ECLI:NL:RBMNE:2026:3745

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
11992947 \ AC EXPL 25-2708
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 sub a EEX-VoArt. 6:96 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

VvE-leden veroordeeld tot betaling achterstallige ledenbijdragen voor woning in Franse villawijk

De zaak betreft een vordering van een buitenlandse rechtspersoon, een Vereniging van Eigenaren (VvE), tegen twee woningeigenaren die een woning bezitten in een Franse villawijk. De VvE vordert betaling van achterstallige ledenbijdragen over de jaren 2024 en 2025, in totaal € 2.928,37. De gedaagden betwisten hun lidmaatschap en de bevoegdheid van de VvE om facturen te sturen.

De kantonrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat de gedaagden in Nederland wonen en dat Nederlands recht van toepassing is. Uit de koopakte blijkt dat de woningeigenaren van rechtswege lid zijn van de VvE. De stelling van gedaagden dat zij lid zijn van een andere vereniging wordt niet onderbouwd. Ook is de VvE bevoegd om ledenbijdragen te innen zonder een VvE-certificaat.

Verder is vastgesteld dat het terrein geen openbare ruimte is maar privéterrein van de VvE, waardoor de leden gezamenlijk de kosten moeten dragen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de vervaldatums van de facturen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen vanwege een onjuiste aanmaning. De vordering voor toekomstige ledenbijdragen wordt eveneens afgewezen wegens onzekerheid over het bedrag.

De gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstallige bijdragen, de wettelijke rente en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De VvE-leden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van achterstallige ledenbijdragen over 2024 en 2025, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11992947 \ AC EXPL 25-2708
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiseres],
gevestigd te [gemeente] in Frankrijk,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [plaats] ,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
procederend in persoon,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 november 2025 met producties 1 tot en met 10,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4,
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn eigenaar van een woning gelegen in een villawijk aangeduid als [...] dat ligt in [gemeente] in Frankrijk. [eiseres] is een vereniging die het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen die behoren tot de villawijk verzorgt. Hiervoor betalen de woningeigenaren een jaarlijkse ledenbijdrage. [eiseres] vordert betaling van twee facturen met een totaalbedrag van € 2.928,37 over de periode 1 januari tot en met 31 december 2024 en over de periode 1 januari tot en met 31 december 2025. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten de facturen verschuldigd te zijn, omdat zij volgens hen geen lid zijn van [eiseres] . Daarnaast stellen zij dat [eiseres] niet bevoegd is facturen te sturen en betwisten zij dat [eiseres] het beheer voert over het [...] .
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe.

3.De beoordeling

De Nederlandse rechter is bevoegd
3.1
Omdat [eiseres] een rechtspersoon is naar buitenlands recht en haar vordering een internationaal karakter heeft, moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
3.2
Op grond van artikel 3 lid 1 sub a EEX Pro-Vo (Verordening (EG) 44/2001) is de Nederlandse rechter bevoegd om over deze zaak te oordelen, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun woonplaats in Nederland hebben.
Het Nederlands recht is van toepassing
3.3
Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter
begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat
partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de ledenbijdragen betalen
3.4
[eiseres] vordert een totaalbedrag van € 2.928,37 aan ledenbijdragen. Zij stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als lid van [eiseres] verplicht is de jaarlijkse ledenbijdrage te voldoen. Over de periode 1 januari tot en met 31 december 2024 was de bijdrage € 1.446,38 en over de periode 1 januari tot en met 31 december 2025 was de bijdrage € 1.481,99 .
3.5
Uit de persoonlijke koopakte van [eiseres] (productie 3 bij dagvaarding) volgt dat alle woningeigenaren van de percelen uit [.] van rechtswege lid zijn van [eiseres] . Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] sinds 2006 woningeigenaren zijn van een woning in [.] . Zij zijn daarmee in beginsel van rechtswege lid van [eiseres] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren echter aan alleen lid te zijn van de vereniging [..] [.] . Dit verweer hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook al gevoerd in een eerdere procedure bij de Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:176) toen [eiseres] de ledenbijdrage over de periode 1 januari tot en met 31 december 2023 vorderde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De kanonrechter heeft toen in rechtsoverweging 3.4. overwogen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen stukken hebben overgelegd waaruit volgt dat [..] [.] een andere vereniging is dan [eiseres] . Dat hebben zij in deze procedure ook niet gedaan. Dat leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] lid zijn van [eiseres] .
3.6
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen daarnaast dat het bestuur (de heer [A] en de heer [B] ) van [eiseres] niet bevoegd is facturen te sturen, omdat [eiseres] geen gecertificeerde beheerder is. De kantonrechter volgt dit niet. Naar Nederlands recht hoeft [eiseres] geen VvE-certificaat te hebben om ledenbijdragen te kunnen innen. Dit verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gaat dan ook niet op.
3.7
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verder aan dat hun woning is gelegen in het publieke domein van de gemeente en zij buiten hun woning verder niets in privé dan wel in gemeenschap hebben aangekocht. Uit de brief van de burgemeester van [gemeente] (productie 1 bij dagvaarding) volgt echter dat [...] geen deel uitmaakt van de openbare ruimte, maar privéterrein is van [eiseres] . Het beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen, met uitzondering van de individuele woningen, valt dan ook onder [eiseres] . Dit is ook bepaald in artikel 1 en Pro 2 van de statuten. Hiervoor moet [eiseres] kosten maken, die de leden van [eiseres] volgens artikel 15 en Pro 16 van de statuten naar rato gezamenlijk dragen. Ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen dus in deze kosten moeten bijdragen. De vordering van [eiseres] zal dan ook worden toegewezen.
De wettelijke rente
3.8
[eiseres] vordert wettelijke rente [1] over het bedrag van € 2.928,37 vanaf 1 januari 2024. Vanaf dat moment waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] echter nog niet in verzuim met de volledige betaling. Zij zijn pas in verzuim met de betaling van de eerste factuur op 31 januari 2024, omdat toen de vervaltermijn van die factuur is verstreken. Met de betaling van de tweede factuur zijn zij in verzuim per 31 januari 2025. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.9
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
De vordering van de toekomstige jaarlijkse facturen wordt afgewezen
3.1
De vordering van de toekomstige, jaarlijkse facturen is niet toewijsbaar, omdat nog niet duidelijk is hoe hoog de ledenbijdrage in aankomende jaren gaat zijn.
De proceskosten
3.11
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,98
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.269,48
Hoofdelijkheid
3.12
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.928,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over:
- het bedrag van € 1.446,38, met ingang van 31 januari 2024,
- het bedrag van € 1.481,99, met ingang van 31 januari 2025,
telkens tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.269,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
69134

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.