ECLI:NL:RVS:2023:3949
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens onderhoudsproblemen woning en niet reageren op passend woningaanbod
Bij besluit van 8 mei 2018 wees het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van appellante om een urgentieverklaring af vanwege onderhoudsklachten in haar woning. Na bezwaar, beroep en hoger beroep werd het besluit van het college heroverwogen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de nakoming van afspraken over herstel van gebreken en gaf opdracht tot een nieuw besluit.
In het nieuwe besluit van 1 december 2022 handhaafde het college de afwijzing, stellende dat de verhuurder de meldingen had opgepakt en dat appellante haar woonprobleem ook had kunnen oplossen door te reageren op een passend woningaanbod. Appellante betwistte dit en voerde aan dat de onderhoudsproblemen nog niet waren opgelost en dat het nieuwe argument over het woningaanbod niet aan het besluit ten grondslag mocht worden gelegd.
De Afdeling oordeelde dat het college aan haar opdracht had voldaan, dat een deel van de problemen was opgelost en dat de werkzaamheden aan de gevel en isolatie zouden worden uitgevoerd. De Afdeling vond dat appellante haar woonprobleem zelf had kunnen oplossen en dat het college terecht het beroep ongegrond verklaarde. Tevens werd een schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim een jaar.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en een schadevergoeding van €1.500 wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.