Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2994

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/5992
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:2 AwbArchiefwetConcernbrede selectielijstWet open overheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister over Woo-verzoek inzake zorgklacht en toekenning schadevergoeding

Eiseres verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van documenten over de afhandeling van een klacht over zorg in een zorgcentrum en het overlijden van haar vader. De minister wees het verzoek deels toe, maar verklaarde het bezwaar van eiseres ongegrond. Eiseres stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.

De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de zoekslag naar documenten zorgvuldig was verricht. De minister kreeg de gelegenheid om de gebreken te herstellen, wat hij deed met een herstelbesluit waarin hij de archiefstructuur toelichtte en de zoekslag nader motiveerde.

De rechtbank concludeert dat de minister met het herstelbesluit de gebreken voldoende heeft hersteld en dat de zoekslag zorgvuldig was. De stelling van eiseres dat er meer documenten aanwezig moeten zijn, wordt verworpen. Wel is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van vier maanden, waarvoor een schadevergoeding van €500 wordt toegekend.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de Awb, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en gebrekkige zoekslag, met toekenning van schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5992

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. E. van der Pennen).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister het verzoek van eiseres om openbaarmaking van informatie over de afhandeling van haar klacht over de zorg in een zorgcentrum in Woerden en het overlijden van haar vader, op grond van de Wet open overheid (Woo) gedeeltelijk toegewezen. Dit Woo-verzoek ziet op het onderzoek van de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) met betrekking tot ‘de melding klacht slechte zorg Zorgcentrum Woerden’. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in de jaren 1997 tot 2001.
In het besluit van 5 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, in aanwezigheid van haar echtgenoot [A] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In de tussenuitspraak van 26 november 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak op 9 januari 2026 een herstelbesluit genomen (herstelbesluit). Daarin heeft de minister de verrichte zoekslag naar de Woo-documenten nader gemotiveerd en toegelicht.
Eiseres heeft hierop schriftelijke gereageerd. Daarbij heeft eiseres nog stukken overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de minister de verrichte zoekslag tot op zekere hoogte inzichtelijk heeft gemaakt, maar dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat de zoekslag ook deugdelijk is verricht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister geen goede verklaring heeft gegeven voor het feit dat een aantal Woo-stukken, waarvan eiseres heeft toegelicht dat die in het dossier aanwezig zouden moeten zijn, bij de zoekslag ontbreken. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de minister niet duidelijk heeft gemaakt of alle documenten over de afhandeling van de klacht van eiseres die in het papieren archief van de IGJ aanwezig zijn en onder het Woo-verzoek vallen, zijn verstrekt. Tenslotte heeft de rechtbank ook op basis van de uitlatingen van de heer [B] , woordvoerder van IGJ en de ambtenaar die aanwezig was bij de inzage van het dossier door eiseres (de woordvoerder), en de heer [C] , de Woo-behandelaar, twijfels of de zoekslag van de minister naar de Woo-documenten voldoende is geweest. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of er niet meer Woo-documenten bij de minister aanwezig zijn dan het ‘6cm-dossier’ dat aan eiseres is verstrekt. Het bestreden besluit is dan ook in dit opzicht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
2.1.
De rechtbank heeft daarom de minister opgedragen om duidelijk uit te leggen waarom de woordvoerder heeft gezegd dat het om een groot dossier ging en de documenten die eiseres bij de inzage heeft gezien slechts een deel van het dossier zijn, en waarom er steeds vanuit is gegaan dat er deelbesluiten zouden worden genomen terwijl er vervolgens toch snel op het hele verzoek beslist kon worden De minister moet daarbij de uitlatingen en e-mails van de woordvoerder en de Woo-behandelaar betrekken. De minister moet ook duidelijk toelichten hoe het kan dat bepaalde documenten, waarvan vaststaat dat ze er geweest moeten zijn, niet meer in het dossier zitten en de minister moet uitleggen hoe hij zeker weet dat er geen documenten die onder het Woo-verzoek vallen over het hoofd zijn gezien, gelet op de omstandigheid dat die documenten verdeeld zijn over verschillende mappen.
Herstelbesluit van de minister
3. De minister heeft met het herstelbesluit gebruik gemaakt van de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Met het herstelbesluit heeft de minister, zo begrijpt de rechtbank, het bestreden besluit gehandhaafd. De minister heeft in het herstelbesluit de verrichte zoekslag naar de Woo-documenten als volgt toegelicht.
Archiefstructuur
3.1.
Het papieren archief van de IGJ is historisch ingericht op basis van werkprocessen en toezichttaken en niet op basis van individuele dossiers per persoon. Documenten die betrekking hebben op één zaak kunnen daarom verspreid zijn opgeslagen in verschillende archiefonderdelen. Vanwege deze archiefstructuur en de wijze van vernietiging is bij de zoekslag niet volstaan met het raadplegen van één map of dossier, maar is breder gezocht binnen alle relevante archiefonderdelen en systemen waar documenten over de afhandeling van klachten in de relevante periode konden berusten. Dat documenten niet chronologisch zijn vernietigd en niet in één map zijn opgenomen, betekent volgens de minister niet dat documenten over het hoofd zijn gezien of dat bepaalde mappen en/of systemen uiteindelijk ten onrechte niet in de zoekslag zijn betrokken.
3.2.
De gevraagde documenten zijn, voor zover zij ooit hebben bestaan, in de loop der tijd rechtmatig vernietigd vanwege het verstrijken van de daarvoor geldende bewaartermijn. Ten tijde van het Woo-verzoek en de besluitvorming daarop stond voor de minister vast dat de vernietiging, in overeenstemming met de hiervoor genoemde archief- en vernietigingssystematiek, had plaatsgevonden. Per abuis zijn enkele documenten, waar eiseres in haar Woo-verzoek om heeft verzocht, niet (op een goede wijze) vernietigd. Onder vernietiging moet volgens de minister worden verstaan het blijvend ontoegankelijk maken van de betreffende documenten. Wanneer documenten desondanks nog toegankelijk zijn en bij deze zoekslag naar aanleiding van het Woo-verzoek van eiseres zijn gevonden, vallen deze documenten onder de reikwijdte van de Woo. Deze documenten heeft de minister, ook al is de bewaartermijn verstreken en had vernietiging daarvan op een juiste wijze moeten plaatsvinden, daarom bij de besluitvorming op het betreffende Woo-verzoek betrokken. Dit verklaart volgens de minister waarom bepaalde documenten toch bij de besluitvorming heeft betrokken, terwijl andere documenten waarnaar eiseres in beroep specifiek heeft verwezen, bijvoorbeeld in dezelfde tijdsperiode of over hetzelfde onderwerp, bij het besluit ontbreken. De minister acht het daarom niet aannemelijk dat meer documenten niet of op een onjuiste wijze zijn vernietigd en daardoor nog onder de IGJ dan wel onder zijn ministerie berusten.
Uitlatingen van de woordvoerder en de Woo-behandelaar
4. Over de uitlatingen van de woordvoerder tijdens de inzage en van de Woo-behandelaar heeft de minister toegelicht dat meermaals is gesproken over het bestaan van een ‘dik’ of ‘omvangrijk’ dossier. Volgens de minister zien deze termen op het bestaan van een administratief en historisch dossier waarin registraties, verwijzingen en reststukken uit verschillende perioden zijn samengebracht. Het feit dat het papieren archief van de IGJ historisch is ingericht op basis van werkprocessen en toezichttaken en niet op basis van individuele dossiers per persoon, maakt de zoekslag en inventarisatie van de gevraagde documenten volgens de minister automatisch omvangrijk. De minister heeft met de aanduiding ‘groot dossier’ niet bedoeld te zeggen dat op voorhand duidelijk was dat alle gevraagde documenten in één dossier waren opgeslagen of dat de aangetroffen documenten die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen, een grote hoeveelheid betrof. De minister heeft hiermee bedoeld dat sprake is van een administratief en historisch dossier waarvan onderdelen in de loop der jaren verspreid zijn geraakt over verschillende archiefonderdelen en registratiesystemen, afhankelijk van het werkproces, de periode en de betrokken organisatieonderdelen.
Communicatie over deelbesluit
5. Over de (mis)communicatie over het nemen van een deelbesluit heeft de minister het volgende toegelicht. Tijdens de behandeling van het Woo-verzoek is met eiseres gecommuniceerd over de verwachte complexiteit van de zaak, de onzekerheid over welke documenten aanwezig waren en de mogelijkheid om, indien de inventarisatie daartoe aanleiding zou geven, met deelbesluiten te werken. Deze communicatie vond plaats tijdens het lopende inventarisatieproces en weerspiegelt de toen bestaande onzekerheid over de feitelijk beschikbaarheid van documenten. De minister heeft dat niet bedoeld als een toezegging dat er méér documenten aanwezig waren dan uiteindelijk zijn aangetroffen. Volgens de minister was geen sprake van een expliciete, wederzijdse overeenstemming om in deelbesluiten te werken. Toen na de afronding van de zoekslag bleek dat het aantal nog aanwezige documenten beperkt was en er geen aanleiding bestond om met deelbesluiten op het Woo-verzoek te beslissen, heeft de minister gekozen voor één integraal besluit.
Zienswijze eiseres
6. Eiseres voert in de zienswijze aan dat de minister met het herstelbesluit nog steeds niet alle Woo-documenten heeft verstrekt. Eiseres is ervan overtuigd dat er meer stukken in het dossier van IGJ aanwezig moeten zijn. Zij heeft in dat kader verzocht om de woordvoerder en de Woo-behandelaar van de minister onder ede te horen over de vraag of er geen dossier is van 1997 tot 2017, dan wel tot 2025. Gelet op het feit dat het gaat om ernstige misdrijven (verwaarlozing, onthouden van zorg, dood door schuld, vrijheidsbeneming en gijzeling) hadden de stukken volgens eiseres langer bewaard moeten blijven.
Wat is het oordeel van de rechtbank hierover?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de toelichting over de archiefstructuur, waarbij documenten die betrekking hebben op één zaak, verspreid kunnen zijn opgeslagen in verschillende archiefonderdelen, in zijn geheel genomen de zoekslag voldoende heeft toegelicht. De versnipperde wijze van archivering door de minister verklaart waarom sommige documenten die onder het bereik van het Woo-verzoek vallen, niet altijd op juiste wijze zijn vernietigd. Dit verklaart ook waarom de minister bepaalde documenten waarom eiseres specifiek heeft verzocht en die zien op eenzelfde periode of over hetzelfde onderwerp, niet bij het besteden besluit heeft betrokken. Dat aannemelijk is dat bepaalde documenten destijds hebben bestaan, zoals eiseres terecht stelt, betekent dus niet dat deze documenten ten tijde van het Woo-verzoek nog onder de IGJ dan wel de minister berustten. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de verrichtte zoekslag voldoende inspanningen heeft verricht om alle Woo-documenten te vinden.
7.1.
Voor de stelling van eiseres dat het gaat om ernstige misdrijven en dat de documenten daarom langer bewaard hadden moeten blijven, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond. Voor de bewaartermijn heeft de minister de geldende termijnen van de Archiefwet en de daarbij gehanteerde Concernbrede selectielijst [1] mogen volgen. Daarin wordt alleen onderscheiden of het document ziet op het uitoefenen van toezicht door IGJ, of er wel of geen interventie heeft plaatsgevonden en of het gaat om een de afhandeling van een klacht door IGJ.
7.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister met de toelichting onder punt 4 en 5 voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom de woordvoerder heeft gezegd dat het om een groot dossier ging en de documenten die eiseres bij de inzage heeft gezien slechts een deel van het dossier zijn, en waarom de Woo-behandelaar er eerder vanuit ging dat een deelbesluit zou worden genomen, terwijl daar uiteindelijk niet voor is gekozen. Het niet horen van de Woo-behandelaar en de woordvoerder maakt de verrichte zoekslag in dit geval niet onzorgvuldig. Daarvoor vindt de rechtbank van belang dat de minister voldoende heeft toegelicht dat het dossier omvangrijk en versnipperd was en uit zowel een digitaal als een papieren archief bestond. De rechtbank is, gelet op deze omstandigheden, van oordeel dat de minister bij zijn zoekslag voldoende inspanningen heeft verricht om alle Woo-documenten te vinden. Daarmee heeft de minister alsnog inzichtelijk gemaakt dat de verrichtte zoekslag voldoende zorgvuldig is geweest. Voor het alsnog horen onder ede van de woordvoerder en de Woo-behandelaar, zoals eiseres heeft verzocht, ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.
Verzoek om schadevergoeding
8. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege de enorme hoeveelheid tijd, werk en inspanningen en de emotionele gevolgen die de instanties daardoor hebben veroorzaakt. De rechtbank vat dit op als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, en overweegt als volgt.
8.1.
Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend op 24 januari 2024. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, had in deze procedure dus uiterlijk op 24 januari 2026 uitspraak moeten worden gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 29 mei 2026. Dit levert een termijnoverschrijding op van vier maanden. Uitgaande van een schadebedrag van
€ 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank eiseres een schadevergoeding van € 500,00 toekennen. Nu de overschrijding voortvloeit uit de tussenuitspraak, is het schadebedrag volledig toe te rekenen aan de minister. [2]

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank concludeert dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het herstelbesluit zijn hersteld en dat eiseres zich over dat herstelbesluit heeft kunnen uitlaten. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:2 van Pro de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Omdat de minister in het herstelbesluit de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit gegrond;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten bedrage van € 500,00;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. J.H. Lange en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Staatscourant 2024 9 februari 2024, nr. 3945, vaststelling Concernbrede selectielijst van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport.
2.ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3949.