ECLI:NL:RBMNE:2026:302

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/1963
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Wet WIAArt. 27 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering WIA-uitkering over drie jaar op grond van gedragslijn UWV

Eiseres werd geconfronteerd met een terugvordering van een teveel betaalde WIA-uitkering over de periode 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2022, aanvankelijk vastgesteld op vijf jaar. Na bezwaar verlaagde het UWV de terugvordering tot drie jaar, maar de rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende motivering. Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit waarbij het bedrag van de terugvordering werd vastgesteld op € 15.821,04, gebaseerd op een interne gedragslijn die een termijn van drie jaar hanteert.

Eiseres voerde aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de terugvordering niet verder werd beperkt en dat zij onwetend was over de meldingsplicht van inkomsten uit het persoonsgebonden budget (pgb). Zij stelde dat het eigen aandeel van het UWV in het ontstaan van de terugvordering zo groot was dat geheel afzien van terugvordering gerechtvaardigd was, mede vanwege gezondheidsproblemen die de terugvordering bij haar veroorzaakte.

De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom de terugvordering was beperkt tot drie jaar, waarbij rekening was gehouden met het eigen aandeel van het UWV en de meldingsplicht van eiseres. De rechtbank stelde dat financiële nadelen inherent zijn aan terugvorderingen en dat de invordering via een afbetalingsregeling kan worden aangepast aan de omstandigheden van eiseres. De gezondheidsproblemen waren onvoldoende onderbouwd om tot een dringende reden te leiden om geheel af te zien van terugvordering.

Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard en zij kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter S.C.A. van Kuijeren op 3 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van de WIA-uitkering over drie jaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1963

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , gemeente Utrecht, eiseres

(gemachtigde: mr. B. Yildiz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.H. Swart).

Inleiding

1. Met de besluiten van 17 juni 2022, 5 juli 2022 en 10 oktober 2023 (de primaire besluiten) heeft het Uwv de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2022 herzien, teruggevorderd en ingevorderd tot een bedrag van € 28.281,61 bruto. Het Uwv heeft ook vastgesteld dat eiseres op dat moment geen aflossingscapaciteit heeft.
2. Met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 juni 2024 heeft het Uwv de vordering verlaagd naar € 15.821,04, omdat uitsluitend over een periode van drie jaar, de periode 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2022, de teveel betaalde WIA-uitkering wordt teruggevorderd. De WIA-uitkering over de periode 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2019 wordt dus niet meer teruggevorderd.
3. De rechtbank heeft dat besluit van 17 juni 2024 vernietigd vanwege strijd met het motiveringsbeginsel. [1] In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het niet duidelijk is welke bij het Uwv bekende informatie ertoe heeft geleid dat het Uwv gedeeltelijk heeft afgezien van de terugvordering en waarom die informatie geen aanleiding gaf om geheel af te zien van de terugvordering. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiseres en met inachtneming van de uitspraak.
4. Het Uwv heeft hierna een nieuw besluit genomen op 6 februari 2025 (
het bestreden besluit). Eiseres heeft daartegen beroep ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het Uwv verzocht om de rechtbank te informeren of de in het verweerschrift genoemde gedragslijn gepubliceerd is en wat de vindplaats is. Het Uwv heeft daarop op 25 juli 2025 aan de rechtbank toegestuurd het “Afwegingskader herziening, terug- en invordering voor veegactie in verband met opting-in inkomsten die in de polisadministratie staan”, versie 7.0 (6 februari 2025) (Afwegingskader). Daarbij heeft het Uwv toegelicht dat het Afwegingskader een vaste gedragslijn is en niet is gepubliceerd. Het Uwv heeft de reactie op 6 oktober 2025 aangevuld.
6. De zaak is op 27 oktober 2025 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of het Uwv op juiste gronden een bedrag van € 15.821,04, zijnde het bedrag aan teveel betaalde WIA-uitkering over een periode van drie jaar, van eiseres heeft teruggevorderd en ingevorderd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Strijd met het motiveringsbeginsel
8. Eiseres voert aan dat het Uwv geen deugdelijke en logische motivering geeft voor zijn gemaakte keuze om de terugvordering te beperken tot drie jaar en niet over te gaan tot een verdere verlaging.
9. Het Uwv heeft onder verwijzing naar het Afwegingskader de terugvordering over vijf jaar verlaagd naar drie jaar. Het Uwv heeft toegelicht dat het Afwegingskader een vaste gedragslijn is die het Uwv heeft ontwikkeld voor een in april 2024 gestarte specifieke veegactie, waarbij opting-in inkomsten (pgb-inkomsten) die nog niet door Uwv waren gekort, alsnog worden gekort op de uitkering. Vóór 2020 had het Uwv kennis van het inkomen van eiseres kunnen nemen via een periodieke controle, maar dit is niet gebeurd. Het Uwv vindt dat dit eiseres nog niet ontslaat van haar plicht tot het verstrekken van informatie over haar inkomsten. Verder heeft meegespeeld dat inkomsten uit pgb niet per maand, maar slechts eenmaal via een jaarbedrag in de polisadministratie staan. Dat betekent dat zonder een melding van eiseres altijd een vordering ontstaat, maar vanwege het eigen aandeel van het Uwv vindt het Uwv een termijn van drie jaar redelijk in deze situatie.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd waarom de terugvordering is teruggebracht in dit geval naar drie jaar. Teruggerekend is vanaf de datum dat de vordering aan eiseres bekend is gemaakt en met die termijn is uitdrukking gegeven aan het eigen aandeel van het Uwv.
Dringende reden om geheel af te zien van terugvordering
11. Eiseres vindt dat er sprake is van een dringende reden om geheel af te zien van de terugvordering. Zij was er niet van op de hoogte dat zij de inkomsten uit het persoonsgebonden budget (pgb) moest melden. Als zij dat had geweten, had zij dat wel gemeld bij het Uwv. Verder heeft zij altijd meegewerkt aan alle onderzoeken van het Uwv. Eiseres wijst daarbij er op dat het aandeel van het Uwv in het ontstaan van de terugvordering zo groot is, ook gezien het tijdsverloop, dat dit voldoende reden had moeten zijn om geheel af te zien van terugvordering. Eiseres wijst in dit verband er ook op dat zij door de terugvordering onevenredig wordt benadeeld en de terugvordering bij haar tot gezondheidsproblemen leidt.
12. Het Uwv is verplicht de als gevolg van de inkomsten uit pgb de teveel ontvangen WIA-uitkering van eiseres terug te vorderen. Dit is slechts anders indien sprake is van dringende redenen. [2] In dit kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarin de uitleg van de dringende reden is verruimd. [3] Er moet voortaan niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het Uwv of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving.
13. Het Uwv heeft het Afwegingskader ontwikkeld met inachtneming van de hiervoor genoemde tussenuitspraak van de CRvB. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv in de situatie van eiseres alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. Bij de verlaging van het terugvorderingsbedrag heeft het Uwv rekening gehouden met zijn eigen aandeel in het ontstaan en oplopen van de terugvordering. Dit aandeel heeft het Uwv vertaald naar een matiging van twee jaar. Het Uwv heeft naast zijn eigen aandeel in het ontstaan van de terugvordering terecht meegewogen dat eiseres had moeten beseffen dat zij inkomsten had bovenop haar uitkering en dat zij daarvan uit eigen beweging een melding had moeten doen
bij het Uwv. [4]
14. Het is inherent aan een terugvordering dat dit financieel nadelig is en ook belastend, maar dat maakt het niet zonder meer onaanvaardbaar. De financiële gevolgen van de terugvordering doen zich in het algemeen pas voor bij de invordering. In het kader van het invorderingstraject zal een afbetalingsregeling getroffen moeten worden die recht doet aan de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van eiseres op dat moment, waarbij het Uwv rekening houdt met de beslagvrije voet. Dat de terugvordering bij eiseres tot gezondheidsproblemen leidt, heeft zij verder niet onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dat betekent dat zij geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7755.
2.Artikel 77 van Pro de Wet WIA.
3.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
4.Artikel 27 van Pro de Wet WIA.