Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3264

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
C/16/601868 / HA ZA 25-543
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:401 BWArt. 6:162 BWArt. 4:23 Wft
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering op grond van overlijdensrisicoverzekering en zorgplichtschending assurantietussenpersoon

Eiser en zijn ex-partner sloten in 2021 via Rabobank overlijdensrisicoverzekeringen af bij Interpolis ter dekking van hun hypotheek. Na hun scheiding in 2024 overleed de ex-partner in 2025, waarna een geschil ontstond over de uitkering van de verzekering. Eiser vorderde een verklaring voor recht dat hij recht heeft op uitkering en schadevergoeding wegens een vermeende zorgplichtschending door Rabobank en Interpolis.

De rechtbank oordeelt dat Interpolis geen zorgplicht had als verzekeraar en niet gehouden is tot uitkering, aangezien eiser geen begunstigde was op de polis van zijn ex-partner. Rabobank had wel een zorgplicht, maar deze is niet geschonden omdat de keuze voor geen kruislingse begunstiging gebruikelijk was bij hun huwelijksgemeenschap en de mogelijkheid tot kruislingse begunstiging was besproken.

Verder was Rabobank niet verplicht om te adviseren over toekomstige erfrechtelijke gevolgen na echtscheiding. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden of dat er sprake is van onduidelijkheid in de begunstigingsregeling. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af wegens het ontbreken van een zorgplichtschending en bevestigt dat hij geen recht heeft op uitkering uit de overlijdensrisicoverzekering.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/601868 / HA ZA 25-543
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.W. Lagerwaard,
tegen

1.COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

te Utrecht,
advocaat: mr. L. Hageman,
hierna te noemen: Rabobank,
2.
ACHMEA PENSIOEN-EN LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,
te Apeldoorn,
advocaat: mr. P.M. Leerink,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: Interpolis.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding voor Rabobank met twee producties
- de dagvaarding voor Interpolis met twee producties
- de herstelexploten voor Rabobank en Interpolis
- de conclusie van antwoord van Rabobank met 6 producties
- de conclusie van antwoord van Interpolis met 5 producties
- de e-mail waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte tot vermeerdering van eis van [eiser]
- de pleitnota van [eiser] , die op voorhand aan de rechtbank en aan de wederpartij is gestuurd
- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier
- de spreekaantekeningen van Rabobank
- de spreekaantekeningen van Interpolis.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] was getrouwd met [A] . In 2021is [eiser] samen met [A] naar de Rabobank gegaan om overlijdensrisicoverzekeringen af te sluiten ter dekking van hun hypothecaire verplichtingen. [eiser] en [A] hebben toen beiden, via de Rabobank, een overlijdensrisicoverzekering op hun eigen leven afgesloten bij Interpolis. [eiser] en [A] zijn in 2024 gescheiden. [A] is overleden in 2025 en er is een geschil ontstaan tussen [eiser] en de kinderen/erfgenamen over de uitkering op grond van de overlijdensrisicoverzekering. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat hij recht heeft op uitkering op grond van de overlijdensrisicoverzekering van [A] , subsidiair op grond van zijn eigen overlijdensrisicoverzekering, veroordeling van Interpolis tot betaling van het verzekerde bedrag en hoofdelijke veroordeling van Rabobank en Interpolis tot betaling van schadevergoeding. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af.

3.De beoordeling

3.1
Voordat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke beoordeling, overweegt zij als volgt. [eiser] stelt zich op het standpunt dat Rabobank en Interpolis onrechtmatig hebben gehandeld door hem en zijn (toenmalige) echtgenote [A] onjuist te adviseren. Welke normen Rabobank en Interpolis geschonden zouden hebben is niet voldoende uitgewerkt in de dagvaarding, in de vermeerdering van eis en ook niet in de pleitnota van [eiser] .
3.2
Tijdens de zitting is het duidelijker geworden wat het standpunt van [eiser] is. [eiser] is van mening dat hij recht heeft op een uitkering op grond van de overlijdensrisicoverzekering van [A] omdat hij de begunstigde op de polis had moeten zijn. [eiser] heeft tijdens de zitting erkend dat door de scheiding van [A] , niet hij, maar de kinderen van [A] de begunstigden zijn van de overlijdensrisicoverzekering van [A] . Maar, zo stelt [eiser] , er is sprake van een zorgplichtschending door Rabobank en Interpolis. Daarom heeft [eiser] naar eigen zeggen schade geleden en zou hij een uitkering moeten krijgen op grond van de overlijdensrisicoverzekering van [A] of zijn eigen overlijdensrisicoverzekering.
Interpolis had geen zorgplicht tegenover [eiser] en [A]
3.3
Wat betreft Interpolis geldt het volgende. Het standpunt van [eiser] is dat Interpolis hem en [A] niet goed geadviseerd heeft waardoor er ten onrechte geen overlijdensrisicoverzekering met kruislingse begunstiging is afgesloten. En door deze zorgplichtschending zou hij alsnog recht hebben op een uitkering op grond van de overlijdensrisicoverzekering van [A] , subsidiair op grond van zijn eigen overlijdensrisicoverzekering, alsof er wel een overlijdensrisicoverzekering met kruislingse begunstiging was afgesloten en hij de begunstigde zou zijn. Daarnaast stelt [eiser] dat Interpolis een schadevergoeding zou moeten betalen.
3.4
Interpolis is alleen de verzekeraar en was geen adviseur van [eiser] en [A] . De keuze voor de overlijdensrisicoverzekering is gemaakt op basis van het advies van Rabobank. Interpolis heeft geen advies gegeven. In dit kader heeft [eiser] nog gewezen op artikel 4:23 Wft Pro waar in staat: “
Financiële ondernemingen moeten informatie inwinnen over de financiële positie, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van de consument of client, en dit gebruiken bij het geven van advies.” Er was echter sprake van een duidelijke functiescheiding tussen Interpolis als verzekeraar en Rabobank als adviseur. Interpolis kreeg alleen door van de Rabobank wat voor product [eiser] en [A] wilden afsluiten. Het was niet aan Interpolis om het advies van Rabobank te controleren dan wel nog een keer over te doen. Interpolis had geen adviesplicht tegenover [eiser] en [A] .
3.5
De conclusie is dat Interpolis geen zorgplicht (adviesplicht) had tegenover [eiser] en Interpolis. Er kan daarom ook geen sprake zijn van schending van een zorgplicht. Interpolis is daarom niet gehouden om een schadevergoeding te betalen aan [eiser] of om tot uitkering op grond van de overlijdensrisicoverzekering van [A] over te gaan, alsof er sprake zou zijn geweest van kruislingse begunstiging.
Interpolis is niet gehouden om tot uitkering over te gaan
3.6
Naast de zorgplichtschending heeft [eiser] nog een aantal argumenten aangevoerd waarom Interpolis over zou moeten gaan tot uitkering op grond van de overlijdensrisicoverzekering van [A] .
3.7
Volgens [eiser] brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat de uitkering toekomt aan de partij voor wiens belangen de verzekering was bedoeld, namelijk de verzekeringnemer die jarenlang premies heeft voldaan en het overlijdensrisico wilde afdekken. Dat [eiser] al die tijd de premie is blijven betalen is geen argument om tot de conclusie te komen dat hij een uitkering zou moeten krijgen op basis van de overlijdensrisicoverzekering van [A] . De premie werd ten eerste betaald van de en/of rekening van [eiser] en [A] en niet van de rekening van [eiser] zelf. En ten tweede: zelfs al zou het zo zijn dat [eiser] de premie altijd betaald heeft dan geldt dat de enkele omstandigheid dat iemand de premie voor een levensverzekering betaalt, onvoldoende is om aanspraak te maken op het uitgekeerde kapitaal. [1]
3.8
[eiser] heeft ook aangevoerd dat als er onduidelijkheid bestaat over de begunstigingsregeling dat die onduidelijkheid in de verzekeringsvoorwaarden dan uitgelegd dient te worden tegen de opsteller (hier: Interpolis), wat tot uitkering aan [eiser] zou moeten leiden. In deze zaak bestaat er geen onduidelijkheid over de begunstigingsregeling. Op het polisblad van de verzekeringen van [eiser] en [A] is de rangorde van personen aan wie Interpolis uitkeert na overlijden (duidelijk) vastgelegd:
1. Verzekeringnemer(s)
2. Echtgeno(o)t(e) / geregistreerd partner van de verzekeringnemer
3. Kinderen van de verzekeringnemer(s)
4. Erfgenamen van de verzekeringnemer(s).
Omdat [eiser] geen verzekeringnemer is van de overlijdensrisicoverzekering van [A] en ook geen echtgenoot meer was toen [A] overleed, is hij geen begunstigde meer. Daar is geen onduidelijkheid over, zodat dit niet tot uitkering aan [eiser] hoeft te leiden.
3.9
De conclusie is dat Interpolis niet gehouden om tot uitkering over te gaan op grond van de overlijdensrisicoverzekering van [A] , omdat [eiser] geen begunstigde was op de overlijdensrisicoverzekering en de argumenten om van de begunstigingsregeling af te wijken niet opgaan.
3.1
[eiser] heeft subsidiair uitkering gevorderd op grond van de overlijdensrisicoverzekering die hij op zijn eigen leven heeft afgesloten. Dit is niet mogelijk, omdat het verzekerde voorval zich niet heeft voorgedaan. [eiser] leeft namelijk nog. Het zou in die zin dus alleen kunnen gaan om uitkering onder de overlijdensrisicoverzekering van [A] en daar is Interpolis niet toe gehouden.
3.11
Dit betekent dat alle vorderingen van [eiser] tegen Interpolis worden afgewezen.
Rabobank heeft haar zorgplicht niet geschonden en hoeft geen schadevergoeding te betalen
Zorgplicht voor Rabobank als assurantietussenpersoon
3.12
Artikel 7:401 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat een opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een assurantietussenpersoon (hier Rabobank) tegenover zijn opdrachtgever (hier [eiser] en [A] ) de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat - kort gezegd - de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die de hem bekende feiten, naar hij als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon behoort te begrijpen, voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Daarbij gaat het om feiten die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Bij dit laatste geldt dat indien de tussenpersoon niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt dient te informeren. [2]
3.13
Hoewel [eiser] dat niet duidelijk heeft gemaakt, begrijpt de rechtbank dat zijn stelling is dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden en daardoor de schade moet vergoeden die [eiser] lijdt. De hoogte van deze schade is gelijk aan de hoogte van de uitkering die [eiser] op grond van de overlijdensrisicoverzekering van [A] zou moeten krijgen.
Vermeende zorgplichtschending door Rabobank
3.14
Rabobank had tegenover [eiser] wel een zorgplicht. [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd dat Rabobank haar zorgplicht op grond van artikel 7:401 BW Pro heeft geschonden door geen kruislingse begunstiging te adviseren. Hij stelt alleen dat er in 95% van de gevallen een overlijdensrisicoverzekering wordt geadviseerd met een kruislingse begunstiging en dat Rabobank daarom aan hem en [A] kruislingse begunstiging had moeten adviseren. Rabobank daarentegen heeft in de conclusie van antwoord en tijdens de zitting toegelicht waarom er niet is gekozen voor een kruislingse begunstiging. Dit was niet nodig omdat [eiser] en [A] getrouwd waren in gemeenschap van goederen. Dan is er geen noodzaak om kruislings te verzekeren omdat de uitkering uit de overlijdensrisicoverzekering in de gemeenschap valt en automatisch toekomt aan de langstlevende. Volgens Rabobank is het in dergelijke situaties gebruikelijk om ervoor te kiezen om het eigen leven te verzekeren.
3.15
[eiser] heeft ook nog aangevoerd dat Rabobank geen melding heeft gemaakt van de beschikbaarheid van kruislingse begunstiging als alternatief voor verzekeringen afgesloten op het eigen leven. Uit het rapport ‘Lenen en Wonen’ van Rabobank van 10 mei 2021, overgelegd als productie 1 bij de conclusie van antwoord van Rabobank, blijkt dat er wel is gewezen op die mogelijkheid. Op pagina 18 staat genoemd ‘nieuwe verzekering via advies Rabobank’ op het leven van ‘Zichzelf’. Daarboven staat een oude overlijdensrisicoverzekering genoemd die was afgesloten op het leven van ‘Beiden’. Daaruit blijkt dat deze mogelijkheid wel is besproken met [eiser] en [A] en dat zij bij een eerdere verzekering wel hadden gekozen voor kruislingse begunstiging toen zij nog niet gehuwd waren. Van die mogelijkheid waren zij dus op de hoogte.
3.16
Volgens [eiser] had Rabobank ook een waarschuwing moeten geven voor het problematische gevolg van individuele verzekeringen bij echtscheiding. De zorgplicht van een bank strekt echter niet zo ver dat zij advies dient te geven over mogelijke, toekomstige, erfrechtelijke of familierechtelijke gevolgen van de aanschaf van een product. In het rapport Lenen en Wonen van 10 mei 2021 en het Rapport Lenen en Wonen van 6 september 2021 staat ook duidelijk dat Rabobank geen kennis heeft van de erfrechtelijke positie van partijen bij overlijden en dat zij hierover geen advies verstrekt. Rabobank heeft [eiser] en [A] er daarnaast in het rapport Lenen van Wonen op gewezen dat als in de toekomst de gezinssituatie zou veranderen, zij contact op moesten nemen zodat Rabobank kon beoordelen wat de verandering voor hen zou betekenen. Dat hebben zij niet gedaan.
3.17
In het verlengde hiervan heeft [eiser] ook nog aangevoerd dat Rabobank ten onrechte geen uitleg over begunstigingswijzigingen bij beëindiging van een relatie heeft gegeven. Ook hier geldt dat Rabobank daartoe op grond van de zorgplicht niet gehouden was. Uit de in overweging 3.12 aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat Rabobank alleen rekening moet houden met feiten die bekend zijn of die aan hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Dat er jaren na het afsluiten van het product een echtscheiding zou volgen, is geen feit dat bekend was of bekend had behoren te zijn op het moment dat [eiser] en [A] de verzekering afsloten. Bovendien is het zo dat het doel waarvoor de overlijdensrisicoverzekering was afgesloten, namelijk om te kunnen blijven voldoen aan de hypothecaire verplichtingen na het overlijden van [A] , niet meer aan de orde was bij de echtscheiding. Bij de echtscheiding is de gezamenlijk woning namelijk aan [eiser] toebedeeld en hij was dus in staat om te voldoen aan zijn hypothecaire verplichtingen, ook bij eventueel overlijden van [A] . De noodzaak voor de dekking was daarmee vervallen en er was ook geen reden om [eiser] in afwijking van de polisvoorwaarden als begunstigde aan te merken.
3.18
De conclusie is dat Rabobank haar zorgplicht niet heeft geschonden.
3.19
In de dagvaarding heeft [eiser] ook nog artikel 6:162 BW Pro als grondslag voor aansprakelijkheid genoemd. [eiser] heeft deze grondslag vervolgens niet uitgewerkt. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom er op grond van artikel 6:162 BW Pro sprake zou kunnen zijn van een schadevergoeding.
Ook als Rabobank haar zorgplicht zou hebben geschonden: [A] wilde de verzekering niet wijzigen
3.2
Voor zover er al een zorgplichtschending zou zijn van Rabobank, omdat er ten onrechte geen kruislingse verzekering is geadviseerd, dan geldt het volgende. [eiser] en [A] zijn gescheiden. [A] heeft in een telefoongesprek van [.] juli 2024, ten tijde van de scheiding, uitdrukkelijk aan Rabobank doorgegeven dat zij wilde dat de overlijdensrisicoverzekering zou doorlopen in verband met de aanschaf van een woning voor haarzelf. [A] heeft niet gezegd dat zij de verzekering wilde wijzigen. Het was op dat moment, vanwege de scheiding, ook logisch dat de polis op haar leven was afgesloten en niet op het leven van [eiser] . [eiser] heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat [A] niet begrepen zou hebben hoe de begunstiging was onder de overlijdensrisicoverzekering en dat zij alsnog (na de scheiding) de bedoeling had om hem als begunstigde aan te wijzen in geval van haar overlijden. [A] mocht als verzekeringnemer en begunstigde zelf beslissen over de overlijdensrisicoverzekering en daar had zij geen toestemming van [eiser] voor nodig.
3.21
De conclusie van de rechtbank is dat de Rabobank haar zorgplicht niet heeft geschonden en dat Rabobank niet gehouden is om een schadevergoeding te betalen ter hoogte van het op grond van de overlijdensrisicoverzekering van [A] verzekerde bedrag.
[eiser] moet € 2.209,00 aan proceskosten betalen aan Rabobank en Interpolis
3.22
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen aan Rabobank en Interpolis. De proceskosten van Rabobank en Interpolis worden, voor beiden afzonderlijk, begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Rabobank van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Interpolis van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBGEL:2026:475.
2.HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122, NJ 2003, 375, rov. 3.4.1