ECLI:NL:RBMNE:2026:3733

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/16/591883 / HA ZA 25-214
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 7:681 BWArt. 7:686a BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen arbeidsovereenkomst; schending geheimhoudingsbeding niet bewezen; zakelijke e-mails naar privé mailadres wel tekortkoming

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 17 juni 2026 uitspraak gedaan in een civiele zaak tussen een schoonmaakbedrijf en een voormalig Operationeel Manager. De kern van het geschil betrof de kwalificatie van de arbeidsrelatie en vermeende schending van een geheimhoudingsbeding.

De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst, maar van een overeenkomst van opdracht. Dit oordeel was gebaseerd op een uitgebreide toetsing van de feitelijke omstandigheden en contractuele bepalingen, waarbij onder meer de zelfstandigheid van de werkzaamheden, de wijze van beloning en het ontbreken van gezag een rol speelden.

Verder stelde de rechtbank vast dat de eisende partij onvoldoende bewijs had geleverd voor overtreding van het geheimhoudingsbeding. Wel werd geoordeeld dat de gedaagde tekortgeschoten was door zakelijke e-mails naar zijn privé mailadres te sturen, wat in strijd was met de overeenkomst, maar hieraan was geen boete verbonden.

De vorderingen over en weer werden grotendeels afgewezen, met uitzondering van de betaling van een factuur voor de opzegtermijn en de proceskostenveroordelingen. Het bewijsbeslag werd niet opgeheven omdat de zaak nog niet in kracht van gewijsde was. De rechtbank wees ook vorderingen af die niet concreet waren onderbouwd, zoals onrechtmatige daad en schadevergoeding.

Uitkomst: Geen arbeidsovereenkomst; geen schending geheimhoudingsbeding; wel tekortkoming door zakelijke e-mails naar privé mailadres; betaling opzegtermijn toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/591883 / HA ZA 25-214
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.S. [G.] ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. K. Klaasen en mr. R.F. Feenstra.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] tevens vordering in incident ex. artikel 208, 194 en 195 Rv;
- de akte van [eiser] met productie 10 (beslagstukken);
- de conclusie van antwoord in incident tevens inhoudende een zelfstandige incidentele vordering tot inzage ex. 194 en 195 Rv van [gedaagde] ;
- de conclusie van antwoord inzake de zelfstandige incidentele vordering tot inzage ex 194 en 195 Rv van [eiser] ;
- het vonnis in de incidenten van 17 september 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [gedaagde] ;
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] ;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van [eiser] met vermeerdering eis en aanvullende producties;
- de akte van [gedaagde] met aanvullende producties.
1.2
Op 17 april 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. Namens [eiser] waren de heer [A] (indirect statutair bestuurder van [eiser] , hierna: ‘ [A] ’) en mevrouw [B] (adjunct-directeur, hierna: ‘ [B] ’) aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. R.S. [G.] . [gedaagde] was ook aanwezig en hij werd bijgestaan door mr. K. Klaasen en mr. R.F. Feenstra. Partijen en hun advocaten hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
1.3
Met partijen is besproken dat tijdens de mondelinge behandeling zowel de conventie als de reconventie inhoudelijk zou worden behandeld, ondanks het door [gedaagde] opgeworpen bevoegdheidsincident. [gedaagde] stelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, waardoor niet de rechtbank maar de kantonrechter exclusief bevoegd is om over de zaak te oordelen. Partijen hebben ingestemd met het voorstel van de rechtbank om pas in dit vonnis een oordeel te geven over de juridische kwalificatie van de relatie tussen hen, en de zaak gelijk af te doen, zodat niet nog een mondelinge behandeling hoeft te worden gepland wanneer zou blijken dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter.
1.4
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] heeft van 2 september 2024 tot en met 15 januari 2025 gewerkt voor [eiser] als Operationeel Manager. [eiser] is actief in de schoonmaakbranche. Op 16 januari 2025 heeft [eiser] de overeenkomst tussen partijen opgezegd. [eiser] vordert onder meer contractuele boetes, omdat [gedaagde] zijn geheimhouding zou hebben geschonden. [eiser] heeft in dat kader bewijsbeslag gelegd en inzage verkregen in de gegevensdragers van [gedaagde] . [gedaagde] voert verweer. Hij stelt zich daarnaast op het standpunt dat hij werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] vordert in reconventie onder meer betaling van loon. De rechtbank wijst de vorderingen over en weer grotendeels af. Het is niet gebleken dat [gedaagde] zijn geheimhouding heeft geschonden, en het is ook niet gebleken dat [gedaagde] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft wel zijn contractuele verplichtingen geschonden door zakelijke e-mails naar zijn privé mailadres te sturen, maar daaraan is geen boete gekoppeld.

3.De beoordeling

Rechtbank is bevoegd
3.1
[gedaagde] verzoekt verwijzing van de zaak naar de kantonrechter, omdat de kantonrechter exclusief bevoegd is om over zaken aangaande de arbeidsovereenkomst te oordelen (artikel 71 lid 2 jo Pro. 93 sub c en 94 lid 2 en 3 Rv).
3.2
De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat [gedaagde] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen. Hierna, bij de bespreking van de vorderingen in reconventie, wordt toegelicht hoe de rechtbank tot dit oordeel komt. Daarna zal de rechtbank de vorderingen in conventie beoordelen. Tot slot bespreekt de rechtbank de vorderingen met betrekking tot het bewijsbeslag.
RECONVENTIE
Tussen partijen heeft geen arbeidsovereenkomst bestaan
Stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst is niet tardief
3.3
Volgens [eiser] is de stelling van [gedaagde] , dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, tardief, want te laat ingenomen. De rechtbank is het daar niet mee eens. De overeenkomst tussen partijen is in januari 2025 opgezegd. [gedaagde] heeft in december 2025, in de conclusie van antwoord, voor het eerst het standpunt ingenomen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Dat is inderdaad laat. Maar, het staat een partij vrij om op ieder moment een standpunt in te nemen ten aanzien van de kwalificatie van de relatie tussen partijen, zolang de andere partij voldoende gelegenheid heeft om daar adequaat op te reageren. Het beginsel van hoor en wederhoor is daarvoor bepalend. Dit neemt niet weg dat in de wet wel termijnen zijn gekoppeld aan het inroepen van bepaalde rechtsgevolgen, zoals vernietiging van de opzegging of betaling van een transitievergoeding. [1] Of het innemen van het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst ook het beoogde effect heeft, staat daar dus los van.
3.4
[eiser] stelt daarnaast dat [gedaagde] in de procedure heeft erkend dat hij werkzaam was op basis van een overeenkomst van opdracht. In de conclusie van antwoord in het incident van 4 juni 2025 staat namelijk dat [gedaagde] op projectbasis werkt en dat het daarom wenselijk is dat hij op basis van een overeenkomst van opdracht werkt en niet in loondienst is. In de conclusie van antwoord van 24 december 2025 wordt vervolgens namens [gedaagde] het standpunt ingenomen dat men bij nadere beschouwing van mening is dat toch sprake is van een arbeidsovereenkomst. In feite komt [gedaagde] daarmee terug op wat eerder in de procedure is erkend.
3.5
Toch zal de rechtbank inhoudelijk moeten beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het gaat hier namelijk om een (dwingendrechtelijke) juridische kwalificatie en niet een feitelijke stelling. Artikel 154 Rv Pro, het wetsartikel waarin staat dat niet zonder meer kan worden teruggekomen op een gerechtelijke erkentenis, is hier dan ook niet van toepassing.
Toetsingskader kwalificatie arbeidsrelatie
3.6
Artikel 7:610 BW Pro omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst (dus onder leiding en gezag) van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet in de eerste fase door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. In deze fase is ruimte voor de partijbedoelingen en kan de maatschappelijke positie van partijen een rol spelen. In de tweede fase wordt beoordeeld of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet van belang of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Vervolgens moet een holistische weging worden gemaakt van alle relevante feiten en omstandigheden en (contra-)indicatoren die volgen uit de twee fasen. Als na de holistische weging het oordeel volgt dat de overeenkomst voldoet aan de wettelijke vereisten, wordt de overeenkomst tussen partijen gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst.
Overeengekomen rechten en verplichtingen
3.7
Op 1 juni 2020 heeft [gedaagde] zijn eenmanszaak [bedrijf 1] ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel. [gedaagde] is toen als zzp’er gaan werken voor [bedrijf 2] (hierna: ‘ [bedrijf 2] ’), de rechtsvoorgangster van [eiser] . De samenwerking tussen [bedrijf 2] en [gedaagde] is destijds, in september 2021, in een geschil geëindigd.
3.8
In december 2022 neemt [A] contact op met [gedaagde] . Hij biedt zijn excuses aan en partijen gaan met elkaar in gesprek, onder andere over een potentiële nieuwe samenwerking. Dat loopt op niets uit.
3.9
Een jaar later, in december 2023, neemt [gedaagde] contact op met [A] voor ‘een nieuwe start’. Dit keer biedt [gedaagde] zijn excuses aan en partijen raken weer in gesprek. In mei 2024 doet [gedaagde] een voorstel voor de invulling van een samenwerking. Hij wil wekelijks factureren als zzp’er en ook doorbetaling van vakantie- en feestdagen, een tankpas en een laptop om thuis te kunnen werken. Op 15 augustus 2024 deelt [A] een conceptovereenkomst met [gedaagde] via Whatsapp en op 27 augustus 2024 stuurt [B] de conceptovereenkomst per e-mail. In die overeenkomst staat niks over betaling van vakantie- en feestdagen, tankpas en een laptop om thuis te werken.
3.1
Op 2 september 2024 tekenen partijen vervolgens een overeenkomst met als titel ‘overeenkomst van opdracht’(hierna: de overeenkomst). Dat partijen bij aanvang een overeenkomst van opdracht hebben beoogd, staat vast.
3.11
In de overeenkomst is onder meer het volgende vastgelegd:
  • [bedrijf 1] verricht voor eigen rekening en risico werkzaamheden in facilitaire diensten.
  • [eiser] wenst voor het uitvoeren van werkzaamheden op operationeel gebied gebruik te maken van de diensten van [gedaagde] .
  • [gedaagde] zal de werkzaamheden naar eigen inzicht, deskundigheid en planning uitvoeren in overeenstemming met [eiser] .
  • Partijen wensen uitdrukkelijk geen arbeidsovereenkomst aan te gaan, dan wel een daarmee gelijkgestelde betrekking.
  • [eiser] zal een duidelijke taakomschrijving delen met [gedaagde] , waar [gedaagde] zich aan dient te houden en niet van af mag wijken.
  • De werkzaamheden worden fysiek op het hoofdkantoor in Utrecht verricht.
  • [gedaagde] deelt zijn werkzaamheden zelfstandig in, echter onder afstemming ervan met [eiser] , zodat in geval van samenwerking met anderen, deze optimaal zal verlopen.
  • [gedaagde] zal de werkzaamheden verrichten binnen de arbeidstijden van [eiser] , die lopen van 08.00 tot 17.00 uur.
  • De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan worden opgezegd met inachtneming van een maand opzegtermijn.
  • In geval van langdurige verhindering of overmacht van [gedaagde] , langer dan een week, zal de overeenkomst per direct worden beëindigd.
  • De werkzaamheden worden verricht binnen 4 werkdagen van 8 uur.
  • [eiser] betaalt een wekelijkse vergoeding van € 1.6750,-. Deze vergoeding is inclusief reiskosten. Reistijd en pauzes mogen niet als werktijd in rekening worden gebracht.
  • [gedaagde] ontvangt geen vergoeding reizen.
  • [gedaagde] dient iedere werkweek een opgave van gemaakte uren over de afgelopen week te verstrekken. [eiser] accordeert het aantal uren en naar aanleiding daarvan mag [gedaagde] een factuur sturen.
  • [eiser] betaalt dan binnen zeven dagen na factuurdatum.
  • [gedaagde] verklaart dat hij voor de uitvoering van de opdracht in bezit is van:
o inschrijving KvK als zelfstandig ondernemer;
o VAR-verklaring;
o verzekering voor langdurige arbeidsongeschiktheid;
o verzekering voor beroeps-/bedrijfsaansprakelijkheid;
o ongevallenverzekering.
  • Om reden van continuïteit en kwaliteit vindt gedurende de overeenkomst regelmatig overleg plaats tussen [eiser] en [gedaagde] over de voortgang en uitvoering van het werk.
  • [gedaagde] is aansprakelijk voor schade, ontstaan door zijn handelen, als deze is ontstaan door opzet, roekeloosheid en grove schuld van [gedaagde] . In dat geval is [gedaagde] voor schade aansprakelijk tot maximaal een bedrag van € 1.000.000,-.
3.12
Daarnaast bevat de overeenkomst een geheimhoudingsbeding en een verbod om bedrijfseigendommen toe te eigenen, mee naar huis te nemen of te kopiëren. Deze bedingen komen later in dit vonnis aan de orde.
3.13
In de praktijk is grotendeels uitvoering gegeven aan de overeengekomen rechten en verplichtingen. [gedaagde] heeft wekelijks gefactureerd voor de uitgevoerde werkzaamheden en [eiser] heeft de facturen betaald. [gedaagde] is op 15 januari 2025 op non-actief gesteld, want hij zou zich negatief hebben uitgelaten over [eiser] en [A] . Op 16 januari 2025 is de overeenkomst door [eiser] opgezegd. Bij de opzegging heeft [gedaagde] zich vervolgens neergelegd, want het is niet gebleken dat hij zich hiertegen heeft verzet. Wel heeft hij meermaals verzocht om betaling van zijn laatste facturen, waaronder de opzegtermijn van één maand die [gedaagde] heeft gefactureerd.
3.14
Op 24 december 2025 neemt [gedaagde] voor het eerst het standpunt in dat hij bij [eiser] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Na kwalificatie van de hiervoor genoemde overeengekomen rechten en verplichtingen, blijkt echter niet dat ze voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.
Kwalificatiefase
3.15
De Hoge Raad heeft in de zaak van Deliveroo (Hoge Raad, 24 maart 2023, WCLI:NL:HR:2023:443) overwogen dat bij de beoordeling of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst onder meer de volgende tien (niet-limitatieve) gezichtspunten van belang kunnen zijn: (1) de aard en duur van de werkzaamheden; (2) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald; (3) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht; (4) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren; (5) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen; (6) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd; (7) de hoogte van deze beloningen; (8) en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. (9) Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. (10) Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet
worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.
1)
de aard en duur van de werkzaamheden
3.16
Volgens [eiser] bestond de opdracht uit het optimaliseren van het bedrijfsbureau. Volgens [gedaagde] bestond de opdracht uit het aansturen van het bedrijfsbureau en de operatie, en het onderbrengen van data in een nieuwe database ‘Nocore’. De aard van de werkzaamheden had dus geen betrekking op de kernactiviteit van [eiser] of het aansturen van medewerkers die zich bezighouden met de kernactiviteit van [eiser] . Dat is namelijk schoonmaken.
3.17
[gedaagde] verwijst naar een taakomschrijving, maar het is onduidelijk of deze taakomschrijving hoort bij de overeenkomst van 2 september 2024. [gedaagde] verwijst naar een Whatsappbericht van [A] aan hem waarin het document ‘Taakomschrijving Functie District Manager’ wordt gedeeld. Dat is een andere functie dan Operationeel Manager. Uit de schermafbeelding kan ook worden afgeleid dat het bericht vóór 28 januari 2023 is gestuurd. Dat is anderhalf jaar voordat partijen de overeenkomst van 2 september 2023 sloten. [gedaagde] heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat dit de taakomschrijving is waarnaar wordt gerefereerd in de overeenkomst van 2 september 2024.
3.18
[gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord in het incident erkend dat hij meer op projectbasis werkt. Gelet hierop past de aard van de werkzaamheden meer bij een opdrachtovereenkomst dan bij een arbeidsovereenkomst.
3.19
Aan de andere kant zijn partijen wel een overeenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan. Dat past meer bij een arbeidsovereenkomst. Maar, het sluit een overeenkomst van opdracht ook niet uit. De overeenkomst kon door partijen gemakkelijk worden opgezegd met een opzegtermijn van één maand. De risico’s van het aangaan van een overeenkomst voor onbepaalde tijd waren dus beperkt.
2)
de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald
3.2
[eiser] wilde dat de werkzaamheden op kantoor werden verricht. Dat is ook vastgelegd in de overeenkomst. [gedaagde] werkte in de praktijk echter ook vanuit huis. De IT-beheerder heeft [gedaagde] op diens verzoek toegang verleend tot de IT systemen van [eiser] , zodat hij ook vanuit huis kon werken. Volgens [eiser] mocht hij niet thuis werken, maar [eiser] stelt ook dat [gedaagde] buiten kantoortijden werkte en dat hij geen tag/sleutel had van kantoor. Daaruit kan worden afgeleid dat [eiser] in ieder geval op de hoogte was van het feit dat [gedaagde] ook vanuit huis voor [eiser] werkte. Het is niet gebleken dat [gedaagde] hierop is aangesproken door [eiser] .
3.21
Volgens [gedaagde] heeft hij toestemming gevraagd en gekregen van [B] om vanuit huis in te loggen in de systemen. Dit zou blijken uit een mailwisseling van 20 november 2024. Dit wordt door [B] betwist. [gedaagde] heeft die mailwisseling niet laten zien, terwijl hij wel beschikt over zijn zakelijke mailbox, zodat hij verweer kan voeren in deze procedure. Of [gedaagde] toestemming had om vanuit huis te werken, kan dus niet worden vastgesteld.
3.22
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] grotendeels zelf de wijze bepaalde waarop de werkzaamheden werden verricht.
3.23
Ook de werktijden bepaalde hij zelf. In de overeenkomst staat dat [gedaagde] zich moest conformeren aan de kantoortijden van [eiser] , maar in de praktijk werkte hij regelmatig buiten die kantoortijden. Dat is door [eiser] aangetoond met verwijzing naar e-mails waaruit volgt dat [gedaagde] de werkdag later begon of in de avond/weekend aan het werk was.
3.24
Of [eiser] werkinhoudelijke instructies gaf, is niet gebleken. Partijen hadden regelmatig overleg met elkaar, maar dat is onvoldoende om daaruit af te leiden dat [eiser] werkinhoudelijke instructies gaf. Het houden van gesprekken past binnen de kaders van de opdrachtovereenkomst, omdat die gesprekken nodig zijn om de opdracht naar tevredenheid van de opdrachtgever uit te voeren. [eiser] betwist dat zij werkinhoudelijke instructies gaf aan [gedaagde] .
3.25
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden om bewijs te leveren van zijn stelling dat hij werkinhoudelijke instructies kreeg van [B] , door het overleggen van e-mails. Dat bewijsaanbod wordt gepasseerd, want [gedaagde] had deze e-mails voorafgaand aan de zitting kunnen en moeten laten zien. Daar was voldoende gelegenheid en reden voor. Dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, komt daarom voor zijn risico. Daar komt bij dat [B] pas in januari 2025 is aangesteld als Adjunct-Directeur. Daarvoor was zij werkzaam als HR medewerker. Als [gedaagde] inderdaad werkinstructies kreeg van [B] , wat gelet op haar functie niet voor de hand ligt, dan had [gedaagde] dit moeten aantonen met bewijsstukken.
3.26
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] grotendeels zelf bepaalde hoe en wanneer hij zijn werk uitvoerde. Die vrijheid van [gedaagde] past binnen het kader van een opdrachtovereenkomst.
3)
de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht
3.27
Het werk van [gedaagde] was niet ingebed in de organisatie van [eiser] , althans niet als het gaat om de optimalisatie van het bedrijfsbureau en het overzetten van data naar een nieuw systeem. Dat zijn namelijk projecten met een einde, waarvoor op enig moment de diensten van [gedaagde] dus niet meer nodig waren. Zoals eerder overwogen, zagen deze werkzaamheden van [gedaagde] ook niet op de kernactiviteit van [eiser] .
3.28
Dit is wellicht anders met betrekking tot de operationele aansturing. Ook dat werk betreft niet de kernactiviteit van [eiser] , maar vanuit die rol was [gedaagde] wel breed in de organisatie zichtbaar en betrokken. In de e-mail van 14 januari 2025, waarin door [eiser] wordt aangekondigd dat [gedaagde] per direct zal aftreden als Operationeel Manager, staat dat iedereen [gedaagde] uit alle correspondentie van de uitvoering moet halen. Er staat ook dat voor operationele vragen en voor klantvragen men voortaan bij de daar genoemde medewerkers moeten zijn. Hieruit kan de rechtbank afleiden dat [gedaagde] wel een aanspreekpunt was voor veel mensen in de organisatie. [gedaagde] had ook een e-mailadres van [eiser] , waardoor zowel intern als extern niet duidelijk was dat [gedaagde] geen onderdeel uitmaakte van de organisatie.
3.29
De persoon van [gedaagde] was dus wel ingebed in de organisatie en de bedrijfsvoering van [eiser] . Dat wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst, maar sluit een overeenkomst van opdracht niet uit.
4)
het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren
3.3
Of [gedaagde] zich mocht laten vervangen is niet duidelijk. In de overeenkomst is daarover niets afgesproken en de situatie heeft zich in de praktijk ook niet voorgedaan. Aan dit gezichtspunt komt hier dan ook geen waarde toe.
5)
de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen
3.31
Partijen waren het erover eens dat zij een overeenkomst van opdracht wilden aangaan. [gedaagde] heeft een voorstel gedaan aan [eiser] over de arbeidsvoorwaarden. Daarover is onderhandeld, want niet alle onderdelen van het voorstel van [gedaagde] hebben de eindstreep gehaald. Dat [gedaagde] het eerste voorstel heeft gedaan en onder meer inspraak heeft gehad in de hoogte van de beloning, wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.
6)
De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd
3.32
[gedaagde] heeft in mei 2024 voorgesteld om een tarief van € 1.675,- te hanteren per week. Daar is [eiser] mee akkoord gegaan. [gedaagde] factureerde vervolgens wekelijks via zijn eenmanszaak aan [eiser] . Hij zorgde zelf voor afdracht van btw en belastingen, althans daar gaat de rechtbank vanuit. De manier van belonen past bij een overeenkomst van opdracht en past duidelijk niet bij een arbeidsovereenkomst.
7)
de hoogte van de beloning
3.33
[gedaagde] verdiende een vergoeding van € 1.675 per week exclusief btw . Dat is voor 4 dagen werk van 8 uur per dag, oftewel 32 uur. Omgerekend verdiende [gedaagde] € 52,34 per uur. In het Wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) is de grens op € 36,00 per uur bepaald voor het aannemen van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst. Het bedrag dat [gedaagde] verdiende ligt hoger.
3.34
Verder verdiende [gedaagde] een vast wekelijks tarief, ongeacht hoe veel uur hij die week werkte. Dat wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst. In de overeenkomst is weliswaar bepaald dat [gedaagde] een opgave van zijn uren moest verstrekken en dat hij op basis daarvan mocht factureren, maar het is niet gebleken dat partijen in de praktijk hieraan uitvoering hebben gegeven. [gedaagde] stelt dat hij veel overuren werkte en dat die uren niet zijn betaald. Hieruit zou volgen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Maar, als [gedaagde] zijn gewerkte uren had doorgegeven aan [eiser] , zoals ook de bedoeling was, dan had hij wellicht die uren wel uitbetaald had gekregen. Dat is nu niet vast te stellen.
3.35
De factuur die [gedaagde] heeft gestuurd tijdens de kerstvakantie en de indexering die hij zonder overleg vanaf 1 januari 2025 heeft toegepast, zijn door [eiser] geweigerd. Hiervoor heeft [gedaagde] (onder protest) creditfacturen gestuurd. Dit past weer bij een overeenkomst van opdracht en duidelijk niet bij een arbeidsovereenkomst.
8)
de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt
3.36
[gedaagde] ontving wekelijks een vergoeding, behalve tijdens vakantie. In de overeenkomst is niks afgesproken over doorbetaling tijdens ziekte en die situatie heeft zich niet voorgedaan, maar de rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] ook dan geen vergoeding zou ontvangen. In de overeenkomst is namelijk bepaald dat [gedaagde] zelf een verzekering voor arbeidsongeschiktheid moest afsluiten. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.
3.37
Dat de overeenkomst slechts met inachtneming van een opzegtermijn van één maand kon worden opgezegd, is niet ongebruikelijk voor zzp’ers die afhankelijk zijn van de opdracht voor hun levensonderhoud. Doordat [gedaagde] 32 uur per week voor [eiser] werkte, kon hij niet ook andere opdrachten accepteren, althans niet voor veel uur in de week. Dit wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst, maar sluit een overeenkomst van opdracht niet uit.
9)
ondernemerschap
3.38
[gedaagde] heeft gedurende zijn werkzaamheden voor [eiser] geen opdrachten voor derden verricht. Wel staat vast dat [gedaagde] eerder in zijn loopbaan een onderneming had met 30 man personeel, en dat hij zowel vóór als na zijn tijd bij [eiser] werkzaam was als zzp’er. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij, nadat hij weg was bij [eiser] , gewerkt heeft voor [bedrijf 3] , een concurrent van [eiser] , en dat hij dit (ook) deed als zzp’er. Aan dit gezichtspunt komt in dit geval dus niet zoveel waarde toe.
10)
contractuele bedingen
3.39
In de overeenkomst staan geen contractuele bedingen die [gedaagde] beperken om anders dan voor [eiser] werkzaam te zijn. Hij had bijvoorbeeld geen relatiebeding en ook geen concurrentiebeding. Dit wijst in de richting van een overeenkomst van opdracht.
Holistische weging
3.4
Alle feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, waarderend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] kreeg de vrijheid om de werkzaamheden grotendeels naar eigen inzicht uit te voeren. Daarbij had [gedaagde] in grote mate de vrijheid om zelf te bepalen waar en wanneer hij de werkzaamheden uitvoerde, althans gaf hij zichzelf die vrijheid. Het is daarom niet gebleken dat [gedaagde] het werk uitvoerde ‘onder het gezag’ van [eiser] . Ook de totstandkoming van de overeenkomst, de beloning en de manier waarop die werd uitgekeerd, wijzen op een overeenkomst van opdracht. Alles tegen elkaar afgewogen, weegt het voorgaande zwaarder dan de enkele gezichtspunten die wel in de richting van een arbeidsovereenkomst wijzen.
Primaire vorderingen in reconventie over arbeidsovereenkomst worden afgewezen
3.41
Omdat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, heeft [gedaagde] geen recht op achterstallig loon en wettelijke verhoging.
3.42
Overigens had [gedaagde] daar ook geen recht op gehad als wel sprake was van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft niet tijdig de vernietiging van de opzegging verzocht bij de kantonrechter, want dit had binnen twee maanden na einde overeenkomst gemoeten. [2] De overeenkomst is op 16 januari 2026 per direct opgezegd, waardoor deze is geëindigd. De stelling van [gedaagde] , dat de overeenkomst nog steeds doorloopt, omdat niet rechtsgeldig is opgezegd, is onjuist.
3.43
De vordering van [gedaagde] tot opheffing van de gelegde beslagen wordt later in dit vonnis behandeld. Dat geldt ook voor de vordering tot veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
Subsidiaire vorderingen in reconventie wel deels toewijsbaar
Een van de twee facturen moet [eiser] betalen
3.44
Voor het geval geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, vordert [gedaagde] betaling van twee facturen te vermeerderen met handelsrente. De eerste factuur ziet op week 52, toen [gedaagde] met vakantie was, en een indexering voor week 1 tot en met 8. Deze factuur bedraagt € 2.245,- exclusief btw. De tweede factuur ziet op de opzegtermijn en bedraagt € 7.705,- exclusief btw.
3.45
[gedaagde] heeft geen recht op betaling van de eerste factuur. Hij heeft niet onderbouwd op grond waarvan hij recht zou hebben op betaling tijdens vakantie en/of een indexering vanaf januari 2025. Betaling hiervan blijkt niet uit de overeenkomst en wordt door [eiser] betwist. [eiser] heeft dit zelfs expliciet geweigerd waarna [gedaagde] , weliswaar onder protest, creditfacturen heeft gestuurd. Waarom hij nu alsnog recht zou hebben op betaling van deze bedragen, is niet gebleken. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
3.46
De tweede factuur, betaling van de opzegtermijn, is wel grotendeels toewijsbaar. [gedaagde] heeft op 28 januari 2025 een bedrag van € 7.705,- gefactureerd voor de opzegtermijn. Uit de factuur blijkt dat hij uitgaat van de periode 20 januari tot en met 19 februari 2025. Volgens [eiser] is dit onjuist, want de overeenkomst is opgezegd op 16 januari 2025. Ook het bedrag is volgens [eiser] lager, want het moet volgens haar € 7.258,33 zijn, althans dat is de stelling van [eiser] in conclusie van antwoord in reconventie. Waarop dit bedrag is gebaseerd, heeft [eiser] niet gemotiveerd. In de dagvaarding nam [eiser] nog de stelling in dat de opzegvergoeding € 7.417,86 bedraagt, want met dit bedrag wil [eiser] de door haar gevorderde boetes verminderen. Dit bedrag is door [eiser] wel gemotiveerd met een berekening, namelijk € 1.675 : 7 dagen x 31 dagen. [gedaagde] heeft in de eis in reconventie de hoogte van opzegtermijn niet nader onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de opzegtermijn € 7.417,86 (exclusief btw) bedraagt en dat [eiser] dit bedrag moet betalen.
3.47
Volgens [gedaagde] mag de factuur worden verrekend, mocht hij in conventie een bedrag aan [eiser] moeten betalen. Zoals hierna zal blijken, worden de vorderingen van [eiser] grotendeels afgewezen. Er is geen bedrag waarmee de factuur kan worden verrekend.
3.48
[gedaagde] vordert de betaling van de hiervoor genoemde factuur te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 maart 2025. [eiser] heeft hiertegen geen verweer gevoerd en moet de gevorderde handelsrente betalen.
Vordering ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen
3.49
[gedaagde] vordert betaling van de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Hij vordert een bedrag van € 895,39 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 24 december 2025. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde] naar een e-mail van hem zelf van 24 februari 2025 waarin hij [eiser] tot de dag erna de tijd geeft om de factuur alsnog te voldoen, en dat hij de vordering anders uit handen geeft ter incasso. Het is niet gebleken dat [gedaagde] vervolgens daadwerkelijk de factuur uit handen heeft gegeven ter incasso. Dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is niet gesteld of gebleken. [gedaagde] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht, waardoor de vordering wordt afgewezen.
CONVENTIE
Formeel verweer: belang bij vorderingen in conventie
3.5
[gedaagde] stelt dat [eiser] geen belang heeft bij haar vorderingen in conventie, omdat [eiser] geen activiteiten meer zou hebben en in feite een lege huls is. [gedaagde] heeft die stelling niet onderbouwd, terwijl [eiser] de stelling gemotiveerd heeft betwist. Het is dus niet komen vast te staan dat [eiser] geen belang heeft bij haar vorderingen. Dit betekent dat de vorderingen hierna inhoudelijk worden beoordeeld.
Geen overtreding geheimhoudingsbeding
3.51
In artikel 9 van Pro de overeenkomst staat dat [gedaagde] “
is gehouden alle kennis, gegevens en informatie betreffende elkaar geheim te (doen) houden. De geheimhoudingsplicht geldt zowel tijdens de duur van de overeenkomst als na beëindiging daarvan, om welke reden dan ook”. Onder sub C van artikel 9 staat Pro dat bij overtreding [gedaagde] een boete verbeurt van € 250.000,- per gebeurtenis, onverminderd het recht van [eiser] om via de rechter nakoming en/of aanvullende schadevergoeding te vorderen.
3.52
[eiser] vordert betaling van acht boetes (totaal € 2.000.000,-), want [gedaagde] zou acht keer het geheimhoudingsbeding hebben overtreden.
3.53
[eiser] stelt dat alle bedrijfsgegevens en bedrijfsinformatie onder het geheimhoudingsbeding vallen. Met verwijzing naar de eerdere samenwerking met [gedaagde] die in een geschil was geëindigd, heeft [eiser] gewild dat sprake was van volledige geheimhouding. Het praten over [eiser] met derden is volgens [eiser] al een overtreding van het geheimhoudingsbeding. De rechtbank is het daar niet mee eens. Er kan slechts iets geheim worden gehouden als het niet bij derden buiten het bedrijf bekend is of bekend kan zijn. Het moet dus gaan om geheime bedrijfsinformatie. Een andere lezing is moeilijk denkbaar, want dan zou het geheimhoudingsbeding te breed en vaag geformuleerd zijn.
3.54
[eiser] heeft bewijsbeslag laten leggen op de gegevensdragers van [gedaagde] . Vervolgens heeft [eiser] toestemming gekregen van de rechter om de gegevensdragers van [gedaagde] in te zien aan de hand van vooraf bepaalde zoektermen. Uit het vonnis van 17 september 2025 blijkt dat [eiser] inzage mocht hebben in alle bestanden waar klantnamen van [eiser] in voor kwamen.
3.55
Het is vervolgens niet komen vast te staan dat [gedaagde] geheime bedrijfsinformatie over [eiser] heeft gedeeld. De rechtbank zal dit toelichten.
[bedrijf 4] (1 boete)
3.56
Eind februari 2025 is een dagvaarding aan [eiser] betekend door [bedrijf 4] , een onderaannemer van [eiser] . In die dagvaarding staat:
“Een (voormalig) werknemer van [eiser] , [gedaagde] , heeft zelfs contact opgenomen met [bedrijf 4] in januari 2025 en aangegeven dat [eiser] na maart 2025 nog steeds werkzaamheden blijft verrichten voor [bedrijf 5] ”. Volgens [eiser] blijkt hieruit dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. [gedaagde] betwist dat hij geheime informatie heeft gedeeld met [bedrijf 4] . Dat [eiser] na maart 2025 nog steeds werkzaamheden zou blijven verrichten voor [bedrijf 5] is naar het oordeel van de rechtbank geen geheime bedrijfsinformatie. Het is daarnaast niet gebleken dat [gedaagde] die informatie heeft gedeeld. Dat [bedrijf 4] dit schrijft, betekent nog niet dat het zo is. Volgens [gedaagde] heeft hij – in het kader van zijn werkzaamheden voor [eiser] – tegen [bedrijf 4] gezegd dat [bedrijf 5] mondeling had opgezegd, maar dat er schriftelijk nog geen opzegging was gedaan. [bedrijf 4] zou daar kennelijk uit hebben opgemaakt dat er nog na maart 2025 werd doorgewerkt en dat er dus niet zou zijn opgezegd. [eiser] heeft niet nader onderbouwd wat en wanneer [gedaagde] heeft gedeeld met [bedrijf 4] . Het contact met [bedrijf 4] levert dus geen schending van het geheimhoudingsbeding op.
[G.] (1 boete)
3.57
[eiser] stelt dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden door contact op te nemen met de heer [G.] , de voormalig boekhouder van [eiser] . [eiser] heeft nagelaten de rechtbank te informeren over welke informatie [gedaagde] met [G.] zou hebben gedeeld. [gedaagde] betwist dat hij geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld met [G.] . De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om vast te stellen dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. Het enkele feit dat [gedaagde] contact heeft gehad met de heer [G.] is daarvoor onvoldoende.
[C ] (1 boete)
3.58
[eiser] stelt dat [gedaagde] op 24 februari 2025 contact heeft gehad met de heer [C ] , vertegenwoordiger van [bedrijf 6] ., een onderaannemer van [eiser] . [gedaagde] zou zich zeer negatief hebben uitgelaten over [eiser] . Ook zou [gedaagde] verteld hebben dat [eiser] hem niet meer betaalde. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hierdoor zijn geheimhoudingsbeding overtreden. [gedaagde] betwist dat hij zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. [gedaagde] erkent dat hij contact heeft gehad met de heer [C ] , maar hij betwist dat hij geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld. [gedaagde] heeft geïnformeerd naar eventuele steunvorderingen, zodat hij incassomaatregelen kon treffen, zoals een faillissementsaanvraag. [gedaagde] werd niet betaald door [eiser] . De rechtbank oordeelt dat het niet is gebleken dat [gedaagde] geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld. Dat [gedaagde] niet meer werd betaald door [eiser] , is geen geheime informatie. [gedaagde] had daarnaast belang bij die mededeling, want hij was op zoek naar een steunvordering. [eiser] heeft onvoldoende aangetoond dat dit geheime informatie betreft waarop het geheimhoudingsbeding van toepassing is.
[D ] (1 boete)
3.59
[eiser] verwijt [gedaagde] dat hij contact heeft gehad met de heer en mevrouw [D ] van [bedrijf 7] . [gedaagde] zou ook aan hen verteld hebben dat hij niet meer werd betaald door [eiser] . Zoals hiervoor overwogen, is dat naar het oordeel van de rechtbank geen geheime bedrijfsinformatie waarop het geheimhoudingsbeding van toepassing is. [gedaagde] was op zoek naar een steunvordering. Het is niet gebleken dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden door contact te hebben met de heer en mevrouw [D ] . Daarvoor heeft [eiser] onvoldoende gesteld en aangetoond.
[E ] (2 boetes)
3.6
[eiser] verwijt [gedaagde] dat hij informatie heeft gedeeld met de heer [E ] (hierna: ‘ [E ] ’). [E ] en [A] zijn in conflict met elkaar. [A] heeft in 2021 de aandelen in [bedrijf 2] gekocht van [E ] . Sinds augustus 2024 bestaat tussen [A] en [E ] een geschil over het restant van de koopsom. Daarnaast heeft [E ] in februari 2025 [bedrijf 3] (hierna: ‘ [bedrijf 3] ’) opgericht, een concurrent van [eiser] . [gedaagde] is na zijn vertrek bij [eiser] gaan werken voor [bedrijf 3] . [gedaagde] had geen concurrentie- en/of relatiebeding, dus dat was hem toegestaan. Het was hem niet toegestaan geheime bedrijfsinformatie te delen met [E ] , maar niet is komen vast te staan dat hij dat heeft gedaan.
3.61
[eiser] insinueert dat [gedaagde] foto’s van de financiële administratie van [eiser] heeft gedeeld met [E ] . [E ] heeft namelijk geen toegang tot de administratie, maar hij beschikte wel over foto’s van de facturatie aan de [gemeente] . Die foto’s heeft [E ] eind januari 2025 gebruikt in een beslagrekest om ten laste van [eiser] en [bedrijf 8] , een zustervennootschap van [eiser] , beslag te kunnen leggen. [E ] heeft de foto’s gekregen van iemand die op het kantoor van [eiser] toegang had tot Nocore (de financiële administratie). Kennelijk was er daarvoor een briefje met de inlogcode en het wachtwoord, waardoor een kwaadwillende heeft kunnen inloggen. [eiser] stelt niet dat [gedaagde] die kwaadwillende was, maar insinueert dat wel, en vordert in de dagvaarding betaling van € 250.000,- voor dit feit. [gedaagde] betwist dat hij die foto’s heeft gedeeld met [E ] . [eiser] heeft vervolgens niet aangetoond dat het [gedaagde] is geweest die de foto’s heeft gedeeld. Het kan dus ook iemand anders zijn geweest. De rechtbank beschikt alleen over de foto’s en niet over bewijs waaruit blijkt of en hoe die foto’s bij [E ] terecht zijn gekomen. Volgens het whatsappbericht van [A] aan [gedaagde] van 13 februari 2025 zijn er meerdere ‘ratjes’ in zijn onderneming die informatie hebben gedeeld met [E ] . Het is daarom onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] de foto’s heeft gedeeld met [E ] , waardoor niet is komen vast te staan dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden.
3.62
[eiser] stelt daarnaast dat [gedaagde] op 7 februari 2025 informatie heeft gedeeld met [E ] waardoor hij nog een boete zou hebben verbeurd. Het gaat om vertrouwelijke informatie over [bedrijf 9] , een onderneming die de vader van [A] tot circa 2015 heeft gehad. [A] heeft destijds dit bedrijf voor zijn vader gesaneerd en schuldenvrij gemaakt. [gedaagde] heeft onder andere een brief van de afdeling Bijzonder Beheer van de ABN AMRO bank over [bedrijf 9] gemaild naar [E ] . Dat [gedaagde] dit heeft gedaan staat vast. Maar, dit levert geen overtreding van het geheimhoudingsbeding op. Het is immers informatie over een voormalige vennootschap van de vader van [A] en niet informatie over [eiser] . Het geheimhoudingsbeding heeft alleen betrekking op [eiser] . Dat volgt uit de tekst van het geheimhoudingsbeding, want er wordt verwezen naar ‘informatie betreffende elkaar’. De overeenkomst is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde] , dus met elkaar wordt enkel die partijen bedoeld. Als [eiser] ook andere gelieerde en inmiddels opgeheven vennootschappen onder het geheimhoudingsbeding had willen brengen, dan had zij dit expliciet in de tekst van het beding moeten opnemen. Dit heeft zij niet gedaan. Het oogmerk van [gedaagde] is weliswaar niet juist, want hij heeft andermans vertrouwelijke informatie gedeeld met [E ] , maar het valt niet onder de werkingssfeer van het geheimhoudingsbeding.
3.63
Ook de omstandigheid dat [gedaagde] op 7 februari 2025 diverse documenten en informatie over vermeend paulianeus handelen heeft gedeeld met [E ] , levert naar het oordeel van de rechtbank geen schending van het geheimhoudingsbeding op. Het is namelijk niet komen vast te staan dat het om geheime informatie over [eiser] gaat. [eiser] heeft de e-mail van 7 februari 2025 overgelegd, waarin te zien is dat [gedaagde] verschillende documenten deelt met [E ] , maar de documenten zelf zijn (ten onrechte) niet met de rechtbank gedeeld. Welke informatie is gedeeld en of het geheime informatie over [eiser] betreft, kan dus niet worden vastgesteld. [eiser] verwijst ook naar een Excelbestand, waar [gedaagde] in een cel heeft geschreven
“hier lees je hoe hij het bedrijf naar de afgrond brengt na de overname”, maar ook daaruit kan niet worden afgeleid dat het om [eiser] gaat. Het Excelbestand bevat verder geen bedrijfsinformatie. Uit de stellingen van [eiser] blijkt dat [gedaagde] informatie heeft gedeeld met [E ] met als doel om [A] persoonlijk te raken in het faillissement van [bedrijf 2] , dat later zou volgen. Informatie over [A] of informatie over [bedrijf 2] valt echter niet onder de werkingssfeer van het geheimhoudingsbeding, want dat ziet zoals hiervoor overwogen slechts op [eiser] .
3.64
[gedaagde] betwist dat hij geheime bedrijfsinformatie over [eiser] heeft gedeeld met [E ] . [eiser] heeft dat vervolgens niet aangetoond. Dit betekent dat [eiser] niet heeft voldaan aan haar stelplicht, waardoor niet is komen vast te staan dat [gedaagde] het contractuele geheimhoudingsbeding heeft geschonden.
3.65
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het duidelijk is dat er een conflict bestaat tussen [A] en [E ] en dat [gedaagde] daarbij betrokken is geraakt. Ook is duidelijk dat [gedaagde] niet altijd de waarheid heeft gesproken richting [A] , bijvoorbeeld over het feit dat hij al langer in contact was met [E ] dan hij [A] deed geloven. Liegen valt echter niet onder de werking van het contractuele geheimhoudingsbeding.
[bedrijf 3] (1 boete)
3.66
[eiser] verwijt [gedaagde] dat hij vertrouwelijke gegevens heeft gedeeld met [bedrijf 3] . Ter onderbouwing wordt verwezen naar het contact dat [gedaagde] heeft gehad met [bedrijf 10] (hierna: ‘ [bedrijf 10] ’) en [F ] . Op 12 april 2025 heeft [gedaagde] contact opgenomen met [bedrijf 10] en [F ] , om hen te ronselen voor [bedrijf 3] . [bedrijf 10] is een klant van [eiser] en [F ] is een medewerker van [eiser] . Volgens [eiser] blijkt daaruit dat [gedaagde] klantinformatie en informatie over medewerkers van [eiser] heeft gedeeld met [bedrijf 3] . [eiser] stelt dat [gedaagde] hiermee zijn geheimhoudingsbeding heeft overtreden. De rechtbank is het daar niet mee eens.
3.67
In de overeenkomst met [gedaagde] is geen anti-ronselbeding opgenomen. Dat [gedaagde] namens de concurrent ronselde, kan hem dus niet contractueel worden verweten. Het is daarnaast niet bekend welke informatie [gedaagde] heeft gedeeld met [bedrijf 3] . Dat heeft [eiser] niet aangetoond. Deze stelling van [eiser] lijkt gebaseerd op aannames. Het is daarom onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] geheime bedrijfsinformatie heeft gedeeld met [bedrijf 3] . Het gesprek met [F ] is door haar opgenomen en gedeeld met [eiser] . Uit de transcriptie volgt dat [gedaagde] praat over torenhoge schulden van [bedrijf 2] en [eiser] en dat hij niet meer werd betaald. Maar, naar het oordeel van de rechtbank is dat geen geheime bedrijfsinformatie. Dat [bedrijf 10] een klant is van [eiser] en dat [F ] werkt bij [eiser] , zijn verder geen geheime gegevens. Ook ten aanzien van [bedrijf 3] is dus niet gebleken dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden.
[bedrijf 11] (1 boete)
3.68
[eiser] stelt dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden door informatie te delen met een advocaat van het advocatenkantoor [bedrijf 11] . Deze advocaat heeft namens drie partijen het faillissement van [eiser] verzocht. Tijdens de faillissementszitting was [gedaagde] aanwezig met de mededeling dat hij de vertegenwoordiger was van die drie partijen. [gedaagde] is dus betrokken bij een poging om [eiser] failliet te laten verklaren. Volgens [eiser] is de conclusie dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden, want hij heeft informatie over openstaande vorderingen gedeeld met een advocaat waarmee hij geen cliëntrelatie had. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het gaat immers om vorderingen van derden partijen op [eiser] en niet om vorderingen van [eiser] op derde partijen. Het gaat dus niet om geheime bedrijfsinformatie van of over [eiser] . Wederom gaat het om steunvorderingen, en in dit geval het samenbrengen van partijen, in een poging om [eiser] failliet te verklaren. Maar, dat valt niet onder de reikwijdte van het geheimhoudingsbeding. Het is dan ook niet gebleken dat [gedaagde] hiermee zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden.
Wel schending artikel 10 overeenkomst Pro van opdracht
3.69
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door zich bedrijfseigendommen van [eiser] toe te eigenen. In artikel 10 van Pro de overeenkomst van opdracht staat dat [gedaagde] is verboden om (a) bedrijfseigendommen toe te eigenen, (b) kopieën te maken van vertrouwelijke documenten en (c) bedrijfseigendommen mee naar huis te nemen. [gedaagde] heeft dit artikel geschonden.
Zakelijke bestanden naar privé mailadres gestuurd
3.7
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] het klantenbestand en een groot aantal bestanden naar zijn privé-mail gestuurd. [eiser] heeft dit niet aangetoond, want zij heeft hiervan geen bewijsstukken overgelegd, maar het is door [gedaagde] ook niet weersproken. [gedaagde] erkent dat hij bestanden naar zijn privémail heeft gestuurd. Zijn verklaring hiervoor is dat hij dit deed dit zodat hij vanuit huis kon werken. [eiser] stelt dat [gedaagde] niet thuis mocht werken en dat het dus niet de bedoeling was dat hij zakelijke bestanden naar zijn privé mailadres stuurde. Dit zou volgen uit artikel 1 van Pro de overeenkomst, waar staat dat de werkzaamheden fysiek op kantoor worden verricht, en uit artikel 10, waar staat dat het verboden is om bedrijfseigendommen mee naar huis te nemen. [gedaagde] beroept zich op toestemming, maar hij heeft die toestemming niet aangetoond. [gedaagde] verwijst naar een Whatsappbericht van [B] van 6 december 2024 en een e-mail van [H.] van 20 november 2024, maar daaruit blijkt geen toestemming om thuis te werken en/of om bedrijfsgegevens naar privé te mailen. Bovendien had [gedaagde] daarvoor, op 9 oktober 2024, al zakelijke bestanden (de rayonindeling) naar zijn privé gemaild. Dat hij hiervoor toestemming had, is niet gebleken. Omdat in de overeenkomst staat dat het niet is toegestaan om bedrijfseigendommen toe te eigenen en/of mee naar huis te nemen, had [gedaagde] die bestanden (waaronder het klantenbestand) niet, althans niet zonder toestemming, naar zichzelf mogen mailen. Dat hij dit toch heeft gedaan, levert daarom een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.
3.71
Daar komt bij dat [gedaagde] ook nadat hij al op non-actief was gesteld een zakelijke mail naar zijn privé mailadres heeft gestuurd. [gedaagde] is op 15 januari 2025 om 21.11 uur via Whatsapp op non-actief gesteld. Die avond, om 23.14 uur, stuurt hij een zakelijk bestand naar zijn privé mailadres. Daarvoor is geen goede verklaring gegeven door [gedaagde] . Het staat dus vast dat [gedaagde] artikel 10 van Pro de overeenkomst heeft geschonden.
3.72
Verder stelt [eiser] dat [gedaagde] vervolgens in de nacht van 15 op 16 januari 2025 circa 3.800 e-mails heeft verwijderd, ‘om zijn sporen te verhullen’, maar dat is niet gebleken. [eiser] heeft wel aangetoond dat de IT-beheerder op 16 januari 2025 ongeveer 3.800 heeft teruggeplaatst, maar het is niet aangetoond wanneer de mails zijn verwijderd. [gedaagde] betwist dat hij in de nacht van 15 op 16 januari 2025 zijn mailbox heeft gewist.
Foto’s van het notitieboekje
3.73
[eiser] heeft, na inzage in de bestanden die onderdeel waren van het bewijsbeslag, gezien dat [gedaagde] een PDF bestand heeft met 31 foto’s van het notitieboekje dat [gedaagde] gebruikte op zijn werk bij [eiser] . De inhoud van het notitieboekje betreft volgens [eiser] bedrijfsinformatie van [eiser] , zoals telefoonnummers van klanten, contactpersonen, tarieven en zelfs een analyse van de omzet en winstgroei die [eiser] voor ogen heeft. [eiser] stelt dat [gedaagde] met het bezit hiervan artikel 10 van Pro de overeenkomst heeft overtreden. [eiser] heeft echter alleen de eerste twee foto’s van het notitieboekje in het geding gebracht. Daaruit kan de rechtbank niet afleiden dat [gedaagde] kopieën heeft gemaakt van vertrouwelijke documenten. Die eerste twee pagina’s bevatten namelijk geen vertrouwelijke informatie. [eiser] had dus alle 31 foto’s moeten overleggen om de rechtbank te kunnen overtuigen dat sprake is van een schending van artikel 10 van Pro de overeenkomst. Ook is geen sprake van het toe-eigenen of mee naar huis nemen van bedrijfseigendommen, want het notitieboekje is van [gedaagde] zelf. De foto’s van het notitieboekje leveren dus geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.
De zwarte harde schijf
3.74
[eiser] stelt dat [gedaagde] een zwarte externe harde schijf heeft ontvreemd uit de kast in de werkkamer van [A] . Dit zou namelijk blijken uit het feit dat op de gegevensdragers van [gedaagde] informatie is aangetroffen die enkel was opgeslagen op deze harde schijf. De harde schijf is verdwenen. Volgens [eiser] kan het niet anders dan dat [gedaagde] de harde schijf heeft gestolen, dan wel de informatie op de harde schijf heeft gestolen. De rechtbank gaat hier niet in mee. [gedaagde] betwist dat hij de zwarte harde schijf heeft gestolen. [eiser] heeft niet aangetoond dat [gedaagde] de harde schijf heeft ontvreemd. Het kan dus ook iemand anders zijn geweest. Zoals [A] zelf schreef in een Whatsappbericht aan [gedaagde] , zijn er meerdere ‘ratjes’ in zijn onderneming. Dat [gedaagde] informatie van de harde schijf op zijn gegevensdragers had staan, levert ook geen schending van artikel 10 van Pro de overeenkomst op. Het is niet gebleken dat [gedaagde] de informatie heeft toegeëigend, gekopieerd, of mee naar huis heeft genomen.. Daarnaast is niet gebleken dat het om informatie over [eiser] gaat. [eiser] heeft alleen laten zien dat [gedaagde] vertrouwelijke informatie over [bedrijf 9] in zijn bezit had en heeft gedeeld met [E ] . Artikel 10 ziet Pro alleen op de bedrijfseigendommen en vertrouwelijke informatie van [eiser] . Het is niet gesteld of gebleken dat dit artikel een ruimer bereik heeft.
Geen boete gekoppeld aan overtreding van artikel 10
3.75
In de overeenkomst is geen boete gekoppeld aan overtreding van artikel 10. De rechtbank zal verklaren dat [gedaagde] artikel 10 heeft Pro geschonden door zakelijke bestanden naar zijn privé mail te sturen, maar daar kan geen directe (financiële) consequentie aan worden verbonden.
Geen onrechtmatige daad vastgesteld
3.76
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld indien mocht blijken dat [gedaagde] bedrijfsgegevens van [eiser] heeft gedeeld met derden. [eiser] heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Zoals hiervoor overwogen bij de bespreking van het geheimhoudingsbeding, is niet komen vast te staan dat dat [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfsinformatie van [eiser] heeft gedeeld met derden.
3.77
Voor zover [eiser] doelt op de faillissementsaanvragen die zijn gedaan en waar [gedaagde] bij betrokken was, dan geldt ook dan dat [eiser] niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Dat [gedaagde] geprobeerd heeft om [eiser] en de andere ondernemingen van [A] failliet te krijgen (al dan niet op verzoek van [E ] ) is onvoldoende om een onrechtmatige daad vast te stellen. Daarvoor is meer vereist, zoals een onrechtmatige gedraging, schade en causaal verband. Dat is niet gesteld of gebleken.
3.78
Voor zover [eiser] doelt op de anonieme bedreiging van een belangrijke klant van [eiser] , dan is niet gebleken dat [gedaagde] dit heeft gedaan. [eiser] vermoedt dat [gedaagde] dit heeft gedaan, maar zij heeft dit niet concreet gemaakt en [gedaagde] betwist dat hij een klant van [eiser] heeft bedreigd.
Schade niet concreet gemaakt
3.79
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de hiervoor genoemde tekortkoming en/of onrechtmatige daad. Van een onrechtmatige daad is zoals hiervoor overwogen geen sprake, maar [gedaagde] is wel tekortgeschoten in de nakoming van artikel 10 van Pro de overeenkomst. [eiser] heeft echter niet concreet gemaakt dat zij schade heeft gelegen door deze tekortkoming van [gedaagde] . De schade is niet aannemelijk gemaakt of onderbouwd met stukken. [gedaagde] betwist dat [eiser] schade heeft geleden. Op [eiser] rust de verplichting om de gestelde schade concreet te maken. Dat is niet gebeurd, waardoor de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.
3.8
Daarnaast vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die optreedt indien de Arbeidsinspectie boetes oplegt aan [eiser] voor het inzetten van illegale medewerkers van [bedrijf 12] en [eiser] deze boetes en de door haar aan [bedrijf 12] betaalde rente en buitengerechtelijke kosten niet zou kunnen verhalen op [bedrijf 12] . [bedrijf 12] is een onderaannemer van [eiser] . [eiser] en [bedrijf 12] hebben een geschil over de inzet van illegale medewerkers. Er dreigen nu grote boetes voor [eiser] door de Arbeidsinspectie. Ook zou de inzet van een medewerker van [bedrijf 12] ertoe geleid hebben dat [eiser] een grote klant is kwijtgeraakt. Volgens [eiser] moet [bedrijf 12] schade vergoeden, terwijl [bedrijf 12] ook een vordering had op [eiser] . [eiser] wilde dat verrekenen, maar vanwege de faillissementsaanvraag – die door [gedaagde] is georkestreerd – heeft [eiser] een bedrag moeten betalen aan [bedrijf 12] inclusief rente en kosten. Bij verrekening waren de rente en kosten niet aan de orde geweest. Daarnaast vreest [eiser] dat zij eventuele boetes van de Arbeidsinspectie niet kan verhalen op [bedrijf 12] , bijvoorbeeld vanwege een faillissement van [bedrijf 12] . [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij samen met [bedrijf 12] het faillissement van [eiser] heeft aangevraagd, waardoor zij nu wellicht geschaad wordt in haar verhaalspositie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] echter totaal niet concreet gemaakt waarom en op grond waarvan [gedaagde] deze onzekere toekomstige vorderingen moet betalen. [eiser] heeft haar stellingen niet onderbouwd. [eiser] gaat uit van een vanzelfsprekendheid dat [gedaagde] hiervoor (wat dat ook mag zijn) moet opdraaien, omdat hij – al dan niet via andere partijen – het faillissement van [eiser] heeft aangevraagd. Het is echter niet gebleken dat dit laatste een onrechtmatige daad oplevert, want daarvoor heeft [eiser] onvoldoende gesteld. De gevraagde verklaring voor recht zal worden afgewezen.
Verbod om kennis, gegevens of informatie te delen
3.81
[eiser] wil dat de rechtbank [gedaagde] verbiedt om kennis, gegevens of informatie van of over [eiser] te delen met derden. Hieronder valt dan ook de informatie afkomstig van de zwarte harde schijf. Volgens [gedaagde] is een dergelijk verbod niet nodig. Inmiddels zou er geen vertrouwelijke informatie van [eiser] meer op zijn computer staan. [eiser] heeft deze stelling vervolgens niet weersproken, waardoor de rechtbank aanneemt dat [gedaagde] niet langer in het bezit is van informatie van [eiser] . Dat [gedaagde] in het bezit is van de zwarte harde schijf is niet komen vast te staan. Bovendien bevat de overeenkomst van opdracht een geheimhoudingsbeding dat nog steeds van kracht is. De rechtbank wijst de vordering daarom af vanwege een gebrek aan belang.
De zwarte harde schijf
3.82
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het persoonlijk terugbrengen van de zwarte harde schijf die verdwenen is uit de werkkast van [A] . De rechtbank kan dit niet toewijzen, want [eiser] heeft niet aangetoond dat de zwarte harde schijf in het bezit is van [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat hij de harde schijf heeft.
Verwijderen gegevens (via IT specialist Digijuris)
3.83
[eiser] vordert daarnaast dat [gedaagde] wordt veroordeeld om:
  • medewerking te verlenen aan Digijuris om alle documenten die door [gedaagde] zijn gekopieerd van de zwarte harde schijf terug te krijgen;
  • medewerking te verlenen aan Digijuris bij het nagaan welke documenten van de harde schijf op de gegevensdragers van [gedaagde] staan;
  • medewerking te verlenen aan Digijuris bij het verwijderen van de documenten van de harde schijf op de gegevensdragers van [gedaagde] ;
  • medewerking te verlenen aan Digijuris bij het verwijderen van alle overige informatie van [eiser] ,
o het voorgaande op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 500.000,-.
o alsmede [gedaagde] te veroordelen om de kosten van Digijuris te betalen.
3.84
[gedaagde] betwist dat hij vertrouwelijke informatie van [eiser] op zijn computer heeft staan. Volgens [gedaagde] zijn alle gegevens al verwijderd en [eiser] heeft die stelling vervolgens niet weersproken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om [gedaagde] te veroordelen om op zijn kosten door Digijuris onderzoek te laten doen en gegevens te laten verwijderen.
3.85
[eiser] vordert ook nog een verklaring voor recht dat [gedaagde] geen gegevens van [eiser] meer mag hebben op zijn gegevensdragers. [eiser] heeft echter niet onderbouwd waarom zij belang heeft bij een dergelijke verklaring voor recht. De gevorderde verklaring wordt daarom afgewezen.
CONSERVATOIR BEWIJSBESLAG
Opheffen beslag
3.86
[gedaagde] vordert in reconventie opheffing van het bewijsbeslag. Volgens [gedaagde] heeft het beslag geen bewijs opgeleverd van de stellingen van [eiser] , waardoor het bewijsbeslag op grond van artikel 704 lid 2 Rv Pro moet worden opgeheven. Daarnaast vordert [gedaagde] dat [eiser] wordt veroordeeld om Digijuris instructie te geven om alle gegevens te verwijderen die zij in het kader van het bewijsbeslag onder zich heeft.
3.87
Of het beslag geen bewijs heeft opgeleverd van de stellingen van [eiser] , kan de rechtbank niet vaststellen. Wel is duidelijk dat [eiser] geen inzage heeft gehad in bewijs dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden, dan wel dat zij dat wel heeft gehad, maar die bewijsstukken vervolgens niet in deze procedure heeft gebracht. [eiser] is terughoudend in het overleggen van bewijsstukken, omdat [gedaagde] dezelfde advocaat heeft als [E ] . [eiser] wil voorkomen dat [E ] beschikt over stukken die hij tegen [A] kan gebruiken. Of de afwijzing van de vorderingen van [eiser] over schending van het geheimhoudingsbeding ertoe leidt dat het bewijsbeslag moet worden opgeheven, wordt beoordeeld aan de hand van het procesrecht zoals dat geldt sinds 1 januari 2025 (artikel 205 en Pro 206 Rv). Het bewijsbeslag is namelijk in maart 2025 gelegd.
3.88
In artikel 206 lid 3 Rv Pro staat het volgende:
“Heeft de rechter beslist dat recht op kennisneming bestaat, dan vervalt het beslag van rechtswege zodra het vonnis of de beschikking in de procedure waarin de in beslag genomen gegevens of zaken tot bewijs kunnen dienen, in kracht van gewijsde is gegaan. De in beslag genomen gegevens of zaken worden onverwijld teruggegeven aan degene onder wie het beslag is gelegd onder gelijktijdige vernietiging van alle kopieën. Als de in beslag genomen gegevens of zaken in gerechtelijke bewaring zijn gegeven, is de bewaarder verplicht tot afgifte daarvan aan degene onder wie het beslag is gelegd. De rechter kan op verzoek van partijen of ambtshalve anders bepalen en nadere aanwijzingen geven.”
3.89
Kracht van gewijsde is de situatie dat tegen een vonnis geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, zoals hoger beroep. Het vonnis moet dus onaantastbaar zijn en pas dan vervalt het bewijsbeslag van rechtswege. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt uit de wet. Dit betekent dat de rechtbank de vordering van [gedaagde] tot opheffing van het bewijsbeslag zal afwijzen, want partijen kunnen nog in hoger beroep tegen dit vonnis. Hieruit volgt dat Digijuris de gegevens (nog) niet hoeft te verwijderen en dat ook dit gedeelte van de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.
Beslagkosten
3.9
[eiser] vordert betaling van de beslagkosten door [gedaagde] . In het vonnis in incident van 17 september 2025 is daarover geen beslissing genomen. De beslagkosten bedragen volgens [eiser] inmiddels € 15.358,50 ex btw voor Digijuris, € 6.219,75 ex btw voor de deurwaarder ( [deurwaarder] en Partners) en € 714,- griffierecht voor het beslagrekest. Ter onderbouwing heeft [eiser] facturen overgelegd. [gedaagde] verweert zich hiertegen met de stelling dat geen bewijs is aangetroffen van de beschuldigingen aan [gedaagde] , en dat het beslag onrechtmatig en onnodig is gebleken. In dat geval is hij niet gehouden om beslagkosten te betalen op grond van artikel 706 Rv Pro.
3.91
In artikel 706 Rv Pro staat dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Een vordering wordt als onrechtmatig aangemerkt als de vordering waarvoor beslag is gelegd niet toewijsbaar is.
3.92
[eiser] heeft in dit geval beslag gelegd ter onderbouwing van haar vorderingen dat [gedaagde] zijn contractuele verplichtingen heeft geschonden en dat hij daardoor boetes heeft verbeurd. De vorderingen die zien op het geheimhoudingsbeding en de boetes zijn niet toewijsbaar, maar de vordering dat [gedaagde] artikel 10 van Pro de overeenkomst heeft geschonden, wel. [gedaagde] heeft namelijk zakelijke mails naar zijn privé mail gestuurd, wat hem was verboden. Om dat te bewijzen had [eiser] echter geen bewijsbeslag nodig, want zij beschikte al over de zakelijke mails van [gedaagde] . Die waren namelijk op 16 januari 2025 al teruggeplaatst in de zakelijke mailbox door de IT-beheerder van [eiser] . Omdat dit de enige vordering van [eiser] is die wordt toegewezen, kan de rechtbank niet anders dan de vordering van [eiser] tot betaling van de beslagkosten afwijzen.
PROCESKOSTEN
in conventie
3.93
[eiser] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.174,00
3.94
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
3.95
[gedaagde] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
4.631,00
(2 punten × factor 0,5 × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.820,00
3.96
[eiser] heeft in reconventie geen wettelijke rente gevorderd over de proceskosten, waardoor de rechtbank die niet kan toewijzen.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1
verklaart voor recht dat [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten door het toezenden van enkele zakelijke e-mails naar zijn privé mailadres waarmee hij zich in strijd met artikel 10 van Pro de overeenkomst tussen partijen bedrijfseigendommen van [eiser] heeft toegeëindigd,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 12.174,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
4.4
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2 en 4.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.6
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 7.417,86 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 1 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.7
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
4.8
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.6 en 4.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
SB5790

Voetnoten

1.zie 7:686a BW
2.artikel 7:681 BW Pro jo. 7:686a BW.