Eiseres, werkgever van een werkneemster die zich in 2022 ziek meldde, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. De werkneemster had een uitkering aangevraagd op grond van de Wet WIA, maar het UWV besloot de aanvraag niet te behandelen vanwege het ontbreken van een bevredigend re-integratieresultaat.
De rechtbank oordeelt dat eiseres het arbeidsconflict en de verstoorde arbeidsverhouding onvoldoende heeft aangepakt, ondanks signalen van de werkneemster over een slechte werksfeer en pestgedrag. Eiseres had meer moeten doen, zoals het onderzoeken van herplaatsing in een ander filiaal, om het herstel van de werkneemster te bevorderen.
Verder concludeert de rechtbank dat eiseres re-integratiekansen in het eerste spoor heeft gemist en onvoldoende heeft onderzocht waarom werkneemster niet in een ander filiaal kon re-integreren. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel faalt, omdat er geen concrete toezegging was en het hoor- en wederhoor-principe is toegepast.
De rechtbank bevestigt dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie en dat er geen deugdelijke grond is om de loonsanctie te vernietigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft in stand.