Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en de eis in reconventie, met 27 producties,
2.De kern van de zaak
de Grond”) [1] :
3.De beoordeling
de bouwwerken’). De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
‘vrijwel direct na levering in 2014/2015’zijn geplaatst. Op de mondelinge behandeling is nog gevraagd op welke exacte datum de separate bouwwerken zijn geplaatst, maar hierop heeft [gedaagde sub 1] geen concreet antwoord gegeven. De rechtbank kan daarom ook niet vaststellen vanaf welk moment (delen van) de Grond hiermee door hem in bezit zou(den) zijn genomen. Dat maakt dat de rechtbank ook niet kan vaststellen vanaf welk moment de verjaringstermijn zou zijn aangevangen. Dit oordeel wordt ook niet anders door de verwijzing van [gedaagde sub 1] naar een ongedateerde foto met daarop een toegangshek en stenen pilaren.
‘waaronder begrepen de kosten van de kadastrale uitmeting in 2023 (€ 920,- zie productie 17)’. De kosten van de kadastrale uitmeting vallen niet onder de in artikel 237 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedoelde proceskosten. [eiseres] heeft niet gesteld op welke grondslag deze vordering wel is gebaseerd. Zij heeft echter wel naar voren gebracht dat het plaatsen van de bouwwerken door [gedaagde sub 1] op haar grond een inbreuk op haar eigendomsrecht oplevert. Daarnaast heeft [eiseres] op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij de kosten niet had hoeven maken, als [gedaagde sub 1] niet op haar erf zou hebben gebouwd. Daarmee is in beginsel sprake van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW Pro. De rechtbank zal de rechtsgronden ambtshalve aanvullen en de vordering tot vergoeding van de kosten van de kadastrale uitmeting toewijzen.