ECLI:NL:RBMNE:2026:3616

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/7237
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 InkomensbesluitArt. 60 Wet WIAArt. 77 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering teveel betaald voorschot WIA-uitkering 2023 ondanks bezwaar eiseres

Eiseres ontvangt sinds 21 juli 2021 een WIA-uitkering en verrichtte in 2023 werkzaamheden in loondienst en als zelfstandige. Het UWV stelde in mei 2025 de uitkering definitief vast en vorderde een terugbetaling van €9.595,08 wegens teveel ontvangen voorschotten. Eiseres betwistte de berekeningswijze, met name de gelijkmatige verdeling van haar zelfstandigeninkomen over het jaar, wat volgens haar een onrealistisch en nadelig beeld geeft.

De rechtbank oordeelt dat de systematiek van het Inkomensbesluit, waarbij de winst uit onderneming gelijkelijk over de maanden wordt verdeeld, niet leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Dit is in lijn met vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Eiseres kon haar zelfstandigeninkomen niet per maand herleiden en de rechtbank ziet geen reden om van de standaardberekening af te wijken.

Ook is geen sprake van dringende redenen om af te zien van terugvordering. Uit telefoonregistraties blijkt dat het voorschot op verzoek van eiseres is verhoogd na overleg en dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld. Er is geen aanwijzing dat het UWV een aandeel heeft in de oorzaak of hoogte van de terugvordering. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de terugvordering blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van het teveel betaalde voorschot WIA-uitkering 2023 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7237

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.S. Fluit),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: J. Voorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling van de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over het jaar 2023. Als gevolg van deze definitieve vaststelling moet eiseres het teveel betaalde voorschot aan WIA-uitkering van bruto € 9.595,08 terugbetalen aan het Uwv. Eiseres is het niet eens met de definitieve vaststelling van haar uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv het bedrag terecht terugvordert.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv het teveel betaalde bedrag terecht terugvordert. Er zijn geen dringende redenen om daarvan af te zien. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres ontvangt per 21 juli 2021 een WIA-uitkering. In het besluit van
18 december 2024 heeft het Uwv vastgesteld dat eiseres per 21 juli 2021 45,63% arbeidsongeschikt is. De restverdiencapaciteit is door het Uwv vastgesteld op € 2.709,62.
2.1.
Eiseres ontvangt de WIA-uitkering als voorschot. In 2023 heeft zij ook werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden als zelfstandige verricht.
2.2.
In het besluit van 8 mei 2025 heeft het Uwv de WIA-uitkering over 2023 definitief vastgesteld. Uit deze definitieve berekening volgt dat eiseres een bedrag van bruto
€ 9.595,08 teveel aan voorschot heeft ontvangen. Het Uwv vordert dit bedrag terug. Eiseres heeft bezwaar gemaakt.
2.3.
Op 24 augustus 2025 is een betalingsregeling afgesproken. Maandelijks wordt een bedrag van € 675,-- ingehouden op de uitkering van eiseres.
2.4.
Met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de beslissing tot terugvordering gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv. De rechtbank heeft het onderzoek aangehouden voor nader overleg tussen partijen over de mogelijkheid tot een gezamenlijke oplossing te komen.
2.6.
Partijen hebben de rechtbank op 8 mei 2026 geïnformeerd dat zij niet tot een oplossing zijn gekomen. Het Uwv heeft daarbij een afschrift van de telefoonregistraties verstrekt. Zowel eiseres als het Uwv hebben daarop inhoudelijk gereageerd. De door partijen ingestuurde stukken zijn toegevoegd aan het dossier. Partijen hebben de rechtbank verzocht om uitspraak te doen in deze procedure.
2.7.
De rechtbank heeft het onderzoek op 21 mei 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de WIA-uitkering van eiseres over het jaar 2023. Eiseres is 45,63% arbeidsongeschikt en ontvangt daarom een WIA-uitkering. Daarnaast heeft zij inkomsten uit werkzaamheden. Zij was werkzaam als [functie] . Dat werk deed zij als zelfstandige. Van 10 maart 2023 tot en met 9 september 2023 heeft eiseres in loondienst gewerkt.
3.1.
Het inkomen uit loondienst wordt toegerekend aan de maanden waarin de ex-werkgever daarover opgave heeft gedaan. De winst als zelfstandige heeft het Uwv gelijkelijk verdeeld over alle maanden. Als gevolg van deze berekening van het inkomen heeft eiseres teveel voorschot ontvangen. Het gelijkelijk verdelen van het inkomen als zelfstandige heeft tot gevolg dat eiseres in de maanden dat zij ook in loondienst werkte een hoog inkomen heeft, en in de maanden dat zij alleen als zelfstandige werkte een (te) laag inkomen waardoor zij over die maanden niet aan de inkomenseis voldoet. Eiseres is het niet eens met de wijze waarop haar inkomsten als zelfstandige gelijkelijk zijn verdeeld over de maanden, omdat dit geen realistisch beeld geeft van haar inkomsten en nadelig voor haar is.
Toetsingskader
4. Het inkomen dat een uitkeringsgerechtigde verdiend is van invloed op de hoogte van de uitkering. Wat onder inkomen wordt verstaan, is vastgelegd in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (het Inkomensbesluit).
Loongerelateerde uitkering (LGU)
4.1.
Eiseres had tot en met 20 juli 2023 recht op een loongerelateerde uitkering (LGU). Bij een LGU speelt de restverdiencapaciteit geen rol. Wel wordt een deel van de inkomsten uit werk verrekend met de uitkering.
Loonaanvullingsuitkering (LAU) of vervolguitkering (VVU)
4.2.
Vanaf 21 juli 2023 heeft eiseres geen recht meer op een loongerelateerde uitkering. In artikel 60 van Pro de Wet WIA is vastgelegd dat de uitkering dan bestaat uit een loonaanvullingsuitkering (LAU) wanneer per kalendermaand een inkomen wordt verdiend dat ten minste gelijk is aan de inkomenseis, oftewel 50% van de restverdiencapaciteit. Wanneer niet aan de inkomenseis wordt voldaan bestaat de uitkering uit een vervolguitkering (VVU). De vervolguitkering is lager dan de loonaanvullingsuitkering.
Inkomen uit loondienst en inkomen als zelfstandige
4.3.
Op grond van artikel 4:1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Inkomensbesluit wordt het inkomen herleid tot een bedrag per kalendermaand. Daarbij is er een verschil in inkomsten uit loondienst en inkomsten als zelfstandige. Op grond van artikel 4:1, vijfde lid, van het Inkomensbesluit wordt bij toepassing van het eerste lid, de belastbare winst uit onderneming evenredig toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar. Dit betekent dat de jaarwinst als zelfstandige gelijkelijk wordt verdeeld over twaalf maanden.
4.4.
Op grond van artikel 4:1, elfde lid, van het Inkomensbesluit bepaalt het Uwv het inkomen op een andere wijze indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.
Terugvordering
4.5.
Artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA verplicht het Uwv om terug te vorderen wat te veel aan voorschotten is betaald. Dit is een verplichting die door de wetgever aan het Uwv is opgelegd. De bevoegdheid om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien is beperkt tot situaties waarin dringende redenen aanwezig zijn.
Is sprake van een kennelijk onredelijk resultaat van de inkomensberekening?
5. Eiseres voert aan dat de inkomensverrekening in haar geval leidt tot een onredelijke uitkomst en dat er op grond van artikel 4:1, elfde lid, van het Inkomensbesluit reden is om het inkomen op andere wijze te berekenen. Zij heeft haar werkzaamheden als [functie] in de maanden dat zij in loondienst was op een laag pitje gezet. Nadat haar contract was afgelopen, heeft zij deze werkzaamheden weer opgepakt. De wijze waarop haar inkomen nu is berekend geeft geen realistisch beeld van haar inkomen.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep, het begrip ‘kennelijk onredelijk resultaat’ restrictief dient te worden uitgelegd. Het moet gaan om een situatie waarin het aanstonds duidelijk is dat de gevolgde berekeningswijze leidt tot een resultaat dat, mede gelet op de doelstelling van de wet, niet beoogd is en onredelijk is. Niet elk feitelijk of ervaren nadelig resultaat kan als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. In dit geval is het nadeel voor eiseres dat zij over de maanden oktober tot en met december 2023 niet aan de inkomenseis voldoet en daarom een vervolguitkering krijgt in plaats van een loonaanvullingsuitkering. Ook worden in de maanden dat zij in loondienst was niet alleen die inkomsten, maar ook de gemiddelde maandelijkse inkomsten uit haar werk als zelfstandige, met de uitkering verrekend. De rechtbank overweegt dat dit een gevolg is van de keuze om inkomsten als zelfstandige en inkomsten uit loondienst op andere wijze aan een kalendermaand toe te rekenen. Deze systematiek kan soms tot een voordeel leiden en soms tot een nadeel, maar per saldo leidt het consequent toepassen van de systematiek in het algemeen niet tot onevenwichtigheid en niet tot een billijkheid van overwegende aard. [1] De systematiek van het Inkomensbesluit gaat ervan uit dat de reden waarom de jaarwinst van een zelfstandige evenredig verdeeld wordt over de kalendermaanden is omdat het inkomen van een zelfstandige enige variatie vertoont en het moment van betalen en het moment van het verrichten van arbeid niet steeds in dezelfde maand liggen. Van de maandelijkse inkomsten van een zelfstandige kan daarom in principe slechts een juist beeld worden verkregen door een langere periode in ogenschouw te nemen en dat evenredig te verdelen over de maanden. De rechtbank ziet geen reden waarom dat uitgangspunt onredelijk zou zijn gelet op de situatie van eiseres. Uit wat op de zitting aan de orde is gekomen blijkt dat eiseres zelf het inkomen als zelfstandige ook niet per maand kan herleiden. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd onvoldoende zijn om als een kennelijk onredelijk resultaat te worden aangemerkt. Het Uwv heeft dan ook terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat en heeft daarom terecht het inkomen niet op een andere wijze bepaald. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering?
6. Met het voorgaande staat echter nog niet vast dat de terugvordering van het voorschot dus ook stand kan houden. Indien sprake is van dringende redenen kan alsnog geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien.
6.1.
Eiseres voert aan dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering. De informatievoorziening en rol van het Uwv is in dit geval zodanig, dat eiseres niet bedacht had hoeven zijn op een omvangrijke terugvordering. Zij wijst er in het bijzonder op dat de verhoging van het voorschot per 1 september 2023 door het Uwv op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, waardoor zij nu te maken heeft met een hoge(re) terugvordering. Vanwege het aandeel van het Uwv hierin, vindt eiseres dat sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering.
6.2.
Het Uwv vindt dat geen sprake is van een dringende reden. Volgens het Uwv is de terugvordering ontstaan omdat de inkomsten van eiseres in 2023 achteraf gezien anders waren dan op basis van de beschikbare informatie bij het toekennen van het voorschot is aangenomen. De terugvordering is dus niet het gevolg van een fout van het UWV en ook is niet gebleken dat door het handelen van UWV de terugvordering onnodig hoog op is gelopen. Ook is niet gebleken dat de terugvordering van het voorschot voor eiseres onaanvaardbare consequenties heeft die maken dat sprake is van een dringende reden.
6.3.
De rechtbank overweegt dat op de zitting is stilgestaan bij de wijze waarop het voorschot over de maanden september tot en met december 2023 tot stand is gekomen. Op dat moment was het dienstverband beëindigd en had eiseres enkel nog inkomsten als zelfstandige. Op 29 augustus 2023 heeft het Uwv het voorschot verlaagd naar € 558,54 bruto per maand, uitgaande van verwachte inkomsten per maand van € 416,73. Eiseres heeft op 22 september 2023 het volgende doorgegeven aan het Uwv:
“Ik ga nu proberen mijn eerdere werkzaamheden als zelfstandige weer te hervatten met werkzaamheden waar ik niet ziek van wordt. Daardoor zijn mijn inkomsten op dit moment lager [zijn] omdat ik weer opnieuw ga opbouwen. Ik wil daarom vragen of ik in aanmerking kan komen voor een hogere WIA uitkering”.Eiseres heeft dus zelf verzocht om een hogere uitkering, maar zij heeft daarbij ook aangegeven dat haar inkomsten lager waren. Op 25 september 2023 heeft het Uwv het voorschot verhoogd naar € 1.686,28 bruto per maand, uitgaande van verwachte inkomsten van € 1.375,04 per maand. Op de zitting in onder meer afgesproken dat het Uwv in de systemen, die voorafgaand aan en tijdens de zitting wegens een storing niet benaderbaar waren, zou nagaan hoe het voorschot tot stand is gekomen. Uit de door het Uwv ingebrachte telefoonregistraties maakt de rechtbank het volgende op. In tegenstelling tot wat eiseres op de zitting heeft verklaard, blijkt uit deze registraties dat telefonisch contact heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de melding van eiseres. De rechtbank maakt uit de telefoonregistratie van 25 september 2023 op dat eiseres tijdens dat gesprek informatie heeft gekregen dat wanneer zij niet de helft van de restverdiencapaciteit verdient, zij een vervolguitkering krijgt. Ook is uitgelegd waarom het voorschot was verlaagd. Uit de telefoonregistraties blijkt dat het voorschot in overleg met eiseres en naar aanleiding van de winstprognose die zij heeft doorgegeven is verhoogd:
“Uitgebreid met client gesproken over haar WIA-uitkering. Client heeft doorgegeven dat de winst van haar onderneming dit jaar boven de 16500 euro uitkomt. Daarom client haar voorschot aangepast naar een LAU2 uitkering.”Eiseres voert nog aan dat een winstprognose van € 16.500 niet reëel was en dat zij hiermee haar inkomsten over het gehele jaar bedoelde. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Weliswaar is de doorgegeven winstverwachting als zelfstandige hoger dan in het formulier van 27 april 2023 is doorgegeven, maar het dienstverband was inmiddels ook beëindigd. In de telefoonregistraties ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat het Uwv had moeten twijfelen aan de juistheid van de winstprognose. Uit de registraties maakt de rechtbank op dat is gesproken over de gevolgen van het al dan niet halen van de inkomenseis en over de verhoging van het voorschot, op verzoek van eiseres. Er is geen reden waarom het Uwv in dit geval niet had mogen uitgaan van de door eiseres zelf doorgegeven geschatte winstverwachting. Bovendien blijkt uit de telefoonregistraties dat ook op 8 november 2023 nog contact heeft plaatsgevonden over de hoogte van het voorschot, waarbij eiseres heeft aangegeven dat de winstverwachting nog steeds hetzelfde was:
“Client gesproken naar aanleiding van een terugbelverzoek. Besproken wat er bij de WIA gebeurd nu client ZW ontvangt. De winstverwachting van client is nog steeds hetzelfde. Dus het voorschot op de WIA laten we hetzelfde.”De rechtbank is van oordeel dat de voorschotverlening op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat het Uwv een aandeel heeft gehad in de oorzaak van de terugvordering of dat deze daardoor onnodig hoog is opgelopen.
6.4.
Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de terugvordering in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1932.