ECLI:NL:RBMNE:2026:3700

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
25/2658
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Keurentjes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:4 AwbWet Open Overheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij handhavingsverzoek asbestinventarisatie

Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht vanwege ontbrekende asbestinventarisatierapporten van zijn woning en vermeend onrechtmatig handelen door gemeentemedewerkers. Het college wees het verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte dat eveneens werd afgewezen. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank behandelde het beroep op zitting, waarbij eiser niet aanwezig was. Kort voor de zitting diende eiser een wrakingsverzoek in, dat niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank besloot het onderzoek niet te heropenen.

De rechtbank toetste ambtshalve het procesbelang van eiser en concludeerde dat dit ontbrak. De asbestinventarisatierapporten zijn niet meer te achterhalen, zoals eerder vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast kan handhavend optreden tegen medewerkers van de gemeente geen doel dienen dat voor eiser van feitelijke betekenis is, mede omdat niet is toegelicht wat handhaving concreet zou moeten opleveren.

Daarmee is het beroep niet-ontvankelijk verklaard en is niet inhoudelijk op de zaak beslist. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2658

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. J. Hillenaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek van eiser door het college. Eiser heeft het college verzocht om handhavend op te treden vanwege ontbrekende asbestinventarisatierapporten van zijn woning, en vanwege onrechtmatig handelen door medewerkers van de gemeente. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 april 2024 een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiser was niet aanwezig. Na het onderzoek op zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
2.3.
Op 18 mei 2026 om 22:14 uur heeft eiser een wrakingsverzoek verzonden aan de rechtbank. Het wrakingsverzoek heeft de behandelend rechter pas op 19 mei 2026 in de middag bereikt, nadat de behandeling van het beroep op zitting al had plaatsgevonden en het onderzoek al was gesloten. Bij beslissing van 1 juni 2026 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek van eiser niet-ontvankelijk verklaard [1] .

Beoordeling door de rechtbank

Het wrakingsverzoek van eiser
3. De rechtbank constateert dat het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden terwijl eiser zijn wrakingsverzoek de avond voorafgaand aan de zitting al had ingediend. Eiser was niet aanwezig bij de zitting. Gelet op het feit dat de wrakingskamer eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard en in overweging 4.3 van haar beslissing heeft bepaald dat de procedure van eiser moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek, ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.
Heeft eiser procesbelang?
4. De rechtbank toetst ambtshalve of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Volgens vaste rechtspraak is procesbelang het belang dat een rechtszoekende heeft bij de uitkomst van een procedure [2] . Dit betekent dat het doel dat de rechtszoekende voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de rechtszoekende van feitelijke betekenis is.
Een belanghebbende die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.
5. Eiser geeft in zijn beroepschrift aan dat zijn belang er simpelweg in is gelegen om te weten te komen wat het resultaat is van de asbestinventarisaties in zijn woning. Deze asbestinventarisaties hebben plaatsgevonden in juni 2011 en december 2013. Eiser heeft via een verzoek om informatie op grond van de Wet Open Overheid (Woo) geprobeerd om de asbestinventarisatierapporten te verkrijgen en heeft daarover geprocedeerd tot aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). De uitkomst van die procedure is dat de asbestinventarisatierapporten waar eiser naar op zoek is niet meer te achterhalen zijn [3] .
6. Daarnaast verzoekt eiser het college om handhavend op te treden tegen medewerkers van de gemeente die in de ogen van eiser onjuist en wederrechtelijk hebben gehandeld. Eiser stelt dat medewerkers van de gemeente een onrechtmatig convenant hebben afgesloten met woningbouwcorporatie Woonin, nalatig hebben gehandeld bij het achterhalen van de asbestinventarisatierapporten, op onjuiste wijze een omgevingsvergunning hebben gepubliceerd en een onjuist en onvolledig hoorverslag van de hoorzitting van eiser in de bezwaarprocedure hebben opgesteld. Eiser heeft niet nader toegelicht wat handhavend optreden jegens medewerkers van de gemeente in de praktijk zou moeten betekenen.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij zijn beroep. Eiser kan hetgeen hij verzoekt namelijk niet verkrijgen via het handhavingsverzoek. Een handhavingsverzoek heeft uitsluitend tot doel om een onrechtmatige situatie te herstellen door het opleggen van een bestuurlijke herstelsanctie zoals een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Artikel 5:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd als de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.
8. Over de asbestinventarisatierapporten overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift waar het college handhavend tegen zou moeten optreden. Verder heeft eiser niet toegelicht op welke wijze handhaving door het college tot het resultaat zou kunnen leiden dat hij de beschikking zou krijgen over de asbestinventarisatierapporten. Tot slot is uit de Woo procedure bij de ABRvS al gebleken dat de asbestinventarisatierapporten niet meer te achterhalen zijn.
9. Over het verzoek van eiser aan het college om handhavend op te treden tegen medewerkers van de gemeente is de rechtbank van oordeel dat, mocht er al sprake zijn van een overtreding van een wettelijk voorschrift waar het college handhavend tegen zou moeten optreden, eiser daarmee geen doel kan bereiken dat voor hem van feitelijke betekenis zou zijn. De rechtbank ziet namelijk niet in welk belang van eiser gediend zou zijn met handhavend optreden van het college tegen medewerkers van de gemeente, en eiser heeft dit ook niet toegelicht.
10. Gelet op de voorgaande overwegingen komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juni 2026,
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6332.
3.Uitspraak van de ABRvS van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3959.