ECLI:NL:RBMNE:2026:308

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
602524
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming verhuizing kind naar Almere met inschrijving school en gezondheidscentrum

De moeder verzoekt de rechtbank om vervangende toestemming om met haar minderjarige zoon te verhuizen van Amsterdam naar Almere, waar zij een grotere woning heeft gekocht vanwege de komst van een nieuw kind. De vader is het niet eens met deze verhuizing en verzet zich tegen het verzoek.

Tijdens de zitting is ook het kind gehoord en zijn de belangen van alle partijen afgewogen. De rechtbank hanteert het toetsingskader van de Hoge Raad waarbij het belang van het kind voorop staat, maar ook de belangen van beide ouders worden meegewogen.

De rechtbank oordeelt dat de moeder een zwaarwegend belang heeft bij de verhuizing vanwege de gezinsuitbreiding en de financiële haalbaarheid van de nieuwe woning. De nadelen voor de vader, zoals de langere reistijd, worden beperkt door compensatiemaatregelen van de moeder. Hoewel de moeder de vader niet tijdig heeft betrokken bij haar verhuisplannen, weegt dit niet zwaarder dan het belang van de moeder en het kind.

De rechtbank verleent daarom vervangende toestemming voor de verhuizing en voor de inschrijving van het kind bij de openbare basisschool en het gezondheidscentrum in Almere. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en beide ouders dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De moeder krijgt vervangende toestemming om met het kind naar Almere te verhuizen en het kind in te schrijven bij school en gezondheidscentrum.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/602524 / FL RK 25-1154
Verhuizing
Beschikking van 23 januari 2026
in de zaak van:
[moeder],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. L.J.W. van Kesteren,
tegen
[vader],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vader.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder ontvangen op 13 november 2025.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 11 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader;
- [A] en [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De rechtbank heeft aan [minderjarige] , de zoon van de ouders, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige] heeft op 10 december 2025 met de rechter gesproken. Op de zitting is samengevat aan de orde geweest wat [minderjarige] heeft verteld. De ouders hebben hierop kunnen reageren.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2.
Zij hebben samen een kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .
2.3.
[minderjarige] woont bij zijn moeder. De ouders geven uitvoering aan de zorgregeling die het Hof [plaats] in de beschikking van 16 maart 2021 heeft vastgesteld met een samen afgesproken ander wisseltijdstip. [minderjarige] is de ene week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij zijn vader, en in de andere week van vrijdagmiddag uit school tot vrijdagavond 19.00 uur.
2.4.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem nemen.
2.5.
De moeder vraagt de rechtbank om vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [plaats] te verhuizen en hem daar in te schrijven bij de openbare basisschool [naam 1] en gezondheidscentrum [naam 2] . De vader is het hier niet mee eens. Hij vindt dat de verzoeken van de moeder moeten worden afgewezen.

3.De beoordeling

De verhuizing naar [plaats]
3.1.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder voor de verhuizing toewijzen. Dit betekent dat de moeder met [minderjarige] naar [plaats] mag verhuizen. Hieronder wordt deze beslissing toegelicht.
(i)
Het toetsingskader
3.2.
Iedere ouder heeft het recht om zijn of haar leven met de kinderen in te richten op een manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt in beginsel ook de vrijheid om op een andere plek met een kind te gaan wonen. Als de ene ouder het niet eens is met de verhuisplannen van de andere ouder, dan moet de rechtbank alle omstandigheden in kaart brengen en een belangenafweging maken. Het belang van het kind staat hierbij voorop, maar afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen.
3.3.
Omstandigheden die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad een rol kunnen spelen, zijn onder andere: [1]
- de noodzaak om te verhuizen;
- hoe goed de verhuizing is voorbereid en doordacht;
- de voorstellen die zijn geboden om de gevolgen van de verhuizing voor de andere ouder te verzachten;
- hoe goed de ouders met elkaar kunnen overleggen;
- hoe vaak er contact plaatsvindt tussen de kinderen en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van het kind, zijn mening en in hoeverre hij gewend is aan zijn omgeving of juist aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van het contact tussen het kind en de andere ouder na de verhuizing.
3.4.
De rechtbank heeft de door de ouders aangevoerde argumenten beoordeeld aan de hand van de bovengenoemde omstandigheden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat een verhuizing naar [plaats] in het belang is van [minderjarige] . De rechtbank weegt hierbij het volgende mee.
(ii)
De moeder heeft een zwaarwegend belang bij de verhuizing
3.5.
De rechtbank stelt vast dat de moeder een noodzaak heeft om te verhuizen. De moeder verwacht in april 2026 samen met haar huidige partner een kindje. Haar partner heeft al een zoon uit een eerdere relatie. Met de komst van de baby wordt hun huidige huurappartement in [plaats] te klein. De vader heeft dit niet betwist.
3.6.
De moeder heeft onweersproken toegelicht dat het financieel niet mogelijk was om binnen [plaats] een woning te vinden die groot genoeg is voor de nieuwe gezinssituatie. Daarom heeft zij samen met haar partner een woning gekocht in [plaats] . Deze woning biedt wel voldoende ruimte. Ook is de woning voor hen financieel haalbaar, omdat zij de woning gaan delen met de ouders van de moeder. Zij betalen ook een deel van de maandlasten.
3.7.
De moeder heeft verder onbetwist verklaard dat zij de keuze voor [plaats] weloverwogen heeft gemaakt. Zij heeft daar in het verleden samen met de vader gewoond en kent de buurt goed. Daarnaast woont er familie van zowel moeders- als vaderszijde, waaronder nichtjes en neefjes van [minderjarige] . Ook is er een geschikte school in de buurt waar [minderjarige] direct kan starten.
(iii)
Het nadeel voor de vader valt te overzien omdat de moeder compensatie biedt
3.8.
Het grootste bezwaar van de vader tegen de verhuizing is dat zijn reistijd toeneemt. De vader woont inmiddels in [plaats] . Volgens de moeder duurt de reis van [plaats] naar [plaats] ongeveer 24 minuten langer dan naar de huidige woning in [plaats] . De vader vreest echter dat de reistijd in de praktijk, met name tijdens de spits, aanzienlijk langer zal zijn.
3.9.
De rechtbank is van oordeel dat een langere reistijd onvoldoende reden is om de verhuizing van de moeder met [minderjarige] tegen te houden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de moeder voorstellen heeft gedaan om het nadeel van de extra reistijd voor de vader te beperken. Tijdens de zitting is hierover het volgende besproken:
- de moeder brengt [minderjarige] op vrijdagmiddag na school naar [plaats] , zodat de overdracht in [plaats] kan blijven plaatsvinden;
- op de losse vrijdagen wordt [minderjarige] om 20.00 uur teruggebracht in plaats van om 19.00 uur, zodat de extra reistijd niet ten koste gaat van de tijd die [minderjarige] bij zijn vader doorbrengt;
- in de weken waarin [minderjarige] tot zondag bij de vader verblijft, vindt de overdracht op zondagavond (nog steeds) plaats in [plaats] .
Daarnaast heeft de moeder in haar verzoekschrift aangeboden om de extra reistijd, dan wel het verschil in kilometers, financieel te compenseren. Met deze maatregelen is de rechtbank van oordeel dat het nadeel van de verhuizing voor de vader beperkt blijft. De tijd die hij met [minderjarige] doorbrengt wordt niet korter, de zorgregeling kan grotendeels ongewijzigd worden uitgevoerd en de extra reistijd komt vooral voor rekening van de moeder.
3.10.
De rechtbank beseft dat (vooral) [minderjarige] langer onderweg zal zijn tussen beide woningen. Dat nadeel voor [minderjarige] weegt echter niet op tegen het belang bij de verhuizing. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [minderjarige] gewend is aan lange autoritten. De vader is in de afgelopen jaren zelf meerdere keren verhuisd ( [plaats] → [plaats] → Goirle → [plaats] → [plaats] ) en op grotere afstand van [minderjarige] gaan wonen. Desondanks is [minderjarige] altijd naar zijn vader blijven gaan, met de aanpassing dat de overdracht van maandagochtend naar zondagavond is verplaatst. Een langere reistijd is voor de vader in het verleden dus nooit een reden geweest om wel of niet te verhuizen. In de praktijk bleek de reistijd ook geen problemen te veroorzaken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de reistijd voor [minderjarige] nu ook te doen zal zijn. Met de compensatie die de moeder aanbiedt, zal ook een eventuele omgang die de vader al dan niet heeft met zijn andere kind(eren) niet in het gedrang komen.
(iv)
De moeder had eerder met de vader moeten overleggen over de verhuizing
3.11.
De rechtbank is het met de vader eens dat de moeder hem niet tijdig heeft betrokken bij haar verhuisplannen. Zij heeft samen met haar huidige partner een huis gekocht in [plaats] zonder dit eerst met hem te overleggen. Ook heeft de moeder [minderjarige] al op het nieuwe adres ingeschreven. Daarmee heeft zij de vader voor een voldongen feit geplaatst, wat begrijpelijkerwijs tot onvrede bij hem heeft geleid. De rechtbank is van oordeel dat de moeder onzorgvuldig heeft gehandeld en dat dit haar te verwijten is. Zij had hem vóór de aankoop moeten informeren en om toestemming moeten vragen. Dit punt is echter niet doorslaggevend voor de beslissing. In de totale belangenafweging weegt het belang van de moeder bij de verhuizing zwaarder.
(v)
Conclusie
3.12.
Alles afwegend concludeert de rechtbank dat het belang van de moeder om te kunnen verhuizen en haar leven opnieuw in te richten, zwaarder weegt dan het belang van de vader. Aan de moeder wordt daarom vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] naar [plaats] te verhuizen.
Inschrijving basisschool en gezondheidscentrum
3.13.
In het verlengde van de vervangende toestemming voor de verhuizing zal de rechtbank de moeder ook vervangende toestemming geven om [minderjarige] in te schrijven bij de openbare basisschool [naam 1] en bij gezondheidscentrum [naam 2] . De vader heeft tegen deze verzoeken geen afzonderlijk verweer gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat zijn school, huisarts en apotheek in de buurt van zijn huis zijn.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.14.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij mee kan verhuizen met de hele familie. Dat betekent dat de moeder met [minderjarige] mag verhuizen, ook als de vader hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing over de verhuizing neemt.
Proceskosten
3.15.
De rechtbank zal bepalen dat de ouders allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij geen reden ziet om één van de ouders in de proceskosten te veroordelen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent aan de moeder vervangende toestemming om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats] ;
4.2.
verleent aan de moeder vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op de Openbare Basisschool [naam 1] in [plaats] ;
4.3.
verleent aan de moeder vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven bij het Gezondheidscentrum [naam 2] in [plaats] , zowel voor de huisartsenpraktijk als de apotheek;
4.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
bepaalt dat de ouders allebei hun eigen proceskosten moeten betalen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.G. de Jong (voorzitter), mr. M.M. Janssen-Witteveen en mr. D. van Bloemendaal, (kinder)rechters in samenwerking met
F. Arbeider, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC5901.