ECLI:NL:RBMNE:2026:3142

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/16/610550 / FV RK 26-1052
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorgHR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:663
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing zorgmachtiging voor zes maanden op grond van Wvggz ondanks gebrekkige medische verklaring

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 11 mei 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, geboren in 1997. Betrokkene was niet aanwezig bij de zitting, maar was wel op de hoogte van de oproep. De advocaat van betrokkene voerde aan dat de medische verklaring niet voldeed aan de eisen van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), omdat betrokkene niet persoonlijk was onderzocht.

De rechtbank oordeelde dat de medische verklaring wel aan de wettelijke eisen voldoet. De psychiater had meerdere pogingen gedaan om betrokkene thuis te bezoeken, maar betrokkene weigerde contact. De rechtbank baseerde zich op vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat onderzoek in fysieke aanwezigheid alleen vereist is indien redelijkerwijs mogelijk. De medische verklaring werd daarom betrokken bij de beoordeling.

De rechtbank stelde vast dat betrokkene lijdt aan een schizofreniespectrumstoornis die ernstig nadeel veroorzaakt, waaronder psychische en financiële schade, verwaarlozing en bedreiging van de veiligheid. Er is geen passende vrijwillige zorg mogelijk, waardoor verplichte zorg noodzakelijk is. De rechtbank wees verschillende vormen van verplichte zorg toe, waaronder medicatie, medische controles en beperkingen in vrijheid, maar wees het toedienen van vocht en voeding af wegens onvoldoende motivatie.

De zorgmachtiging werd toegekend voor zes maanden, de maximale duur voor een eerste machtiging, ondanks het verzoek van de officier van justitie voor twaalf maanden. De beschikking werd mondeling gegeven en schriftelijk vastgelegd op 19 mei 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot zorgmachtiging toe voor zes maanden ondanks het verweer over de medische verklaring.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/610550 / FV RK 26-1052
Datum uitspraak: 11 mei 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Landsman.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft het verzoekschrift met bijlagen op 22 april 2026 ontvangen.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:
- zijn advocaat;
  • [A] , Sociaal psychiatrisch verpleegkundige (spv'er) via Teams;
  • [B] , moeder.
1.3.
Betrokkene zelf was niet aanwezig. Uit het PostNL-systeem blijkt dat de aangetekende oproep van de griffier wel is afgehaald. Zijn advocaat heeft aangegeven dat betrokkene niet naar de zitting wilde komen vanwege andere verplichtingen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat betrokkene afwist van de zitting en dat het een bewuste keuze is geweest om niet te verschijnen.

2.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Er is voldaan aan de voorwaarden uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: de Wvggz). Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
3.2.
De advocaat heeft primair verzocht om aanhouding van het verzoek, omdat de medische verklaring volgens hem niet voldoet aan de eisen die de Wvggz daaraan stelt. Zo is betrokkene niet in persoon onderzocht en heeft de onafhankelijke psychiater volgens de advocaat onvoldoende moeite gedaan om betrokkene in persoon te onderzoeken. Daarnaast is er volgens de advocaat geen sprake van een omschrijving van de actuele mentale staat van betrokkene.
3.3.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de advocaat dat de medische
verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet, althans dat de medische verklaring
gebrekkig is, omdat betrokkene niet in persoon is onderzocht. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de medische verklaring aan de eisen die aan een medische verklaring worden gesteld.
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat op basis van vaste rechtspraak van de Hoge Raad
(zie bijvoorbeeld HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:663) de psychiater het medisch
onderzoek dat in de Wvggz voor de diverse vormen van verplichte zorg is voorgeschreven,
in beginsel zó moet verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in
de fysieke aanwezigheid van betrokkene, spreekt en observeert. Dit is slechts anders als dat
redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een weigering van de
betrokkene om aan een onderzoek mee te werken, maar ook andere omstandigheden kunnen
meebrengen dat onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet of slechts
beperkt mogelijk is. In die gevallen zal, met het oog op de beoogde maatregel, steeds op de
best mogelijke manier moeten worden getracht inzicht te verkrijgen in de actuele
gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde
maatregel, aldus nog steeds de Hoge Raad.
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval het redelijkerwijs niet mogelijk
was om het onderzoek in fysieke aanwezigheid van betrokkene te verrichten. Uit het dossier
blijkt dat op 16 april 2026 en op 17 april 2026 pogingen zijn ondernomen door de onafhankelijke psychiater om betrokkene thuis te bezoeken voor psychiatrisch onderzoek. Bij het eerste bezoek was betrokkene thuis maar werd er niet open gedaan. Bij het tweede bezoek werd er door de moeder van betrokkene aangeven dat betrokkene sliep. Later veranderde moeder het standpunt en gaf zij aan dat hij niet thuis was. Op de zitting heeft moeder aangegeven dat haar zoon thuis was, maar dat hij niet in gesprek wilde gaan. Van een derde poging is afgezien, gezien de hoge kans dat betrokkene en zijn ouders hieraan niet zouden meewerken.
Gelet op de verschillende pogingen die zijn ondernomen om betrokkene te spreken, is de rechtbank van oordeel dat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld voldoende inspanningen heeft verricht om betrokkene in diens fysieke aanwezigheid te onderzoeken. De psychiater heeft naar het oordeel van de rechtbank in de medische verklaring ook voldoende uitgelegd waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van betrokkene niet mogelijk was.
3.6.
Verder heeft de moeder van betrokkene ter zitting uitgelegd dat het al een tijd niet goed gaat met betrokkene. Betrokkene leidt een teruggetrokken bestaan waarbij hij in zijn ‘eigen wereld’ leeft. De spv’er onderschrijft dit en geeft aan dat betrokkene al geruime tijd uit contact is.
3.7.
Voorgaande betekent dat de rechtbank de medische verklaring bij de beoordeling van het verzoek zal betrekken omdat deze voldoet aan de eisen van de Wvggz.
3.8.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een schizofreniespectrumstoornis. De rechtbank baseert zich hierbij op de medische verklaring van 20 april 2026.
3.9.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstige psychische schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- ernstige verstoorde ontwikkeling;
- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.
3.10.
Om het ernstig nadeel af te wenden heeft betrokkene zorg nodig.
3.11.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Daarom is verplichte zorg nodig.
3.12.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, de visie van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
3.13.
Daarnaast acht de rechtbank ook de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- opnemen in een accommodatie.
3.14.
Subsidiair heeft de advocaat verzocht om de vorm van verplichte zorg ‘het toedienen van vocht en voeding’ af te wijzen. Er is ter zitting onvoldoende gemotiveerd waarom deze vorm van verplichte zorg noodzakelijk is. Gelet hierop zal de rechtbank deze vorm van verplichte zorg afwijzen.
3.15.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.
3.16.
Tot slot heeft de advocaat verzocht om de zorgmachtiging in duur te beperken tot maximaal zes maanden. De officier van justitie heeft verzocht om een termijn van twaalf maanden. Echter, dit is niet mogelijk. In dit geval betreft het een eerste zorgmachtiging. Een eerste zorgmachtiging kan enkel worden verleend voor de duur van maximaal zes maanden. Gelet hierop zal de rechtbank de zorgmachtiging verlenen voor de duur van zes maanden.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent een zorgmachtiging voor
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 3.12. en 3.13. staan kunnen worden toegepast;
4.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 11 november 2026;
4.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 door mr. D. Riani el Achhab, rechter, in aanwezigheid van R. Staal, griffier en op schrift gesteld op 19 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.