AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen compensatie herbeoordeling kinderopvangtoeslag 2007-2019
Eiseres heeft een verzoek ingediend voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met 2019. Dienst Toeslagen heeft een compensatie toegekend, die na bezwaar licht werd aangepast. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de compensatie en stelde beroep in, dat zij verschoonbaar te laat indiende. De rechtbank verklaarde haar beroep ontvankelijk en behandelde het inhoudelijk.
De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen de compensatie over 2008 correct heeft berekend, mede omdat eiseres zelf een wijziging doorgaf waarbij opvang via een gastouder werd stopgezet. Er is geen sprake van institutionele vooringenomenheid door Dienst Toeslagen. Eiseres kon niet aannemelijk maken dat relevante stukken ontbreken in het dossier, ondanks verwijzing naar een grote datakluis.
De rechtbank concludeert dat over de jaren 2007 en 2011 tot en met 2017 geen vooringenomen handelen is vastgesteld en dat de compensatie terecht is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vastgestelde compensatie kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
HRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4493
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P. Salim),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Waar gaat deze zaak over?
Eiseres heeft op 18 februari 2021 een verzoek ingediend voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (KOT) voor de jaren 2007-2019. Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 21 maart 2023 een compensatie van € 28.815,- toegekend. Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 op het bezwaar van eiseres heeft Dienst Toeslagen het compensatiebedrag opnieuw berekend op € 28.911,-.
Eiseres is het niet eens met de hoogte van de compensatie en heeft beroep ingesteld.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat Dienst Toeslagen het compensatiebedrag juist heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ontvankelijkheid
2. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het beroep tijdig is ingediend.
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. [1] Het beroepschrift dient voor het einde van de termijn te zijn ontvangen. [2] Wanneer een beroepschrift niet voor het einde van de termijn is ontvangen, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De niet-ontvankelijkheid blijft achterwege wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. [3] Dit betekent dat het niet tijdig indienen van het beroepschrift niet aan eiseres kan worden toegerekend. Indien hiervan sprake is, laat de rechtbank een niet-ontvankelijkverklaring achterwege en neemt zij het beroep in behandeling.
Te laat ingediend beroepschrift
4. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. De beslissing op bezwaar dateert van 26 mei 2025. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de bekendmaking via verzending per post later heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigt daarmee op 7 juli 2025. Dit betekent dat eiseres het beroepschrift uiterlijk op 7 juli 2025 had moeten indienen. Op het beroepschrift staat dat de datum van ontvangst van het beroepschrift 30 juli 2025 is. Dit is te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen. Deze beoordeling vraagt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering. Dit volgt uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024. [4]
Verschoonbare termijnoverschrijding
5. Eiseres heeft toegelicht hoe de verzending van het pro forma beroepschrift heeft plaatsgevonden. Op 3 juli 2025 is het beroepschrift verzonden naar de rechtbank Amsterdam. Uit een afschrift van een registratie van het geautomatiseerd systeem van het kantoor van de gemachtigde van eiseres volgt dat de taak ‘verzending beroepschrift’ is vervuld op 3 juli 2025. Er is ook een ander beroepschrift op dat moment verstuurd. Het lijkt erop dat de verkeerde envelop (namelijk de envelop die hoort bij dat andere dossier) is gevoegd bij het dossier van mevrouw [eiseres] . Er is mogelijk een vergissing begaan bij de rechtbank Amsterdam. Het is volgens eiseres namelijk onlogisch als de envelop zou zien op de zaak van eiseres, omdat dat een grote envelop is die gebruikt wordt bij het opsturen van een dikker pakket aan stukken. Het ingediende beroepschrift bestond echter maar uit twee pagina’s en is in een envelop met A5 formaat opgestuurd. Eiseres heeft verder een verklaring overgelegd van de kantoorgenoot van haar gemachtigde, die verklaard heeft dat hij op 3 juli 2025 een beroepschrift heeft opgesteld, en opdracht heeft gegeven dat op die dag ook te versturen. Verder heeft hij verklaard dat hij op 4 juli 2025 heeft gecontroleerd of het beroepschrift was verzonden.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres verschoonbaar te laat haar beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen hoe de verzending van het beroepschrift precies is verlopen. Met de stukken en de verklaringen die door eiseres zijn overgelegd heeft zij echter voldoende aannemelijk gemaakt dat het pro forma beroep tijdig is verstuurd. De rechtbank zal dan ook verder in deze uitspraak het beroep inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijk beroep
Aanvraag
7. Eiseres heeft op 18 februari 2021 zich gemeld bij Dienst Toeslagen en een verzoek ingediend voor herbeoordeling van haar KOT.
8. Bij besluit van 8 mei 2021 is aan eiseres een bedrag van € 30.000,- toegekend. Bij de integrale herbeoordeling is het bedrag aan compensatie berekend op € 1.185,-, waardoor de totale vergoeding € 30.000,- blijft. Bij het bestreden besluit is voor de jaren 2010 en 2013 de compensatieregeling wel van toepassing verklaard. Het totale compensatiebedrag is vastgesteld op € 28.911,-, wat nog steeds onder de toegekende € 30.000,- valt. Er volgt daarom geen nabetaling.
Toeslagjaar 2008
9. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de compensatie. Volgens haar is in het toeslagjaar 2008 ook gebruik gemaakt voor het oudste kind van eiseres van de kinderopvang [naam 1] . Die extra uren zijn eerst toegekend en daarna komen te vervallen. Niet is gemotiveerd waarom die uren zijn komen te vervallen. Dat heeft Dienst Toeslagen niet meegenomen in de herbeoordeling. Het is niet ondenkbaar dat niet alle relevante gegevens in het hersteldossier zitten over kinderopvang [naam 1] omdat deze organisatie in 2008 onderwerp is geweest van een grootschalig onderzoek. Dienst Toeslagen heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiseres in het antwoordformulier en in het ouderverhaal zou hebben verklaard geen kinderopvang te hebben afgenomen bij [naam 1] . Er is voorbij gegaan aan het oudergesprek waarin eiseres heeft gezegd dat zij zich niet goed kan herinneren wat er precies heeft afgespeeld.
Toetsingskader
10. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de KOT sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres heeft geleden als gevolg van het handelen van Dienst Toeslagen. Uit de memorie van toelichting bij de Wht [5] volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Eiseres moet dus meer doen dan alleen zeggen dat zij een aanvraag voor KOT heeft ingediend. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft eiseres nog een verklaring van haar zus overgelegd.
Oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen de compensatie over 2008 juist heeft berekend. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
12. Naar de rechtbank begrijpt stelt eiseres dat zij in 2008 kinderopvang heeft afgenomen bij [naam 2] en bij [naam 1] . Zij heeft de jaaropgave ingevuld bij de Belastingdienst en is daarbij geholpen door een ambtenaar. Zij heeft destijds jaaropgaven overgelegd voor de afgenomen uren bij [naam 2] en die zijn ook goed verwerkt door Dienst Toeslagen. Voor wat betreft de uren die zij heeft afgenomen bij [naam 1] stelt eiseres dat [naam 1] destijds in opspraak was geraakt. Daarom is haar door de ambtenaar aangeraden om de bij [naam 1] afgenomen uren weg te laten bij de jaaropgave voor de KOT 2008.
13. Volgens eiseres waren er op 2 april 2008 extra uren voor aangevraagd voor de dagopvang bij [naam 1] en zijn die ook toegekend op 14 april 2008. Maar op 25 april 2008 zijn de extra uren van [naam 1] weer komen te vervallen en is Dienst Toeslagen enkel uitgegaan van de dagopvang bij [naam 2] . Zodoende heeft Dienst Toeslagen volgens eiseres vooringenomen gehandeld. De rechtbank volgt eiseres hierin niet.
14. Op grond van de Wht kan Dienst Toeslagen een aanvrager van KOT een compensatie toekennen als sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen. In de toelichting bij de Wht [6] zijn voorbeelden genoemd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van zo’n institutionele vooringenomenheid. Naar de rechtbank begrijpt sluit eiseres in deze procedure aan bij het daar genoemde voorbeeld dat Dienst Toeslagen geen nadere informatie heeft opgevraagd bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming in de overgelegde bewijsstukken. Naar Dienst Toeslagen heeft aangevoerd deed die situatie zich hier echter niet voor en was er in dit geval geen aanleiding om er vanuit te gaan dat er informatie ontbrak. Zoals Dienst Toeslagen tijdens de zitting heeft toegelicht, heeft eiseres de aanvankelijk aangevraagde toeslag voor een gastouder via [naam 1] namelijk zelf stopgezet op 12 april 2008. Dienst Toeslagen heeft tijdens de zitting verwezen naar de producties 103 en 104 uit het bezwaardossier waaruit dat blijkt. In de wijzigingsaanvraag van 2 april 2008 (productie 103) blijkt namelijk dat eiseres op die datum doorgaf dat zij 136 uur opvang afnam bij een kindercentrum en 44 uur bij een gastouder. Uit de wijzigingsaanvraag van 12 april 2008 (productie 104) volgt dat eiseres alleen nog de eerdergenoemde 136 uur opvang afnam bij een kindercentrum. De 44 uur bij een gastouder is daarbij komen te vervallen. Eiseres heeft dat niet gemotiveerd weersproken.
15. Verder heeft eiseres weliswaar gesteld dat een medewerker van de Belastingdienst haar zou hebben geadviseerd om de naam van [naam 1] niet te vermelden, maar dat is door Dienst Toeslagen weersproken. De enige onderbouwing van deze stelling is de door eiseres overgelegde verklaring van haar zus. Daar tegenover staan echter de volgende feiten en omstandigheden:
uit de producties 103 en 104 in het bezwaardossier blijkt dat eiseres op 12 april 2008 de toeslag voor de opvang voor een gastouder via [naam 1] zelf heeft stopgezet;
eiseres heeft in haar beroepsgronden aangegeven dat zij zich niet precies kan herinneren wat er zich in die jaren precies heeft afgespeeld;
uit het door eiseres zelf ondertekende antwoordformulier KOT 2008 en de daarbij gevoegde jaaroverzichten blijkt dat zij alleen KOT verantwoordde voor opvang bij [naam 2] ;
eiseres heeft toentertijd en in deze procedure geenstukken overgelegd (zoals een jaaroverzicht over 2008) waaruit kan worden afgeleid dat eiseres in 2008 kinderopvang heeft afgenomen van [naam 1] .
Alles tegen elkaar afwegende is de rechtbank van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat een medewerker van de Belastingdienst haar zou hebben geadviseerd om de naam van [naam 1] niet te vermelden.
16. Verder stelt eiseres dat zij in een brief van 9 november 2009 bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat geen KOT is toegekend voor de bij [naam 1] afgenomen uren. Die brief had volgens eiseres voor Dienst Toeslagen aanleiding moeten zijn voor het stellen van nadere vragen over de bij [naam 1] afgenomen kinderopvang.
17. De brief van eiseres van 9 november 2009 was een reactie op een brief van Dienst Toeslagen van 6 november 2009. In die brief werd aan eiseres medegedeeld dat de KOT per december 2009 zou worden stopgezet en niet automatisch zou worden gecontinueerd in 2010. Uit de brief van eiseres van 9 november 2009 blijkt dat haar bezwaar zich daartegen richt. Verder volgt uit de brief dat zij de toeslag gebruikte om de toeslag voor de kinderopvang te betalen aan kinderdagverblijf [naam 2] . Weliswaar vermeldt eiseres in de brief dat zij in het verleden kinderopvang zou hebben afgenomen bij [naam 1] , maar gelet op de inhoud van de brief had Dienst Toeslagen hier niet uit hoeven afleiden dat eiseres bezwaar wilde maken tegen de vastgestelde KOT over het jaar 2008. Dat is niet de strekking van haar brief.
18. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat Dienst Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld bij de afhandeling van de KOT over het jaar 2008 door geen nadere informatie bij haar op te vragen. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Toeslagjaren 2007, 2011 t/m 2017
19. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat Dienst Toeslagen ten onrechte niet is ingegaan op de bezwaren over de jaren 2007 en 2011 tot en met 2017. Het dossier over die jaren is niet compleet.
20. Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift toegelicht dat in de jaren 2007 en 2011 tot en met 2017 geen stopzettingen hebben plaatsgevonden en dat er geen nihilbeschikkingen zijn afgegeven. Reguliere wijzigingen hebben ervoor gezorgd dat eiseres in de jaren de hier onder weergegeven bedragen moest terugbetalen.
Toeslagjaar
Hoogte terugbetaling
2007
€ 0,-
2008
€ 335,-
2009
€ 136,-
2010
€ 0,-
2011
€ 360,-
2012
€ 0,-
2013
€ 360,-
2014
€ 0,-
2015
€ 165,-
2016
€ 0,-
2017
€ 16,-
Niet is gebleken dat er in voornoemde jaren sprake is geweest van vooringenomen handelen. Eiseres heeft niet aangegeven wat niet klopt aan dit standpunt van Dienst Toeslagen. Ook geeft het dossier geen reden om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Datakluis - 64 miljoen documenten
21. Eiseres heeft verder ter zitting nog aangegeven dat het dossier niet compleet is en dat er in de 64 miljoen documenten die nog gevonden zijn in de datakluis van de Belastingdienst [7] vast ook nog documenten van haar zitten.
22. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen uitgebreid heeft toegelicht welke wijzigingen er hebben plaatsgevonden in de jaren dat eiseres KOT ontving. In de jaren 2007 en 2011 tot en met 2017 hebben er geen invorderingen plaatsgevonden. De standpunten zijn ook onderbouwd met (veel) stukken. Verder heeft eiseres niet duidelijk gemaakt welke stukken zouden missen en welke stukken van belang zouden kunnen zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.
6.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3 (herdruk), blz. 70-71
7.Zoals bijvoorbeeld blijkt uit het nieuwsbericht van 16 april 2026, ‘Datakluis’ gevonden, geen gevolgen voor al genomen herstelbesluiten ouders, [internetsite] .