3.3.1Feit 1 primair en subsidiair
Op grond van het dossier en hetgeen bij de behandeling op de zitting van 26 mei 2026 naar voren is gebracht, kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.
Op 14 januari 2025 omstreeks 14.30 uur heeft een gewapende overval plaatsgevonden op [juwelier] aan het [straat] in Almere. In de winkel waren op dat moment twee medewerksters aanwezig. Twee jongens kwamen de winkel binnen en riepen ‘
overval’ en ‘
handen omhoog’. Een van de jongens bedreigde de beide medewerksters met een wapen (dat later een balletjespistool bleek te zijn dat sprekend lijkt op een echt vuurwapen), terwijl de andere jongen met een hamer vitrines kapotsloeg, sieraden wegnam en in een boodschappentas stopte. De jongens zijn daarna weggerend richting Almere Buiten. Daar hebben zij de tas overgedragen aan twee andere jongens die met een fatbike bij een tunneltje stonden te wachten. Die jongens zijn met de tas weggefietst. De politie was snel ter plaatse en heeft, na een achtervolging, de jongens op de fatbike klemgereden en aangehouden. In de tas bleek het grootste deel van de buit van de overval te zitten.
[verdachte] was een van de jongens die bij het tunneltje in Almere Buiten hebben staan wachten. Hij reed voorop de fatbike, met achterop medeverdachte [medeverdachte 5] die de boodschappentas in handen had, op het moment dat de fatbike werd klemgereden door een politieauto.
[verdachte] heeft bij de politie en op zitting verklaard dat hij op 13 januari 2025 op school was toen hem via Snapchat werd gevraagd of hij een tas wilde wegbrengen naar een bushalte. Hij is naar de opgegeven locatie gegaan, maar er gebeurde niets. De volgende dag, 14 januari 2025, werd dezelfde vraag opnieuw aan hem gesteld. [verdachte] heeft [medeverdachte 5] , die een fatbike bij zich had, gevraagd om mee te gaan en samen zijn zij naar de opgegeven locatie gefietst. [verdachte] zou een mooi bedrag krijgen voor het wegbrengen van de tas en tegen hem werd gezegd dat het niets geks was en dat hij er niet zomaar voor kon worden opgepakt. Het geld dat [verdachte] zou krijgen, zou hij met [medeverdachte 5] delen. [verdachte] begreep dat er iets zou gebeuren wat ‘verkeerd’ was, maar hij wist niet waar het om zou gaan en hij heeft er ook niet naar gevraagd. [verdachte] en [medeverdachte 5] hebben staan wachten bij een tunneltje. Bij een pleintje verderop stonden vier jongens; een van deze jongens kwam naar hen toe en zei dat een tas zou worden gebracht die door [verdachte] en [medeverdachte 5] naar de bushalte moest worden gebracht. [verdachte] heeft niet gevraagd om wat voor pakketje het ging. De jongen wilde een handschoen hebben en [verdachte] heeft deze aan hem gegeven. Even later kwamen twee jongens aanrennen met een boodschappentas die zij [medeverdachte 5] in handen hebben gedrukt. [verdachte] en [medeverdachte 5] zijn op de fatbike gesprongen en weggefietst en kort daarna werd de fatbike klemgereden door een politieauto en werden [verdachte] en [medeverdachte 5] aangehouden.
Aan [verdachte] is, kort gezegd, primair tenlastegelegd diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen (het medeplegen van de gewapende overval) en subsidiair medeplichtigheid aan deze diefstal met geweld.
Voor een bewezenverklaring van diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen geldt dat het opzet van de verdachte zowel op een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader(s) moet zijn gericht, als op verwezenlijking van het tenlastegelegde gronddelict, in dit geval de diefstal met geweld (ECLI:NL:HR:2026:43). Ook voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid van diefstal met geweld geldt dat dubbel opzet is vereist: niet alleen moet worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het verschaffen van gelegenheid en middelen als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 2º van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het door de dader(s) gepleegde gronddelict, te weten het misdrijf diefstal met geweld (ECLI:NL:HR:2021:1560). De rechtbank oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] opzet heeft gehad op het gronddelict diefstal met geweld, ook niet in voorwaardelijke zin. [verdachte] heeft weliswaar, zoals ook blijkt uit zijn verklaring, geweten dat er iets zou gebeuren wat ‘verkeerd’ was en dat ook zijn eigen handelen niet juist was en hij heeft met zijn handelen feitelijk bijgedragen aan (een poging tot) het veiligstellen van de buit, maar het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt dat [verdachte] wetenschap heeft gehad van de gewapende overval. Ook blijkt niet dat [verdachte] wist dat de door [medeverdachte 5] en hem aangenomen tas de buit van de overval bevatte. De rechtbank kan dus niet vaststellen op welk strafbaar feit het (voorwaardelijke) opzet van [verdachte] was gericht: het zou ook om iets anders kunnen gaan.
Het voorgaande betekent dat zowel ten aanzien van het primair als ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde niet wordt voldaan aan het vereiste van dubbel opzet. Beide tenlastegelegde feiten kunnen niet bewezen worden verklaard en de rechtbank zal [verdachte] daarom hiervan vrijspreken.
3.3.2Feit 2
Op grond van het dossier en hetgeen bij de behandeling op de zitting van 26 mei 2026 naar voren is gebracht, kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.
Op 14 oktober 2025 heeft [verdachte] via Snapchat een bericht van ene ‘ [naam] ’ doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . Dit bericht betrof een opdracht om ‘s nachts met een taxi naar een locatie te rijden en op een woning te schieten. Het bleek te gaan om de woning aan de [adres] in [woonplaats] . In de nacht van 15 op 16 oktober 2025 is [medeverdachte 4] met een taxi naar [woonplaats] gereisd. [verdachte] had een bericht met de locatie doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] moest met een vuurwapen schieten op een raam of een deur van voornoemde woning. Omstreeks 01.30 uur is [medeverdachte 4] voor het portiek van de woning uit de taxi gestapt. Hij had op dat moment een rugtas bij zich, met daarin een Uzi bestemd om op de woning te schieten. [medeverdachte 4] is richting het portiek gelopen, heeft kort voor het bellenpaneel gestaan en is vervolgens weggelopen.
[verdachte] heeft verklaard dat hij via Snapchat van ene ‘ [naam] ’ een bericht heeft ontvangen met de vraag of hij op een huis wilde schieten. [verdachte] wilde dit niet en heeft het bericht doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] wilde dit doen en [verdachte] heeft vervolgens een groepsapp aangemaakt om [naam] en [medeverdachte 4] met elkaar in contact te brengen, omdat [naam] en [medeverdachte 4] elkaar niet kenden. [verdachte] zou 1.000 euro ontvangen. Hoeveel [medeverdachte 4] zou ontvangen, wist hij niet. [verdachte] heeft in de groepsapp een bericht gezien dat het schieten gefilmd moest worden. In opdracht van [naam] heeft [verdachte] een locatie in [woonplaats] doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . Toen [medeverdachte 4] in de nacht van 15 op 16 oktober 2025 niet meer bereikbaar was, heeft [verdachte] in opdracht van [naam] geprobeerd contact op te nemen met [medeverdachte 4] .
3.3.2.1
Vrijspraak feit 2 primair
Aan [verdachte] is tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (het verrichten van) handelingen ter voorbereiding van (één van) de misdrijven moord, doodslag en/of het ter beschikking stellen en/of verhandelen van wapens en munitie. Dit betekent dat de tenlastegelegde (voorbereidings)handelingen, te weten: het verkrijgen en voorhanden hebben van telefoons, een vuurwapen en munitie, gericht moeten zijn geweest op het plegen van (één van) deze misdrijven.
De rechtbank oordeelt dat de tenlastegelegde (voorbereidings)handelingen niet waren gericht op het plegen van moord. Het dossier bevat namelijk geen enkel bewijs dat bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte rade om een persoon van het leven te beroven.
Deze handelingen waren evenmin gericht op het ter beschikking stellen en/of verhandelen van (een) wapen(s) van categorie II en munitie; het dossier bevat daarvoor geen enkele aanwijzing.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is geweest van handelingen ter voorbereiding van het misdrijf doodslag.
De rechtbank oordeelt dat geen bewijs aanwezig is dat sprake is geweest van de uitdrukkelijke bedoeling (vol opzet) om een persoon (een bewoner van voornoemde woning) van het leven te beroven. Dit geldt voor zowel [verdachte] als voor medeverdachte [medeverdachte 4] . De omstandigheden duiden daar naar het oordeel van de rechtbank niet op; immers zou het schieten hebben plaatsgevonden omstreeks 01.30 uur ’s nachts, in de richting van een donkere woning, niet wetend of iemand in de woning aanwezig was en waar een mogelijk in de woning aanwezige persoon zich zou kunnen bevinden. Onder die omstandigheden zou het schieten op de woning naar het oordeel van de rechtbank eerder duiden op het afgeven van een bedreigende boodschap.
De vraag is vervolgens of sprake zou zijn geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van een bewoner van de woning aan de [adres] : of willens en wetens de aanmerkelijke kans zou zijn aanvaard dat door het schieten op deze woning, een bewoner van de woning het leven zou laten. Het schieten met een vuurwapen, bij uitstek geschikt om iemand mee te doden, kan onder omstandigheden een aanmerkelijke kans op de dood met zich meebrengen. Het is evenwel vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het bestaan van een aanmerkelijke kans empirisch moet worden benaderd. Het moet gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, in dit geval de dood van een bewoner van voornoemde woning. Daarbij mogen de aard van het risico en het gevaarzettende karakter van de gedraging geen indicator vormen.
In het licht van deze vaste jurisprudentie komt de rechtbank tot de conclusie dat, als onder voornoemde omstandigheden op de woning zou zijn geschoten, er geen feitelijk aanmerkelijke kans bestond op de dood van een bewoner van deze woning. Uit het dossier blijkt namelijk niet of in de nacht van 15 op 16 oktober 2025 omstreeks 01.30 uur ’s nachts iemand in de woning aanwezig is geweest en is - als iemand in de woning aanwezig was geweest - evenmin gebleken waar deze persoon zich in de woning zou hebben bevonden.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat, als op de woning zou zijn geschoten, een aanmerkelijke kans op de dood van een in die woning aanwezige persoon zou hebben bestaan, waardoor voorwaardelijk opzet op de dood niet kan worden aangenomen.
Het voorgaande leidt ertoe dat vrijspraak moet volgen van feit 2 primair.
3.3.2.2
Bewijsmiddelen feit 2 subsidiair
De rechtbank oordeelt dat feit 2 subsidiair is bewezen. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
3.3.2.3
Bewijsoverwegingen feit 2 subsidiair
Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij met [medeverdachte 4] contact had op het moment dat hij van ‘ [naam] ’ een bericht kreeg met de vraag of hij op een huis wilde schieten. Hij vertelde [medeverdachte 4] daarover en zei dat hij, [verdachte] , het niet ging doen. [medeverdachte 4] zei volgens [verdachte] toen dat hij het wel wilde doen en daarom heeft [verdachte] hem dat bericht doorgestuurd. De verdediging voert aan dat [verdachte] aldus niet heeft geprobeerd [medeverdachte 4] te bewegen om op het huis te schieten, maar dat het op eigen initiatief was dat [medeverdachte 4] dit aanbood. De rechtbank verwerpt dat verweer en vindt bewezen dat [verdachte] heeft geprobeerd medeverdachte [medeverdachte 4] te bewegen om op een woning te schieten en (daarmee) om de bewoner van die woning te bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling en/of om die woning te beschadigen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
[verdachte] heeft op 14 oktober 2025 om 22.43 via Snapchat een bericht van ene ‘ [naam] ’ doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . In dit bericht geeft [naam] opdracht om ’s nachts met een taxi naar een bepaalde locatie te gaan en op een adres te schieten. In het bericht wordt ook de betaling van een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld: ‘
volgende dag meet je me, heb je je doekoe’. Dat dit bericht niet op initiatief van [verdachte] , maar op initiatief van [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 4] is doorgestuurd is niet aannemelijk. [verdachte] geeft immers niet alleen het bericht door aan [medeverdachte 4] , maar blijft hem ook daarna aansturen. Hij heeft een groepsapp aangemaakt om [naam] en [medeverdachte 4] (die elkaar niet kenden) met elkaar in contact te brengen en heeft in de nacht van 15 op 16 oktober 2025 een bericht naar [medeverdachte 4] gestuurd met de exacte locatie van de woning waarop geschoten moest worden. Daarbij komt dat [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij door iemand anders is benaderd voor deze opdracht en dat hij deze persoon al kende. Uit het dossier volgt dat het [verdachte] is geweest die het bericht van ‘ [naam] ’ aan [medeverdachte 4] heeft doorgestuurd en dat [verdachte] dus degene is geweest die [medeverdachte 4] heeft benaderd. De rechtbank vindt daarom bewezen dat [verdachte] heeft geprobeerd [medeverdachte 4] te bewegen op het huis in [woonplaats] te schieten. Hij heeft [medeverdachte 4] voorzien van gelegenheid en inlichtingen om dit misdrijf te plegen, met de belofte dat hij, [medeverdachte 4] , daarvoor een geldbedrag zou ontvangen.
[medeverdachte 4] is in de nacht van 15 op 16 oktober 2025 met een taxi naar de opgegeven locatie in Rotterdam gereisd en heeft met een Uzi voor de woning gestaan waarop geschoten moest worden, maar heeft uiteindelijk niet geschoten. Dit betekent dat het niet tot voltooiing van het misdrijf is gekomen en dat de tenlastegelegde poging als bedoeld in artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht bewezen is.
De rechtbank oordeelt dat uit het dossier onvoldoende blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking van [verdachte] met een of meer anderen bij zijn poging [medeverdachte 4] zover te krijgen dat hij op het huis zou schieten en zal [verdachte] daarom vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.