Eiser en gedaagde zijn ex-echtelieden die hun pensioenrechten hebben verevend in een echtscheidingsconvenant uit 1997. Eiser vordert betaling van zijn deel van het pensioen van gedaagde, omdat gedaagde haar pensioen heeft afgekocht, waardoor eiser zijn deel niet ontvangt.
De kantonrechter stelt vast dat de afkoop van het pensioen in 1998 of uiterlijk 2000 heeft plaatsgevonden, waardoor de vordering tot schadevergoeding verjaard is. De verjaringstermijn van twintig jaar is verstreken, ook al kon eiser pas in 2024 weten van de afkoop.
Hoewel de vordering verjaard is, oordeelt de kantonrechter dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door het pensioen af te kopen. Eiser krijgt daarom geen rechtens afdwingbare vordering, maar er blijft een natuurlijke verbintenis bestaan.
Eiser krijgt een machtiging om namens gedaagde het pensioenfonds te verzoeken de uitkeringen aan gedaagde stop te zetten, omdat gedaagde niet meewerkt aan de stopzetting. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en uitgesproken door mr. A.R. Creutzberg op 3 juni 2026.