Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3517

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
612199 HA RK 26-102
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens tussenvonnis

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in de hoofdzaak, omdat hij het niet eens was met een tussenvonnis waarin hij in het ongelijk werd gesteld en veroordeeld werd tot betaling van het salaris van de gemachtigde van de eisende partij, terwijl deze partij in persoon procedeerde.

De rechter heeft in haar schriftelijke reactie toegelicht dat het wrakingsverzoek ongegrond is, omdat het tussenvonnis geen reden voor wraking kan zijn en de aanvankelijke toekenning van salaris onterecht was en inmiddels is hersteld.

De wrakingskamer heeft overwogen dat wraking geen verkapt rechtsmiddel is en dat een rechter onpartijdig wordt geacht totdat het tegendeel is bewezen. De motivering van het tussenvonnis kan niet worden aangemerkt als uiting van vooringenomenheid. Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en wordt de procedure in de hoofdzaak voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij schorsing.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen omdat een tussenvonnis geen reden voor wraking kan zijn en er geen objectief gerechtvaardigde twijfel aan onpartijdigheid bestaat.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 612199 HA RK 26-102
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
16 juni 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 27 mei 2026 mr. J.M. van Wegen gewraakt. Mr. Van Wegen (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 11993985 \ MC EXPL 25-6613 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 9 juni 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
- verzoeker;
- als toehoorder de heer [toehoorder] , wederpartij van verzoeker in de hoofdzaak.
1.3.
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend, omdat hij het niet eens is met de door de rechter uitgesproken tussenvonnis. Verzoeker vindt dat hij in het tussenvonnis niet in het ongelijk gesteld had kunnen worden, omdat hij slechts een procedurele vraag heeft gesteld over de nietigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechter en geen uitdrukkelijk verzoek heeft ingediend. De rechter had het volgens verzoeker daarom niet mogen interpreteren als een verzoek. Vervolgens is hij in het ongelijk gesteld zonder dat de rechter daarvoor een afdoende motivering heeft gegeven. Bovendien heeft de rechter een juridische fout gemaakt door hem te veroordelen om het salaris van de gemachtigde van de eisende partij te betalen, terwijl de eisende partij in de hoofdzaak in persoon procedeert. Deze handelswijze voldoet niet aan de eisen van een eerlijke en onpartijdige rechtsbedeling en verzoeker twijfelt daardoor over de onpartijdigheid en zorgvuldigheid van de rechter.
2.2.
De rechter is het niet eens met de wraking en heeft daar daarom niet in berust. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter is van mening dat van enige (schijn van) partijdigheid of onzorgvuldigheid geen sprake is of is geweest en dat het wrakingsverzoek van verzoeker moet worden afgewezen. Zij heeft de vragen die verzoeker heeft opgeworpen, gekwalificeerd als een beroep op de nietigheid van de dagvaarding en een exceptie van onbevoegdheid. Volgens de rechter brengt de zorgvuldigheid mee dat als deze procedurele aspecten aan de orde worden gesteld, al dan niet in de vorm van een vraag, zij daarover een oordeel geeft. Het in eerste instantie toegekende salaris bleek inderdaad onterecht en is daarom na het verzoek om verbetering door verzoeker hersteld in een herstelvonnis.

3.De beoordeling

Het toetsingskader

3.1.
In artikel 36 Rv Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een tussenvonnis als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van het tussenvonnis van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep.
3.4.
Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering in het tussenvonnis als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. [1] Daarvan is de wrakingskamer niet gebleken.
3.5.
De conclusie is dan ook dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek zal afwijzen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 11993985 \ MC EXPL 25-6613 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. A.F. Hermans en mr. G. Konings als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.