ECLI:NL:RBMNE:2026:319

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/6396
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voorschot compensatie kinderopvangtoeslag

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2010 en 2011, welke door Dienst Toeslagen is afgewezen. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening voor een voorschot van €30.000,- en kosten voor heraansluiting van water en elektriciteit.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is omdat de huidige levenssituatie van verzoekster niet het gevolg is van het bestreden besluit. Ook is het besluit niet evident onrechtmatig, aangezien verzoekster geen schade heeft geleden door besluiten van Dienst Toeslagen. Wel is Dienst Toeslagen tegemoetgekomen met een voorschot van €5.300,- op een verbeurde rechterlijke dwangsom.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De voorzieningenrechter neemt geen beslissing over het voorschot op de dwangsom, omdat dit onder de burgerlijke rechter valt. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een voorschot op compensatie kinderopvangtoeslag wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6396

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2010 en 2011. Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2024 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter op 4 november 2025 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen zodat Dienst Toeslagen een bedrag van € 30.000,- als voorschot op de compensatie moet uitbetalen en de kosten te voldoen die noodzakelijk zijn voor heraansluiting van water- en elektriciteitsvoorziening van verzoekster.
Dienst Toeslagen heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben digitaal deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de tolk, E. Wever. De gemachtigde van Dienst Toeslagen was fysiek aanwezig in de rechtbank.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Bestreden besluitvorming
1. Verzoekster heeft een verzoek gedaan tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag in 2010 en 2011. Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) heeft de situatie van verzoekster beoordeeld en heeft geconstateerd dat er geen recht is op een vergoeding over de jaren 2010 en 2011. De compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is volgens UHT niet van toepassing op verzoekster.
Is er sprake van spoedeisend belang?
2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemprocedure niet. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek moet worden beoordeeld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. In dit kader is van belang dat de spoedeisendheid betrekking moet hebben op de onmogelijkheid om eventuele gevolgen van een besluit nog te herstellen (onomkeerbaarheid).
3. Verzoekster heeft over het spoedeisend belang aangevoerd dat sprake is van een ontwrichtende levenssituatie. Verzoekster woont met haar 22-jarige zoon en 21-jarige studerende dochter in een tuinhuisje zonder water en elektriciteit. De zoon van verzoekster heeft chronische medische problemen en is rolstoelafhankelijk sinds een ernstig auto-ongeluk drie jaar geleden. Er is geen instantie, familie of organisatie die hulp kan verlenen aan verzoekster. Gelet op de omstandigheden die de menswaardigheid van het bestaan raken is sprake van onomkeerbare schade. Daar komt bij dat Dienst Toeslagen de beslistermijn heeft overschreden. Het is niet redelijk om te verlangen dat verzoekster de uitkomst van de bezwaarprocedure afwacht.
4. Dienst Toeslagen heeft aangevoerd dat er geen sprake is van spoedeisend belang. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onomkeerbare situatie zoals faillissement of acute financiële nood. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de situatie van verzoekster het gevolg is van het bestreden besluit.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Het is niet gebleken dat verzoekster in de huidige situatie terecht is gekomen door de weigering van Dienst Toeslagen om haar aan te merken als gedupeerde. De voorzieningenrechter ziet wel in dat een eventuele compensatie de problemen van verzoekster zou kunnen oplossen. In de weigering van die compensatie ziet de voorzieningenrechter niet de oorzaak van de problemen van verzoekster. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat de bezwaarprocedure lang duurt, merkt de voorzieningenrechter op dat dat geen reden is om spoedeisend belang aan te nemen. De onderliggende procedure is namelijk de bezwaarprocedure tegen de weigering van compensatie op grond van de Wht en niet een beroep wegens niet tijdig beslissen. De duur van de procedure blijft daarom buiten bespreking van dit verzoek.
Is het besluit evident onrechtmatig?
6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door Dienst Toeslagen ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden. Uit het dossier volgt dat verzoekster alleen voor het jaar 2010 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Verzoekster heeft gesteld dat zij Nederland eind 2010 heeft verlaten omdat zij geconfronteerd werd met een terugvordering van de belastingdienst. Het vertrek van verzoekster uit Nederland heeft echter niet verband gehouden met de uitvoering van de regels omtrent de kinderopvangtoeslag omdat zij vóór 2010 geen kinderopvangtoeslag genoot en de terugvordering kinderopvangtoeslag pas veel later is vastgesteld. Uit het dossier blijkt dat Dienst Toeslagen in 2013 een terugvordering van € 19.613,- heeft opgesteld en ook dat deze terugvordering nooit is geëffectueerd en buiten invordering is gesteld. De terugvordering over het jaar 2011 is eveneens nooit geëffectueerd en buiten invordering gesteld. Het is daarom niet aannemelijk dat verzoekster schade heeft geleden zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Daarom komt verzoekster niet in aanmerking voor compensatie. De weigering van Dienst Toeslagen om verzoekster aan te merken als gedupeerde en compensatie toe te kennen, is dus niet evident onrechtmatig.
Belangenafweging
7. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen.
Voorschot verbeurde rechterlijke dwangsom
8. Op grond van het dossier en hetgeen op zitting is gezegd is wel duidelijk dat verzoekster zich in een precaire situatie bevindt. Op de zitting is besproken of Dienst Toeslagen een voorschot op de inmiddels verbeurde rechterlijke dwangsom [1] kan verstrekken in verband met de financiële problemen van verzoekster. Dienst Toeslagen heeft per e-mailbericht van 26 januari 2026 laten weten dat € 5.300,- zal worden uitgekeerd aan verzoekster als zijnde een voorschot op de lopende dwangsomverplichting. Het bedrag is berekend tot de dag van de zitting van 20 januari 2026. Op die manier wordt er tegemoetkomen aan de situatie van verzoekster.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen voorschot op een compensatie krijgt van Dienst Toeslagen. De voorzieningenrechter neemt geen beslissing over het voorschot op de verschuldigde dwangsom omdat daarvoor alleen de burgerlijke rechter bevoegd is. [2] Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Artikel 8:55d, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht.