bedoeld in artikel 248 lid 3 Sr Pro verkeerde omdat hij nog naar school ging, hij door de verdachte is meegenomen naar diens huis en er sprake was van een groot leeftijdsverschil tussen hem en de verdachte, niet zonder meer begrijpelijk.”
3.3.4.
Geen bijzonder kwetsbare positie
Geen ‘bijzonder kwetsbare positie’ als gevolg van ‘een staat van lichamelijke of geestelijke onmacht’
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier en de behandeling ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat [aangeefster] zodanig onder invloed van alcohol was dat zij in een staat van geestelijke (laat staan lichamelijke) onmacht verkeerde. Zoals hiervoor werd overwogen, is voor een staat van geestelijke onmacht vereist dat een persoon zover heen is, dat die persoon niet meer in staat is tot vrije wilsbepaling en/of vrije wilsuiting.
Vast staat dat [aangeefster] onder invloed van alcohol was voorafgaand aan en ten tijde van de seksuele handelingen. Dit blijkt uit haar eigen verklaring over hoeveel zij had gedronken en de verklaring van de verdachten dat zij alle drie flink aangeschoten waren. Een van de redenen dat [aangeefster] tegen de verdachte had gezegd dat ze niet wist hoe ze thuis moest komen, was dat ze had gedronken (daarnaast was ze alleen, was het nacht en was het koud buiten).
De rechtbank ziet echter onvoldoende aanwijzingen voor een staat van geestelijke onmacht als gevolg van het gebruik van alcohol. Op de beelden van het café en van buiten op straat is te zien dat [aangeefster] zelfstandig loopt. Verder blijkt uit haar verklaring dat ze zelfstandig in de auto is gestapt, dat ze zich de gereden route goed kan herinneren, evenals de in de auto gevoerde gesprekken. Ze heeft de verdachten bovendien zelf gevraagd om af te slaan naar de McDonalds om een McFlurry te halen. Daar komt bij dat de getuige, naar wie [aangeefster] vrijwel direct toe is gegaan nadat zij bij haar huis was afgezet door de verdachte, en de verbalisanten die haar kort daarna hebben gesproken, niets verklaren over een dronken toestand van [aangeefster] . De rechtbank merkt op dat de officier van justitie in haar repliek expliciet heeft opgemerkt dat [aangeefster] aangeschoten was. Zoals uit het voorgaande blijkt is een aangeschoten toestand onvoldoende in voor ‘een staat van geestelijke onmacht’.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat [aangeefster] zo ver heen was dat ze niet of onvoldoende in staat was tot vrije wilsbepaling en/of vrije wilsuiting, dat zij verkeerde in een staat van geestelijke (of lichamelijke) onmacht.
Geen ‘bijzonder kwetsbare positie’ als gevolg van ‘een situatie van afhankelijkheid’
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [aangeefster] op de achterbank van de auto tussen de twee oudere en grotere verdachten op de parkeerplaats van de McDonalds in ‘een situatie van afhankelijkheid’ verkeerde, als bedoeld in de artikelen 246 en 245, eerste lid, onderdeel b, Sr.
Uit het voorgaande volgt dat ‘een situatie van afhankelijkheid’ zich voordoet wanneer een 16- of 17-jarige geen andere realistische en acceptabele mogelijkheid heeft dan toegeven aan het seksueel misbruik. Deze afhankelijkheid kan als gezegd voortvloeien uit psychische, emotionele, familie-gerelateerde, sociale of economische factoren. Bij ‘een situatie van afhankelijkheid’ moet worden gedacht aan een onzekere of illegale (verblijfs)status, economische afhankelijkheid, een kwetsbare gezondheidstoestand of lidmaatschap van een sekte. [25] Gelet op de genoemde voorbeelden is de drempel om te spreken van een situatie van afhankelijkheid relatief hoog.
Dat die drempel hoog ligt, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het feit dat ‘een situatie van afhankelijkheid’ zich op een vergelijkbaar niveau van bijzondere kwetsbaarheid moet bevinden als de andere in de wetsbepalingen genoemde gevalstypen, zoals dat een 16- of 17-jarige te kampen heeft met een psychische stoornis dan wel een verstandelijke of lichamelijke handicap. Voor het aannemen van een hoge drempel ziet de rechtbank ook aanleiding in HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:486, waarin als gezegd het feit dat een 15-jarige schoolgaande jongen zich in de woning van een veel oudere man bevond, onvoldoende was om een kwetsbare positie aan te nemen.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de situatie van [aangeefster] niet aan deze hoge drempel.
De situatie van [aangeefster] is niet aan te merken als een ‘bijzonder kwetsbare positie’ ten gevolge van een ‘situatie van afhankelijkheid’, waarvoor artikelen 245 en 246, eerste lid, onderdeel b Sr, in het leven is geroepen.
Daarbij komt dat de rechtbank ook niet kan vaststellen dat [aangeefster] zich feitelijk in een situatie bevond waarin ze geen andere realistische en acceptabele mogelijkheid had dan toegeven aan de seksuele handelingen.
De rechtbank gaat er niet vanuit dat de verdachten een vooropgezet plan hadden om met [aangeefster] naar de parkeerplaats van de McDonalds te rijden om daar seksuele handelingen met haar te verrichten. [aangeefster] kreeg een lift naar huis van de verdachten. Het was [aangeefster] die vlak voordat zij bij haar woning aankwamen, voorstelde om af te slaan naar de McDonalds om daar een McFlurry te halen. Daardoor kwamen zij, op circa vijftien minuten lopen van haar woning, op de parkeerplaats van de McDonalds terecht. De verdachten hebben verklaard dat als ze ook maar enigszins door hadden gehad dat [aangeefster] de seksuele handelingen niet wilde, ze waren gestopt. De verdachten hebben verklaard dat ze, toen ze merkten dat [aangeefster] moe en passief werd en ook aangaf dat ze naar huis wilde, meteen zijn gestopt. Dat de seksuele handelingen toen ook zijn gestopt kan op basis van het dossier ook worden vastgesteld. De medeverdachte heeft verklaard dat hij toen tot inkeer kwam (‘vloekend en tierend’) en direct daarna naar huis is gaan lopen. [aangeefster] en de verdachte bevestigen dit. Feitelijk gezien kan de rechtbank gelet op het voorgaande niet vaststellen dat zij geen andere realistische en acceptabele mogelijkheid had dan toegeven aan de seksuele handelingen.
De officier van justitie heeft nog aangevoerd dat de verdachte in zijn verhoor heeft verklaard dat hij zichtbare littekens op de benen van [aangeefster] heeft gezien. Dit zou bijdragen aan een situatie van afhankelijkheid omdat hij toen zou moeten hebben geweten dat sprake was van een kwetsbaar meisje. De verdachte heeft verklaard dat hij de littekens zag toen [aangeefster] zich aankleedde na de seksuele handelingen. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte deze littekens al voor of tijdens de seksuele handelingen zou hebben gezien. Daarnaast betekent het feit dat de verdachte littekens op haar benen heeft gezien niet automatisch dat daarmee een situatie van afhankelijkheid bestond, laat staan dat verdachte dat wist en daar misbruik van heeft gemaakt.
Ook geen andere situatie waarin sprake is van een bijzonder kwetsbare positie
Als gezegd betreffen de gevalstypen van een bijzonder kwetsbare positie in de artikelen 245 en 246, eerste lid, onderdeel b, Sr een niet-limitatieve opsomming. [26] Dit betekent dat ook andere situaties dan genoemd in de wet ook als een bijzonder kwetsbare positie kunnen worden gekwalificeerd.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak alle omstandigheden bij elkaar - als 17-jarige midden in de nacht in een aangeschoten toestand met twee grotere en oudere mannen in de auto op een parkeerplaats terechtkomen - weliswaar een beeld oproepen waar kan worden getwijfeld aan de verhoudingen en de wil van de minderjarige, maar daarmee is - gelet ook op het lex certa beginsel - nog geen sprake van een bijzonder kwetsbare positie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 245 en 246 Sr. De situatie waarin [aangeefster] zich bevond, is naar het oordeel van de rechtbank niet een situatie waartegen de wetgever met deze wetsartikelen heeft beoogd te beschermen, in het bijzonder gelet op de voorbeelden die in de wet en het toelichtende rapport op het Verdrag van Lanzarote worden genoemd. Daarvoor moet er meer aan de hand zijn.
3.3.5.
Conclusie
Nu niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [aangeefster] zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond, kan zowel het primaire als het subsidiaire feit niet bewezen worden en wordt de verdachte daarvan vrijgesproken. Aan de vraag of sprake is van extra strafwaardige begeleidende omstandigheden (dwang), wordt niet toegekomen, nu het gronddelict niet wettig en overtuigend bewezen is.
Tot slot wil de rechtbank benoemen dat op de zitting en in de media de verdachte, en met name ook de medeverdachte, zijn neergezet als seksuele roofdieren, die een jong meisje naar een afgelegen plek hebben gebracht om haar daar te verkrachten. De rechtbank herkent dit beeld op basis van het dossier en wat er op de zitting is gezegd niet.

4.Vordering tot gevangenneming

Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging, wordt de vordering tot gevangenneming afgewezen.

5.In beslag genomen voorwerpen

5.3.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen auto (Audi E-Tron 50) verbeurd moet worden verklaard, omdat het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd in deze auto heeft plaatsgevonden.
5.4.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om de auto terug te geven aan de verdachte.
5.5.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal gelasten dat de in beslag genomen auto wordt teruggegeven aan de verdachte, omdat hij wordt vrijgesproken van de beschuldiging.

6.Vordering benadeelde partij

6.3.
Vordering van de benadeelde partij
[aangeefster] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert een bedrag van € 28.891,- aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 6.491,- aan materiële kosten (reeds gemaakte en toekomstige zorgkosten voor therapie) en € 22.400,- aan immateriële schade, als gevolg van de beschuldiging.
6.4.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.5.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen immateriële schadebedrag flink gematigd moet worden, gelet op vergelijkbare uitspraken.
6.6.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging en dat betekent dat de strafrechter geen schadevergoeding kan toekennen aan een benadeelde partij. De benadeelde partij [aangeefster] is daarmee niet-ontvankelijk in haar vordering. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Op dit moment staat niet vast daarvoor kosten zijn gemaakt en daarom worden de kosten begroot op nihil.

7.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
vordering tot gevangenneming
- wijst de vordering tot gevangenneming af;
beslag
- gelast de teruggave van de Audi E-Tron 50 (G3608003) aan de verdachte;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster]
- verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, voorzitter, mr. N.P.J. Janssens en mr. M.J. Westerink, in tegenwoordigheid van mr. D. Kiestra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
De voorzitter en de oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit primair
hij op of omstreeks 19 oktober 2025 te Nieuwegein, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 2008) een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het meermalen kussen en/of likken van de vagina en/of borsten en/of nek en/of het lichaam van die [aangeefster] en/of
- het meermalen strelen en/of betasten van het lichaam en/of de vagina van die [aangeefster] en/of
- zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen en/of in de vagina en/of in de anus van die [aangeefster] te brengen en/of houden en/of op en neer te bewegen en/of
- zijn, verdachtes, penis bij de mond van die [aangeefster] te houden en/of
- het meermalen brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of in de anus van die [aangeefster] en/of
- aftrekken en/of betasten van zijn, verdachtes, penis in het bijzijn van die [aangeefster] en/of
- ejaculeren over het lichaam van die [aangeefster]
terwijl dit feit werd begaan jegens een kind in een bijzonder kwetsbare positie, te weten een situatie van afhankelijkheid en/of een staat van lichamelijke en/of geestelijke onmacht en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- die [aangeefster] in dronken toestand mee te nemen in de auto waardoor zij geen kant op kon en zichzelf niet meer kon verweren en/of
- naast die [aangeefster] op de achterbank komen te zitten en/of
- (vervolgens) die [aangeefster] te ontkleden en/of
- die [aangeefster] in de juiste houding te positioneren en/of
- die [aangeefster] wakker te houden en/of
- door te gaan met bovengenoemde (seksuele) handelingen terwijl die [aangeefster] meermalen aangaf dat ze naar huis wilde, in slaap viel en aldus een bedreigende situatie, in elk geval een zodanige situatie waarin die [aangeefster] zich niet aan de hierboven genoemde (seksuele) handeling(en) kon onttrekken, heeft doen ontstaan;
feit subsidiair
hij op of omstreeks 19 oktober 2025 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 2008) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het meermalen kussen en/of likken van de vagina en/of borsten en/of nek en/of het lichaam van die [aangeefster] en/of
- het meermalen strelen en/of betasten van het lichaam en/of de vagina van die [aangeefster] en/of
- zijn, verdachtes, penis bij de mond van die [aangeefster] te houden en/of
- aftrekken en/of betasten van zijn, verdachtes, penis in het bijzijn van die [aangeefster] en/of
- ejaculeren over het lichaam van die [aangeefster]
terwijl dit feit werd begaan jegens een kind in een bijzonder kwetsbare positie, te weten een situatie van afhankelijkheid en/of een staat van lichamelijke en/of geestelijke onmacht en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- die [aangeefster] in dronken toestand mee te nemen in de auto waardoor zij geen kant op kon en zichzelf niet meer kon verweren en/of
- naast die [aangeefster] op de achterbank komen te zitten en/of
- (vervolgens) die [aangeefster] te ontkleden en/of
- die [aangeefster] in de juiste houding te positioneren en/of
- die [aangeefster] wakker te houden en/of
- door te gaan met bovengenoemde (seksuele) handelingen terwijl die [aangeefster] meermalen aangaf dat ze naar huis wilde, in slaap viel en aldus een bedreigende situatie, in elk geval een zodanige situatie waarin die [aangeefster] zich niet aan de hierboven genoemde (seksuele) handeling(en) kon onttrekken, heeft doen ontstaan.

Voetnoten

1.Met de Wet seksuele misdrijven is beoogd de drempel voor strafbaarheid wegens aanranding en verkrachting te verlagen. De strafrechtelijke aansprakelijkheid is aangescherpt. Bij de schulddelicten ontstaat strafbaarheid als seksuele handelingen worden verricht terwijl iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij de ander de wil hiertoe ontbreekt. Bij de opzetdelicten is iemand strafbaar als diegene seksuele handelingen verricht in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het gebruik van dwang, geweld of bedreiging is geen voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar een strafverzwarende delictsvorm van de opzetdelicten. Van wetenschap van een ontbrekende wil kan ook sprake zijn ingeval van een passieve opstelling van de ander in reactie op de seksuele toenadering. Bijvoorbeeld als de ander wegdraait, niet beweegt, zich stil houdt of lichamelijk bevriest of verstijft. Wanneer de ander bij seksuele toenadering geen teken van fysieke interactie vertoont en de initiator zet het seksuele contact toch voort, dan moet als regel worden aangenomen dat de initiator zich ervan bewust is dat een positieve wilsuiting bij de ander afwezig is en dit negeert dan wel voor lief neemt. Zie Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 15 en 17. De onderhavige zaak is door het openbaar ministerie niet ingestoken op het ontbreken van de wil bij [aangeefster] , maar op de bijzonder kwetsbare positie waarin zij als 17-jarige zou verkeren. Hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat bij [aangeefster] de wil tot de seksuele handelingen (in elk geval vanaf enig moment) ontbrak, is dat dus niet de kwestie waar de rechtbank zich op moet richten. De rechtbank moet beoordelen of er sprake was van een bijzonder kwetsbare positie door een ‘een staat van lichamelijke en/of geestelijke onmacht’ of ‘een situatie van afhankelijkheid’.
2.Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 33.
3.Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 88.
4.Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 89.
5.Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 24.
6.Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2001-2002, 27 745, nr. 6, p. 20; Kamerstukken II 2003-2004, 29 291, nr. 3, p. 14; Kamerstukken II 2008-2009, 31 808, nr. 3, p. 10.
7.Zo zijn op grond van het eerste lid van de artikelen 245 en 246 Sr seksuele handelingen met 16- en 17- jarigen strafbaar, indien het gaat - kort gezegd - om seksuele handelingen met een eigen kind (onderdeel a), seksuele handelingen met een kind in een bijzonder kwetsbare positie (onderdeel b), seksuele handelingen waarbij misbruik wordt gemaakt van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, met gebruikmaking van giften of beloften van geld of goed of met misleiding (onderdeel c) en seksuele handelingen tegen betaling (onderdeel d). Artikel 245 Sr Pro voorziet in die gevallen in strafbaarstelling van aanranding van 16- en 17-jarigen; artikel 246 Sr Pro in die gevallen in strafbaarstelling van verkrachting (seksueel binnendringen) in die leeftijdscategorie.
8.Op grond van artikel 248 vierde Pro lid, onderdeel Sr (oud) was aanranding van kinderen in een kwetsbare positie tot de leeftijd van 18 jaar strafbaar. Op grond van artikel 248a Sr (oud) was het gebruik van verleidingsmiddelen strafbaar tot de leeftijd van 18 jaar. Op grond van 248b Sr (oud) was betaalde seks met personen tot 18 jaar strafbaar. Op grond van artikel 249 Sr Pro (oud) was ontucht strafbaar met een eigen minderjarig (met een leeftijd jonger dan de 18 jaar) kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte.
9.Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 73-74.
10.Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 23-24.
11.Artikel 3, vijfde lid, onder ii, van richtlijn 2011/93/EU luidt: “Het aangaan van seksuele handelingen met een kind, waarbij misbruik wordt gemaakt van de bijzonder kwetsbare situatie van het kind, in het bijzonder als gevolg van een geestelijke of lichamelijke handicap of een situatie van afhankelijkheid, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste acht jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste drie jaar indien het kind seksueel meerderjarig is”.
12.Artikel 9, onderdeel b, van de richtlijn 2011/93/EU luidt: “Voor zover de hierna genoemde omstandigheden niet reeds tot de wezenlijke bestanddelen van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten behoren, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende omstandigheden, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het nationale recht, kunnen worden beschouwd als verzwarende omstandigheden met betrekking tot de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde relevante strafbare feiten: a) het strafbare feit werd gepleegd een kind in een bijzonder kwetsbare situatie, zoals een kind met een geestelijke of lichamelijke handicap, in een toestand van afhankelijkheid of in een staat van lichamelijk of geestelijk onvermogen”.
13.Artikel 18, eerste lid, onderdeel b, derde gedachtestreepje van het Verdrag van Lanzarote bepaalt dat elke Partij de wetgevende of andere maatregelen neemt die nodig zijn om te waarborgen dat het aangaan van seksuele handelingen met een kind strafbaar worden gesteld, wanneer misbruik wordt gemaakt van de bijzonder kwetsbare situatie van het kind, met name vanwege een verstandelijke of lichamelijke handicap of een afhankelijkheidssituatie.
14.De onderhavige zaak is ingestoken op een bijzonder kwetsbare positie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 245 en 246. Een van de getalstypen die in deze bepalingen wordt genoemd is ‘staat van lichamelijke of geestelijke onmacht’. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het verrichten van seksuele handelingen met iemand van wie bekend is dat hij of zij in een staat van lichamelijke of geestelijke onmacht verkeert, sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven in de regel tot opzetverkrachting of opzetaanranding leidt. In het algemeen zal bij de persoon die overgaat tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander die in een toestand van geestelijke of lichamelijke onmacht verkeert, immers wetenschap bestaan van de afwezigheid van een vrije positieve wilsuiting, waarmee het opzet op het seksuele misdrijf in beginsel gegeven is. Het onvermogen tot vrije wilsuiting bij de ander wordt in een dergelijk geval bewust genegeerd door degene die het seksuele contact initieert. Zie Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 17. Zie ook artikel 244 Sr Pro. Zoals hiervoor al werd overwogen, is de onderhavige zaak niet gebaseerd op de ontbrekende wil.
15.Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 87.
16.Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 91. In artikel 9, onderdeel b, van richtlijn 2011/93/EU wordt ‘een staat van lichamelijk of geestelijk onvermogen’ als omstandigheid genoemd waarin sprake is van een bijzonder kwetsbare positie. In preambule 22 is te lezen dat in het kader van deze richtlijn onder lichamelijk of geestelijk onvermogen tevens het lichamelijk of geestelijk onvermogen dient te worden verstaan dat wordt veroorzaakt door de invloed van drugs en alcohol.
17.Kamerstukken I 2001-2002, 27 745, nr. 6, p. 22.
18.Kamerstukken I 2001-2002, 27 745, nr. 299b, p. 11.
19.Kamerstukken I 2001-2002, 27 745, nr. 6, p. 22.
20.Zie bijvoorbeeld recentelijk Hof Amsterdam 18 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1638; Hof 's-Hertogenbosch 20 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1345; HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:707; rechtbank Rotterdam 27 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2391.
21.Hierin is bepaald dat bij een persoon in ieder geval de wil tot seksuele handelingen ontbreekt indien diegene in een staat van (onder meer) verminderd bewustzijn verkeert.
22.In de memorie van toelichting wordt alleen opgemerkt dat er blijkens het WODC-onderzoek enige overlap lijkt te bestaan tussen de afhankelijkheidsrelatie in het kader van de in artikel 3, vijfde lid, onder i, van richtlijn 2011/93/EU bedoelde ‘erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed’ en de in artikel 3, vijfde lid, onder ii, van de richtlijn bedoelde afhankelijkheidsrelatie in het kader van de bijzonder kwetsbare situatie van het kind. Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 91.
23.Kamerstukken II 2022–2023, 36 222 (MvT), nr. 3, p. 91.
24.Explanatory Report to the Council of Europe Convention on the Protection of Children against
25.Explanatory Report to the Council of Europe Convention on the Protection of Children against Sexual Exploitation and Sexual Abuse, Lanzarote, 25.X.2007, p. 19.
26.De voorbeelden die worden genoemd zijn een psychische stoornis dan wel verstandelijke of lichamelijke handicap, een situatie van afhankelijkheid of een staat van lichamelijke of geestelijke onmacht.