Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3056

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4964
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 GemeentewetArt. 5:32 Algemene wet bestuursrechtArt. 5.1, eerste lid onderdeel a, OmgevingswetArt. 4.5, eerste lid Omgevingsplan gemeente UtrechtArt. 4.33 Omgevingsplan gemeente Utrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom voor bouwen schutting zonder vergunning ondanks privacybelangen

De zaak betreft een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan eiser wegens het bouwen van een circa twee meter hoge schutting zonder omgevingsvergunning voor de voorgevelrooilijn van zijn woning. Eiser betwistte de handhaving en voerde aan dat zijn belangen van privacy en veiligheid zwaarder wegen dan het algemeen belang van handhaving en dat het college het gelijkheidsbeginsel schond door alleen tegen zijn schutting op te treden.

De rechtbank stelt vast dat het bouwen zonder vergunning een overtreding is en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Er is geen concreet zicht op legalisatie omdat eiser geen vergunningaanvraag heeft ingediend en het advies van de afdeling Stedenbouw negatief was. De rechtbank weegt de privacy- en veiligheidsbelangen van eiser af tegen het stedenbouwkundig belang en oordeelt dat het laatste zwaarder weegt, mede omdat alternatieven voor privacybescherming mogelijk zijn.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat het college meldingen over andere schuttingen uit het verleden alsnog onderzoekt en prioritering in handhaving is toegestaan. Ook het argument dat de schutting al tien jaar stond en het tijdsverloop reden zou zijn om niet te handhaven wordt verworpen. De begunstigingstermijn van zes weken wordt als voldoende en redelijk beoordeeld.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. van der Linde op 3 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom voor het verwijderen van de schutting.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4964

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T. Smits).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die het college aan eiser heeft opgelegd wegens het bouwen van een schutting zonder omgevingsvergunning voor de voorgevelrooilijn van de woning aan de van [adres] in [plaats] . Partijen verschillen van mening of de belangen van veiligheid en privacy van eiser zwaarder wegen dan het algemeen en stedenbouwkundig belang dat met handhaving is gediend en of het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door alleen tegen de schutting van eiser handhavend op te treden, terwijl het college bekend was met meldingen van andere hoge schuttingen in de wijk. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college bevoegd was om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen en dat niet is gebleken van concreet zicht op legalisatie of andere bijzondere omstandigheden om van handhavend optreden af te zien. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

1. Het college heeft aan eiser op 8 april 2025 (het primaire besluit) een last onder dwangsom opgelegd, nadat een toezichthouder op het hoekperceel van eiser een perceelafscheiding van circa twee meter hoog heeft geconstateerd, waarvoor het college geen omgevingsvergunning heeft verleend. De schutting staat gedeeltelijk vóór de voorgevellijn en op het zij-erf. Eiser is gelast om uiterlijk op 1 juli 2025 de overtreding ongedaan te (laten) maken en ongedaan te (laten) houden. Dit kon eiser doen door de schutting te (laten) verwijderen. Als eiser deze last niet of onvolledig binnen de gestelde termijn zou uitvoeren, dan zou eiser een eenmalige dwangsom van € 2.000,- aan de gemeente verbeuren.
2. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Ook heeft eiser verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn. Op 13 mei 2025 heeft het college op dat verzoek beslist en de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Met het besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college op het bezwaar van eiser beslist en de opgelegde last onder dwangsom ongewijzigd in stand gelaten.
3. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn dochter en partner, en de gemachtigde van het college.
5. Op de zitting heeft het college toegezegd dat met het nemen van een invorderingsbeschikking voor de verbeurde dwangsom wordt gewacht totdat de rechtbank uitspraak op het beroep van eiser heeft gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

6. Het college is bevoegd om met een last onder dwangsom handhavend op te treden als sprake is van een overtreding. [1] Het (laten) bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning is een overtreding. [2] Dat is slechts anders als het bouwwerk vergunningsvrij is. Omdat de schutting buiten het achtererfgebied is gebouwd, is deze niet vergunningsvrij. [3] De rechtbank stelt met partijen vast dat sprake is van een overtreding nu eiser heeft gebouwd zonder benodigde omgevingsvergunning.
7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat het college in de regel gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Van de beginselplicht tot handhaving bij een overtreding mag alleen worden afgezien als handhavend optreden onevenredig is. Dat is het geval als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Zo’n bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat handhaving onevenredig is, bijvoorbeeld bij een schending van het gelijkheidsbeginsel. [4]
Concreet zicht op legalisatie en belangenafweging
8. Eiser voert aan dat de schutting niet leidt tot een ontsiering van het straat- en bebouwingsbeeld. De schutting is volgens eiser esthetisch verantwoord en wordt door omwonenden als verzorgd ervaren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser verklaringen van omwonenden overgelegd dat de schutting geen afbreuk doet aan de uitstraling van de wijk. De schutting veroorzaakt volgens eiser, en ook de gemeente zelf, geen verkeersonveilige situaties. De belangen van privacy en veiligheid van eiser wegen volgens eiser zwaarder dan het esthetisch oordeel van de gemeente. De schutting is volgens eiser cruciaal voor zijn persoonlijke veiligheid en die van zijn jonge kinderen, omdat het onbevoegden toegang tot de tuin weert en inkijk vanaf de openbare weg beperkt.
9. Het college heeft voordat hij is overgegaan tot het opleggen van de last onder dwangsom onderzocht of de overtreding kan worden gelegaliseerd met een omgevingsvergunning In dit kader is de situatie voorgelegd aan de afdeling Stedenbouw. Het advies van de afdeling Stedenbouw luidt:
‘de buurt kenmerkt zich door voortuinen aan de straat en bij hoekwoningen zijtuinen langs de straat. De voor- en zijtuinen rondom de bebouwing zijn kenmerkend voor het straatbeeld in de buurt met natuurlijk groen. Dit is kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van de wijk. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bepalen de onbebouwde tuinen langs de voor- en zijgevels het beeld langs de straat. Een erfafscheiding van hoger dan 1 meter belemmert het zicht op de hoek van het bouwblok. Er ontstaat een achterkant naar openbaar gebied. Dit is vanuit stedenbouw onwenselijk. De geplaatste houten schuttingdelen zijn nadrukkelijk zichtbaar en gaan het bebouwingsbeeld bepalen. De huidige perceelafscheiding is niet akkoord en er wordt geadviseerd om aan te sluiten bij de maximale hoogte van één meter die vergunningsvrij is toegestaan’.
10. Eiser heeft geen aanvraag om een omgevingsvergunning voor de schutting ingediend en het college is ook niet bereid hiervoor een omgevingsvergunning te verlenen als gevolg van het negatieve advies van de afdeling Stedenbouw, zodat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Met het advies van de afdeling Stedenbouw heeft het college naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd waarom een schutting van twee meter langs een hoekperceel niet past binnen de stedenbouwkundige opzet van de woonwijk. Alhoewel de rechtbank begrip heeft voor de behoefte van eiser aan privacy en een gevoel van veiligheid, is de rechtbank van oordeel dat die belangen niet zwaarder wegen dan het stedenbouwkundige belang van het college. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser met relatief eenvoudige alternatieven dan een hoge schutting een gelijkwaardig niveau van privacy en veiligheid kan creëren. Zo kan eiser een hoge groene haag planten of een aanvraag om omgevingsvergunning indienen voor een schutting die evenwijdig aan en in het verlengde van de zijgevel van de woning loopt. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
11. Eiser voert aan dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door alleen tegen zijn schutting willekeurig handhavend op te treden, terwijl in de wijk meerdere (te) hoge schuttingen staan, waarvan meldingen bij de gemeente zijn gedaan en waartegen het college nooit handhavend heeft opgetreden.
12. Het college stelt zich op het standpunt dat in verband met bezuinigingen is besloten om per 1 januari 2026 niet meer handhavend op te treden naar aanleiding van meldingen over laaggeprioriteerde overtredingen, zoals schuttingen. De meldingen van eiser over andere schuttingen dateren van vóór deze beleidswijziging en zijn volgens het college ten onrechte niet in behandeling genomen. Alle meldingen die eiser vorig jaar heeft
gedaan, worden daarom alsnog door het college in behandeling genomen.
13. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is prioritering toegestaan om in het kader van doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak. Prioritering mag inhouden dat bij bepaalde lichte overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden. [5] Tegen de schutting van eiser heeft het college handhavend opgetreden naar aanleiding van een anonieme melding. Ten tijde van deze melding gold de Algemene handhavingsstrategie Openbare ruimte en Bebouwde omgeving gemeente Utrecht, waarin is bepaald dat bij lager geprioriteerde overtredingen alleen reactief (na een klacht of verzoek) handhavend werd opgetreden. Met de Beleidsregel Handhavingsstrategie Bestaande Bouw gemeente Utrecht is het gemeentelijke handhavingsbeleid met ingang van 1 januari 2026 gewijzigd. Vanaf die datum neemt het college meldingen over schuttingen niet meer in behandeling. Omdat de meldingen van eiser over andere schuttingen vorig jaar zijn ingediend, en dus vóór de beleidswijziging, gaat het college deze meldingen alsnog onderzoeken. Om deze reden is geen sprake van een gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld en slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet.
Tijdsverloop
14. Eiser voert aan dat hij de bestaande schutting, die al tien jaar op het perceel stond, heeft vernieuwd en op dezelfde plaats als de oude schutting heeft teruggebouwd. Eiser vindt het onevenredig dat het college na zo’n lange periode plots over gaat tot handhaving.
15. De rechtbank is onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling van oordeel dat het tijdsverloop voorafgaande aan een besluit tot handhaving op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien. Dat is ook niet het geval als het college op de hoogte was van de overtreding of op de hoogte kon zijn. [6] De beroepsgrond slaagt niet.
De begunstigingstermijn
16. Tot slot voert eiser aan dat het verwijderen van de schutting een ingrijpende en kostbare aangelegenheid is die bovendien professionele hulp vereist. De gestelde begunstigingstermijn is daarom onrealistisch en onredelijk kort.
17. De lengte van een begunstigingstermijn mag niet wezenlijk langer zijn dan noodzakelijk om de overtreding op te heffen. [7] Het opheffen van de overtreding gebeurt door de schutting te verwijderen. De rechtbank is van oordeel dat zes weken voldoende is om de schutting te (laten) verwijderen. Bij haar oordeel betrekt de rechtbank ook dat de begunstigingstermijn tot na de beslissing op bezwaar is verlengd, zodat eiser ruim de tijd heeft gehad om de overtreding te beëindigen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom voor het verwijderen van de schutting in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 125 van Pro de Gemeentewet en artikel 5:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Van artikel 5.1, eerste lid onderdeel a, van de Omgevingswet en artikel 4.5, eerste lid van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht.
3.Artikel 4.33 van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht.
4.Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, rechtsoverweging 6.1.
5.Uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961, rechtsoverweging 2.1.
6.Uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1829, rechtsoverweging 5.3.
7.Uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3831, rechtsoverweging 10.1.