ECLI:NL:RBMNE:2026:297

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
UTR 24/2904
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:87 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Midden-Nederland stelt dwangsom vast wegens te late uitspraak bezwaar rioolheffing 2023

Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag rioolheffing 2023 van de gemeente Baarn en stelde de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar stelde dat de ingebrekestelling prematuur was vanwege een verlenging van de beslistermijn, maar de rechtbank oordeelde dat deze verlenging onvoldoende was onderbouwd en de ingebrekestelling dus niet prematuur was.

De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar pas op 13 maart 2024 bekendmaakte, terwijl dit uiterlijk op 16 januari 2024 had moeten gebeuren. Hierdoor was de heffingsambtenaar vanaf 17 januari 2024 een dwangsom verschuldigd voor maximaal 42 dagen, wat resulteerde in een maximale dwangsom van €1.442,-. Daarnaast werd wettelijke rente toegekend vanaf 24 april 2024 tot aan de dag van volledige betaling.

Eiser vorderde ook vergoeding van reis- en verletkosten, waarvan de rechtbank een deel toekende op basis van eerdere uitspraken en de onderbouwing van eiser. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de redelijke termijn eindigde op het moment dat het bezwaar gegrond werd verklaard en volledig werd toegewezen.

De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van de dwangsom, wettelijke rente, griffierecht, proceskosten en reiskosten, en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter E.M. van der Linde op 4 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt een dwangsom van €1.442,- vast wegens te late uitspraak op bezwaar en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2904
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: S. Quijs).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 april 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het belastingjaar 2023 een aanslag in de rioolheffing opgelegd.
1.2.
Eiser is tegen deze beschikking in bezwaar gegaan. Bij brief heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. In de beschikking van 5 april 2024 heeft de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat de ingebrekestelling prematuur is. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de ingebrekestelling prematuur is en er geen dwangsom is verbeurd. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar op 28 januari 2023 aan eiser een aanslag rioolheffing heeft opgelegd. Eiser is hier op 8 februari 2023 tegen in bezwaar gegaan. Op 2 januari 2024 heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. In de uitspraak op bezwaar van 5 april 2024 heeft de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat de ingebrekestelling prematuur is. De beslistermijn is namelijk bij brief van 14 december 2023 verdaagd. De heffingsambtenaar heeft echter ter zitting aangegeven dat uit de zaaknummers in de verdagingsbrief onvoldoende blijkt dat de beslistermijn op het bezwaar tegen de aanslag rioolheffing 2023 ook is verdaagd. Gelet hierop acht de rechtbank het beroep gegrond. De ingebrekestelling van eiser van 2 januari 2024 is hiermee niet prematuur. De heffingsambtenaar had na de ingebrekestelling twee weken om de uitspraak op bezwaar voor de aanslag rioolheffing 2023 aan eiser bekend te maken. De heffingsambtenaar heeft echter pas op 13 maart 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslag niet tijdig heeft bekendgemaakt.
3. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [1]
4. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar tot en met 16 januari 2024 de tijd had om de uitspraak op bezwaar naar eiser te versturen. De heffingsambtenaar is daarom vanaf 17 januari 2024 een dwangsom verschuldigd. Doordat de heffingsambtenaar op 13 maart 2024 op de hoogte is gebracht van de uitspraak op bezwaar dient de heffingsambtenaar een dwangsom te verbeuren voor 42 dagen. [2] De rechtbank stelt op grond van artikel 8:55c van de Awb vast dat de maximale dwangsom van € 1.442,- is verschuldigd.
5. Eiser vraagt daarnaast om uitbetaling van wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe. Gelet op het bepaalde in artikel 4:18 van Pro de Awb diende de heffingsambtenaar de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (in dit geval 28 februari 2024) bij beschikking vast te stellen. Gelet hierop diende de heffingsambtenaar uiterlijk op 13 maart 2024 de dwangsom vast te stellen. Uit artikel 4:87, eerste lid, van de Awb volgt dat betaling van de dwangsom in beginsel zes weken na bekendmaking van de beschikking geschiedt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. De laatste dag waarop de dwangsom had moeten worden betaald is zes weken na 13 maart 2024, zodat de heffingsambtenaar met ingang van 24 april 2024 in verzuim is en vanaf die dag wettelijke rente is verschuldigd tot aan de dag van algehele voldoening.

Conclusie en gevolgen

Proceskostenvergoeding
6. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser betalen. Eiser heeft ook gevraagd om reis- en verletkostenvergoeding. Eiser vraagt om verletkosten van € 106,- per uur. De heffingsambtenaar heeft dit bedrag betwist. Doordat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij € 106 per uur zou moeten krijgen en dit is betwist door de heffingsambtenaar, ziet de rechtbank aanleiding aan te sluiten bij haar uitspraak van 14 maart 2025, waarin ook verletkosten aan eiser zijn toegekend. Bovendien sluit de rechtbank zich aan bij deze uitspraak met betrekking tot de toerekening van het aantal uur, nu het in de onderhavige zaak, net als in de eerdere, gaat om de behandeling van één zaak. [3]
De rechtbank stelt deze kosten vast op € 14,40 aan reiskosten en € 220,50 (2,5 x € 89,-), omdat hij door de reis naar en aanwezigheid op de zitting zijn werk als zelfstandige niet heeft kunnen doen. De rechtbank zal de heffingsambtenaar in deze proceskosten veroordelen.
Immateriële schadevergoeding
7. Eiser heeft een verzoek tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade gedaan in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
8. De rechtbank is van oordeel dat nadat de heffingsambtenaar op 13 maart 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan en het bezwaar gegrond verklaarde en volledig aan eiser het bezwaar van eiser is tegemoetgekomen, is de rechtbank van oordeel dat er niet langer sprake kon zijn van spanning en frustratie bij eiser wegens een lopend belastinggeschil. In het geschil bij de rechtbank ging het uitsluitend om de vraag of een dwangsom was verschuldigd ter zake van het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag rioolheffing 2023. De rechtbank heeft in dit verband acht geslagen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:91). Kortom, uit deze uitspraak volgt dat nu er met de uitspraak op bezwaar volledig is tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser, de redelijke termijn is geëindigd op 13 maart 2024. De redelijke termijn is hierdoor niet overschreden. Dit betekent dat het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser ten bedrage van
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de reiskosten tot een bedrag van € 14,40;
  • Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4:17 en Pro 4:18 Awb.
2.Artikel 4:17 lid 1 Awb Pro.
3.Zie hiervoor de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7104.