6.3.Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel(en) houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] (bijna twee jaar), [slachtoffer 3] (vijf maanden) en [slachtoffer 4] (vier maanden).
Belaging, ‘stalking’, is een ernstig feit omdat de verdachte daarmee een ongewenste claim op het persoonlijk leven van het slachtoffer legt. Het is een feit van algemene bekendheid dat belaging, vooral als die langere tijd voortduurt, het leven van een slachtoffer in negatieve zin kan gaan beheersen. Op die manier worden slachtoffer ernstig aangetast in hun vrijheid en persoonlijke levenssfeer.
De verdachte heeft gedurende langere tijd op intensieve en indringende manieren geprobeerd contact te leggen met zijn slachtoffers. Bij [slachtoffer 1] duurde dit het langst. De aangever moest voortdurend over zijn schouder kijken uit angst voor een confrontatie met de verdachte. Dit leidde tot voortdurende gevoelens van machteloosheid, onzekerheid en onveiligheid, met onder andere stress en slaaptekort als gevolg. De verdachte heeft [slachtoffer 1] en personen uit zijn netwerk meerdere keren opgezocht en aangesproken, ondanks dat duidelijk was gemaakt dat het slachtoffer geen contact wilde. Er vond een stopgesprek plaats, er werd aangifte gedaan en hij kreeg tijdens de voorlopige hechtenis maar liefst zes schorsingskansen, waarbij hij telkens werd gewaarschuwd geen contact met het slachtoffer op te nemen. Ondanks deze waarschuwingen zocht hij herhaaldelijk toch contact, zelfs als dat betekende dat hij opnieuw in hechtenis werd genomen.
De grote impact van het gedrag van de verdachte blijkt uit de verschillende aangiftes en vooral uit de schriftelijke slachtofferverklaring die namens [slachtoffer 3] door de officier van justitie is voorgelezen. Daarin is helder verwoord hoe het gevoel van onrust, veroorzaakt door de angst voor een ongewenst weerzien met de verdachte en het ontvangen van telefoontjes en berichten – zelfs toen de verdachte in detentie zat – de persoonlijke vrijheid en levenssfeer van het slachtoffer ernstig heeft aangetast.
Ook [slachtoffer 4] heeft door het gedrag van de verdachte een tijdlang in angst moeten leven. Angst voor een ontmoeting met de verdachte, angst voor zijn naasten en angst voor het ongewisse over wat de verdachte zou kunnen doen.
Hoewel de verdachte erkent dat hij in sommige situaties te ver is gegaan, stelt hij tot in zijn laatste woord dat hij uit emotie handelde, dat hem zelf ook onrecht is aangedaan en dat hij slechts ‘antwoorden’ wilde. Er is geen sprake van berouw of schuldbesef bij de verdachte, wat het gevoel van veiligheid bij de slachtoffers niet ten goede komt. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij haar oordeel over de gevorderde tbs-maatregel met dwangverpleging.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- het strafblad van de verdachte van 4 april 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;
- een pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 28 januari 2026;
- een reclasseringsadvies van 26 maart 2026, uitgebracht door Reclassering Nederland.
Pro Justitia rapportage
De psycholoog en de psychiater van het Pieter Baan Centrum concluderen dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en histrionische kenmerken. Het gaat daarbij om een combinatie van kenmerken, zonder dat één specifieke trek centraal staat. De persoonlijkheidsstoornis was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. De psycholoog en de psychiater adviseren het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De psycholoog en de psychiater geven aan dat de verdachte met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten nog steeds de overtuiging heeft dat hij iets goed heeft gedaan en hem niets te verwijten valt. Dit als gevolg van een ontbrekend ziektebesef.
Zowel de psycholoog als de psychiater schatten het risico dat de verdachte de aangevers – of een nieuw slachtoffer – opnieuw gaat stalken als hoog in. Het strafbaar handelen van de verdachte wordt namelijk in belangrijke mate beïnvloed door zijn persoonlijkheidsstoornis waarbij in hoge mate sprake is van volharding. Het risico dat de verdachte zich opnieuw niet houdt aan voorwaarden wordt ook als hoog ingeschat. Het risico op geweld als escalatie van belaging wordt niet als direct risico gezien. Er is namelijk geen documentatie van agressief gedrag. Wel bestaat een hoog risico op psychosociale schade bij de verdachte zelf als gevolg van de frustraties en teleurstelling die het belagen opleveren (bijvoorbeeld wanneer het willen herstellen van een band of relatie telkens niet lukt).
Gezien de ernstige pathologie, de doorwerking in het tenlastegelegde en het hoge risico op herhaling van delictgedrag, adviseren de psycholoog en de psychiater om een langdurende gedwongen behandeling op te leggen om het risico op delictgedrag duurzaam te verminderen. De noodzakelijke behandeling kan goed worden vormgegeven in een tbs met dwangverpleging. Minder vergaande alternatieven worden niet haalbaar geacht, vanwege de complexe persoonlijkheidsstoornis, een ontbrekend ziektebesef, het gebrek aan inzicht en het ontbreken van elke motivatie voor behandeling.
De psycholoog en de psychiater adviseren alles overwegend om de behandeling op te leggen in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Reclasseringsrapport
De reclassering concludeert, net als de psycholoog en de psychiater, dat het bij de verdachte ontbreekt aan behandelmotivatie. Hij kan en wil zich niet houden aan bijzondere voorwaarden. Omdat betrouwbare samenwerking en instemming met voorwaarden essentieel zijn voor tbs met voorwaarden, ziet de reclassering geen mogelijkheid om voor een dergelijke maatregel een werkbaar plan van aanpak op te stellen.
Gelet op de wens van de slachtoffers om aan de verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen, en omdat de verdachte deze gedurende de schorsing van de preventieve hechtenis, voortdurend heeft overtreden, adviseert de reclassering – bij een veroordeling tot een tbs-maatregel – om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Deze maatregel zorgt ervoor dat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden, ook na de (gemaximeerde) tbs of gevangenisstraf kunnen worden toegepast.
Verminderde toerekenbaarheid
In de hiervoor genoemde rapportage van de psychiater en de psycholoog wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Nu de conclusies van de psychiater en de psycholoog gedragen worden door hun bevindingen, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht. Ook hiermee houdt de rechtbank dus rekening bij het bepalen van de straf en maatregel.
De op te leggen straf
Gelet op de aard, de ernst en de duur van de feiten oordeelt de rechtbank dat een langdurige gevangenisstraf passend en geboden is. Bij het bepalen van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gelet op straffen die voor soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van één jaar opleggen, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De feiten rechtvaardigen een gevangenisstraf van lange duur, maar de rechtbank heeft ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld en het bewezenverklaarde in verminderde mate aan hem is toe te rekenen.
De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, en omdat de rechtbank uitgaat van een ander uitgangspunt op basis van vergelijkbare zaken, uit op een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist.
De opgelegde gevangenisstraf is korter dan de tijd die de verdachte al in detentie heeft doorgebracht. Dat de verdachte langere tijd in voorlopige hechtenis heeft gezeten komt vooral door zijn zeer hardnekkige (delict)gedrag, waarbij hij steeds opnieuw zijn schorsingsvoorwaarden overtrad – zelfs vanuit de gevangenis – door opnieuw contact met slachtoffers te zoeken. Hierdoor moest hij telkens weer terug in de gevangenis en bleek de noodzaak tot een onderzoek naar de persoon van de verdachte. Omdat hiervoor ook een opname in het PBC nodig was, heeft dit onderzoek enige tijd in beslag genomen.
De op te leggen maatregelen
De tbs-maatregel met dwangverpleging
De officier van justitie heeft tbs met dwangverpleging gevorderd. De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, namelijk dat:
sprake is van een misdrijf dat is genoemd in artikel 37a eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht;
is vastgesteld dat bij de verdachte ten tijde van het delict sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium);
de rechtbank beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.
Ter toelichting geldt het volgende.
Een misdrijf genoemd in artikel 37a, eerste lid en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht:
De rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde belaging een misdrijf is waarvoor op grond van artikel 37a eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is.
Gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestvermogens:
Bij de verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank volgt daarbij de hierboven genoemde conclusies van de gedragsdeskundigen en legt die ten grondslag aan haar oordeel.
Gevaarscriterium
De rechtbank oordeelt dat het risico op recidive hoog is. Uit de rapporten van de gedragsdeskundigen en het rapport van de reclassering volgt dat er een grote kans is op recidive ten aanzien van soortgelijke delicten, zowel ten aanzien van de aangevers als een mogelijk nieuw slachtoffer. De verdachte heeft zich ook meermalen niet gehouden aan eerder (in het kader van schorsingsvoorwaarden in deze strafzaak) opgelegde contactverboden.
De rechtbank oordeelt ook dat sprake is van gevaar voor de veiligheid van anderen. De gedragingen waaruit de belagingen bestonden waren niet fysiek agressief van aard, maar
onder gevaar voor de veiligheid van anderen, kan volgens vaste jurisprudentieook worden verstaan gevaar voor de psychische gezondheid van anderen.
Verdachte wordt veroordeeld voor het stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers. Zoals hiervoor bij de ernst van de feiten is overwogen, volgt uit het dossier, de slachtofferverklaring van aangever [slachtoffer 3] en de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1] dat de belagingen voor hen een zware psychische belasting hebben gevormd. Hierbij spelen de duur en intensiteit van de belagingen een belangrijke rol. De belagingen zijn bovendien, ondanks dat de verdachte in voorlopige hechtenis kwam te zitten, niet gestopt. Dit kan bij slachtoffers het gevoel van uitzichtloosheid (‘niets helpt’) versterken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ook gevaar voor de psychische gezondheid van anderen bestaat. Mede hierom is de maatregel ook proportioneel.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het gevaarscriterium en daarmee aan alle wettelijke vereisten om een tbs-maatregel op te leggen.
Oplegging tbs-maatregel met verpleging van overheidswege
De rechtbank oordeelt dat het noodzakelijk is dat de verdachte
langdurigwordt behandeld, om de kans op recidive terug te dringen en omdat de veiligheid van anderen dit vereist.
De deskundigen adviseren, gezien de ernstige pathologie, de doorwerking in het tenlastegelegde en het hoge risico op herhaling van delictgedrag, een langdurende gedwongen behandeling om het risico op delictgedrag duurzaam te verminderen. Binnen een dergelijke behandeling zal uitgebreid moeten worden ingezet op de cognitieve vervormingen van de verdachte. Vanwege het onrijpe ontwikkelingsniveau van de verdachte moeten ervaringen uit de jeugd en de daardoor ontstane hardnekkige, disfunctionele patronen worden doorgrond en veranderd. Er wordt gedacht aan langdurige schematherapie om hardnekkige patronen te doorbreken, gecombineerd met psycho-educatie om ziektebesef en behandelmotivatie te vergroten. Dit kan goed worden vormgegeven in een tbs met dwangverpleging.
Er is onderzoek verricht naar alternatieven voor de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Een behandeling binnen een voorwaardelijk kader zoals bijzondere voorwaarden of een tbs met voorwaarden is niet haalbaar, vanwege de complexe persoonlijkheidsstoornis met disfuncties, het gebrek aan inzicht (ontbrekend ziektebesef) en het ontbreken van elke motivatie voor behandeling.
Ook de reclassering heeft de mogelijkheid van een tbs-maatregel met voorwaarden onderzocht. Zij heeft daarover in het rapport van 26 maart 2026 negatief geadviseerd. De verdachte is tweemaal gesproken. Gelet op zijn niet-meewerkende houding wordt een tbs-maatregel met voorwaarden niet haalbaar geacht. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s in te perken of gedragsverandering te bewerkstelligen.
De rechtbank weegt verder mee dat de verdachte ook op de zitting heeft aangegeven geen hulp te willen accepteren en dat hij niet zal meewerken aan voorwaarden of welke behandeling dan ook. Dit terwijl behandeling wel noodzakelijk is om het hoge recidiverisico en verdere schade voor eventuele slachtoffers te voorkomen.
Ook een civiele maatregel als de zorgmachtiging is geen reële mogelijkheid. De zorgmachtiging is betrekkelijk kort, voornamelijk gericht op ambulante behandeling en valt niet onder de controle van het strafrecht. Ook is deze maatregel niet specifiek gericht op voorkomen van recidive. De zorgmachtiging biedt tot slot niet de noodzakelijke langdurende klinische en gesloten behandeling noodzakelijk voor de hardnekkig recidiverend belagingsproblematiek.
De rechtbank overweegt over de mogelijkheid om geen maatregel op te leggen en te volstaan met enkel een kale straf als volgt. Tijdens de voorlopige hechtenis is de verdachte in totaal zes keer geschorst om hem de kans te bieden terug te keren in de maatschappij zonder opnieuw delictgedrag te vertonen. Na elke schorsing heeft de verdachte opnieuw contact gezocht met één van de aangevers. Gezien de hardnekkige problematiek van de verdachte, die langdurige klinische behandeling vereist, en de meerdere kansen die tijdens de schorsingen zijn geboden, oordeelt de rechtbank dat achterwege laten van behandeling en terugkeer van de verdachte in de maatschappij na een kale gevangenisstraf onverantwoord is.
Alles overziend oordeelt de rechtbank dat de veiligheid van anderen de oplegging van tbs met dwangverpleging noodzakelijk maakt en dat deze maatregel de enige mogelijkheid is om de verdachte te helpen en het hoge recidiverisico in te perken.
Duur van de maatregel
Op grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de tbs-maatregels is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De beslissing over de vraag of de tbs gemaximeerd is, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 38e van het Wetboek van Strafrechtgebaseerd op het oordeel over de aard van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde belagingen onder de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden niet kunnen worden aangemerkt als een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De verdachte heeft weliswaar nare en vervelende berichten verzonden en aangevers in persoon opgezocht, maar niet is gebleken dat daarbij gevaar voor personen in de zin van de wet is ontstaan.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een ongemaximeerde tbs-maatregel. De tbs-maatregel met dwangverpleging kan daarom maximaal vier jaar bedragen. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte een gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen.
Oplegging van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)
Naast het opleggen van tbs met dwang heeft de officier van justitie geëist (en de reclassering geadviseerd) om aan de verdachte ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen vanwege de vermoedelijke lange behandelduur door de complexiteit van de problematiek. De GVM in combinatie met een tbs-maatregel is bedoeld om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen in aansluiting op een in duur gemaximeerde tbs-maatregel.
De rechtbank gaat, gezien de adviezen van de deskundigen en de reclassering, ervan uit dat de tbs-behandeling van de verdachte langere tijd zal duren. Dit is mede vanwege het steeds opnieuw terugvallen in delictgedrag, het ontbreken van probleembesef en de weigering om mee te werken aan behandeling.
Gelet op de maximering van de op te leggen tbs-maatregel, afgezet tegen de rapportages van de deskundigen en de reclassering, de stoornis van de verdachte en het grote recidivegevaar, oordeelt de rechtbank het noodzakelijk om naast de tbs met dwang ook de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een dergelijke maatregel is voldaan. De rechtbank gelast immers de tbs van de verdachte en gelet op de aard van de stoornissen en de risico’s is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom tot de oplegging van deze maatregel overgaan.
38v-maatregel
De rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter beveiliging van de aangevers en ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contact- en locatieverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
De maatregel omvat ook een contactverbod met [slachtoffer 2] , ondanks dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte voor stalking van [slachtoffer 2] . Dit heeft als doel om strafbaar gedrag te voorkomen. De verdachte heeft [slachtoffer 2] namelijk meerdere keren (geprobeerd) te benaderen en ook herhaaldelijk aangegeven contact te willen opnemen, terwijl [slachtoffer 2] dit niet wenste. Daarnaast speelt mee dat [slachtoffer 2] deel uitmaakt van de kring van [slachtoffer 1] .
Verder mag de verdachte zich niet ophouden in de gemeenten Hilversum, Lochem (waaronder [woonplaats] valt) en, wat betreft Hardenberg, ten oosten van de rivier de Vecht (zie ter verduidelijking bijlage 3). De verdachte mag zich wel aan de westkant van de Vecht bevinden, omdat zijn ouders daar wonen. De verdachte mag zich niet aan de oostkant van de Vecht bevinden om te voorkomen dat hij aangever [slachtoffer 3] tegenkomt.
Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 1 (één) maand, met een maximum van 6 (zes) maanden. De rechtbank kiest voor deze duur van vervangende hechtenis om de rechter-commissaris de gelegenheid te bieden maatwerk te leveren in geval van herhaalde overtredingen.
De rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Gelet op de aard van de feiten en de hardnekkigheid van verdachtes problematiek, is de rechtbank namelijk van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens de aangevers. Daarom zal zij bevelen dat het contact- en locatieverbod dadelijk uitvoerbaar is.