Eiseres diende op 7 augustus 2025 een bezwaar in tegen een besluit van 4 augustus 2025 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, wat door verweerder zelf is erkend. Eiseres stelde een ingebrekestelling op 3 maart 2026 en startte vervolgens op 20 maart 2026 beroep bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de wettelijke beslistermijn heeft overschreden en dat de dwangsom volledig is verschuldigd. Gezien de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, stelt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van vier maanden vast. Voor elke dag dat verweerder daarna nog te laat is, geldt een dwangsom van € 100,- met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van het griffierecht en een proceskostenvergoeding aan eiseres, omdat zij een professionele gemachtigde inschakelde. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.