ECLI:NL:RBMNE:2026:299

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/2919
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanmeldtermijn compensatie kinderopvangtoeslag en toepassing hardheidsclausule

Eiseres heeft zich te laat aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag, waarna Dienst Toeslagen haar aanvraag niet in behandeling nam. De rechtbank beoordeelt of de hardheidsclausule toegepast had moeten worden, die afwijking van de aanmeldtermijn mogelijk maakt bij bijzondere omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat eiseres niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat de aanmeldtermijn op 1 januari 2024 afliep. Dienst Toeslagen heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres en andere gedupeerde ouders in het buitenland adequaat zijn geïnformeerd over de hersteloperatie en aanmeldtermijn. Ook kon Dienst Toeslagen niet uitleggen waarom sommige ouders wel en anderen niet per brief zijn geïnformeerd.

De rechtbank acht het stellen van een harde aanmeldtermijn gerechtvaardigd vanwege de beheersbaarheid van de hersteloperatie, maar benadrukt dat bij bijzondere omstandigheden de hardheidsclausule moet worden toegepast. Omdat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit niet geldt voor eiseres, wordt het bestreden besluit vernietigd en moet een nieuw besluit worden genomen.

Daarnaast wordt Dienst Toeslagen veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter A. Rademaker op 29 januari 2026.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en Dienst Toeslagen moet een nieuw besluit nemen met toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2919

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A. van Gemeren),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Waar gaat deze zaak over?

Eiseres heeft zich op 12 augustus 2024 telefonisch bij Dienst Toeslagen aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Dienst Toeslagen heeft op 1 oktober 2024 besloten de aanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen omdat het te laat is ingediend. Met het bestreden besluit van 1 april 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij zijn standpunt gebleven.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen. Eiseres heeft via een telefonische verbinding deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluitvorming
1. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres van 12 augustus 2024 voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag niet in behandeling genomen omdat de aanvraag te laat is ingediend. In het bestreden besluit heeft Dienst Toeslagen toegelicht dat het voor eiseres mogelijk was om zichzelf tot en met 2 januari 2024 aan te melden voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Alleen in bijzondere gevallen kan van die datum worden afgeweken. Daar is nu volgens Dienst Toeslagen geen sprake van.
2. Eiseres heeft - kort samengevat - aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij doet daarmee een beroep op toepassing van de hardheidsclausule.
Toetsingskader
3. Volgens artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) moet een aanvraag voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht voor 1 januari 2024 zijn ingediend. De hardheidsclausule zoals weergegeven in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht maakt het mogelijk om van de in artikel 6.1, eerste lid, van de Wht gestelde termijn af te wijken. Er moet dan sprake zijn van een bijzondere situatie die niet is te voorzien en waarin toepassing van artikel 6.1 van de Wht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. [1]
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend. Dat staat tussen partijen ook niet ter discussie. Ter beoordeling staat of de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025 [2] , kan de hardheidsclausule alleen worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. De rechtbank is van oordeel dat bij deze beoordeling ook betrokken moet worden de omstandigheid dat iemand niet wist of in redelijkheid niet kon weten dat de aanmeldtermijn voor de compensatie op 1 januari 2024 afliep. Ook zonder dat dit samengaat met schrijnende omstandigheden, kan dit namelijk leiden tot onbillijkheid van overwegende aard.
Aanmeldtermijn
5. Eiseres heeft aangevoerd dat de aanmeldtermijn van drie jaar arbitrair is, er zou per geval maatwerk moeten worden geleverd.
6. In dit verband merkt de rechtbank op dat de wetgever de uiterste datum voor het doen van een aanvraag in artikel 6.1, eerste lid, van de Wht dwingend heeft geformuleerd. Het stellen van een harde aanmeldingsdeadline is volgens de wetgever noodzakelijk om de hersteloperatie beheersbaar en uitvoerbaar te houden. Zonder een dergelijke deadline zou de operatie onnodig kunnen worden uitgerekt, wat de uitvoerbaarheid zou bemoeilijken en de beschikbare middelen zou kunnen overbelasten. De rechtbank acht dit gerechtvaardigd. Temeer omdat is besloten dat in gevallen waarin omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, gekeken zal worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat de aanmeldtermijn arbitrair is. Er wordt namelijk ook gekeken of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Toepassing van de hardheidsclausule
7. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd dat de hardheidsclausule niet toegepast kan worden in de situatie van eiseres. Dienst Toeslagen heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiseres, wonende in [plaats] , in redelijkheid op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de aanmeldtermijn voor compensatie. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
8. Eiseres heeft gesteld dat Dienst Toeslagen haar en andere gedupeerde ouders in [plaats] onvoldoende op de hoogte heeft gebracht over de aanmeldtermijn van de toeslagenaffaire. Dienst Toeslagen heeft eiseres niet actief benaderd.
9. In reactie hierop heeft Dienst Toeslagen toegelicht dat het zich heeft ingezet om via allerlei kanalen (social media, het nieuws en spotjes op tv) alle gedupeerden van de toeslagenaffaire op de hoogte te stellen van de hersteloperatie. Ook was er een speciale website voor ouders die in het buitenland wonen. De mogelijkheid tot aanmelden is meer dan drie jaar lang op verschillende manieren onder de aandacht gebracht bij ouders.
10. Met de toelichting van Dienst Toeslagen is niet aannemelijk gemaakt dat ook gedupeerde ouders die zijn verhuisd naar [plaats] via die kanalen zijn bereikt. Aangezien bekend mag worden verondersteld dat een deel van de gedupeerde ouders afkomstig is van de Nederlandse Cariben [3] , en deze ouders terug zijn verhuisd, had het op de weg van Dienst Toeslagen gelegen om deze groep bijzondere aandacht te geven. De omstandigheid dat er ook een website was in de Engelse taal, is daarvoor onvoldoende. Zoals eiseres terecht heeft gesteld beheerst niet iedereen de Engelse taal en is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat alle gedupeerde ouders in het buitenland bereikt zijn. Niet is gebleken dat Dienst Toeslagen aan informatievoorziening in [plaats] heeft gedaan. Voor zover Dienst Toeslagen dat wel heeft gedaan, is dat niet inzichtelijk geworden.
11. Verder heeft Dienst Toeslagen gesteld dat ouders waarvan de Dienst Toeslagen wist dat ze mogelijk gedupeerd waren een brief hadden ontvangen. Eiseres heeft niet een dergelijke brief ontvangen. Ter zitting heeft Dienst Toeslagen niet kunnen toelichten waarom aan eiseres geen brief is gestuurd en hoe de selectie is gemaakt aan welke ouders wel brieven zijn gestuurd en aan welke ouders niet. Dienst Toeslagen heeft dus ook eiseres zelf niet op de hoogte gebracht van de aanmeldtermijn voor compensatie.
12. De rechtbank vindt dat eiseres met haar gronden aannemelijk geeft gemaakt dat zij niet wist en in redelijkheid niet kon weten dat de aanmeldtermijn voor compensatie in het kader van de hersteloperatie toeslagen op 1 januari 2024 afliep. Daarbij is ook van belang dat eiseres zich, zodra zij op de hoogte was van de hersteloperatie, heeft gemeld bij Dienst Toeslagen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of een mogelijkheid om zelf een beslissing over de aanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat Dienst Toeslagen bij toepassing van de hardheidsclausule beoordelingsvrijheid heeft. De rechtbank bepaalt dat Dienst Toeslagen een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft Dienst Toeslagen hiervoor zes weken.
14. Omdat het beroep gegrond is moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 april 2025;
- draagt Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 9.1., eerste lid, van de Wht.
3.Dit blijkt uit bijvoorbeeld het CBS onderzoek ‘Kenmerken van gedupeerde gezinnen toeslagenaffaire’, d.d. 28 juni 2022, www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2022/26/ kenmerken-van-gedupeerde-gezinnen-toeslagenaffaire.