Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2886

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
12163526 \ UV EXPL 26-75
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BWArt. 556 lid 1 RvArt. 557 juncto Art. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gebruik gezamenlijke woning aan man bij zorgregeling minderjarig kind

De zaak betreft een geschil tussen voormalige partners die contractuele medehuurders zijn van een woning en samen een minderjarig kind hebben. Na het beëindigen van hun affectieve relatie in december 2025 verliet de vrouw de woning met het kind en vorderde zij dat de man de woning zou verlaten. De man vorderde in reconventie het exclusieve gebruik van de woning.

De kantonrechter oordeelde dat er een spoedeisend belang is vanwege de zorgverplichtingen voor het minderjarige kind en de huurachterstand. De belangenafweging leidde tot toewijzing van het gebruiksrecht aan de man, omdat hij geen alternatieve woonruimte heeft en daardoor niet voor het kind kan zorgen, terwijl de vrouw bij haar ouders woont. De zorgregeling wordt gefaciliteerd door het verblijf van de man in de woning.

De vordering van de vrouw tot betaling van een voorschot op de huurachterstand werd afgewezen, omdat de man de huurachterstand moet betalen. De procedurekosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beslissing is een voorlopige voorziening in kort geding en kan in een bodemprocedure worden herzien.

Uitkomst: De man krijgt voorlopig het exclusieve gebruiksrecht van de gezamenlijke woning vanwege de zorgregeling voor het minderjarige kind; de vorderingen van de vrouw worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12163526 \ UV EXPL 26-75
Vonnis in kort geding van 11 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H. Ben Touhami,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. K.R.E. Blanken.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 10 producties
- de aanvullende producties van [eiser]
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie met 4 producties
- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Daarna is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] en [gedaagde] hadden een affectieve relatie die in december 2025 is geëindigd. Zij hebben samen een minderjarig kind, [minderjarige] . [eiser] en [gedaagde] zijn contractuele medehuurders van een woning, waar zij samen hebben gewoond. [eiser] heeft de woning verlaten. Partijen vorderen over en weer dat de ander de woning moet verlaten en dat zijzelf de woning mogen gebruiken met uitsluiting van de ander. [eiser] vordert ook dat [gedaagde] aan haar een voorschot op de huurachterstand moet betalen. [eiser] krijgt geen gelijk. De kantonrechter wijst de tegenvordering van [gedaagde] toe. Dat betekent dat hij voorlopig in de woning mag blijven.
3 De achtergrond van de zaak
3.1
[eiser] en [gedaagde] hebben met ingang van 29 februari 2024 van Stichting Stedelink (Stedelink) gezamenlijk de woning gehuurd aan de [adres] te [postcode] in [plaats] voor een kale huurprijs van € 879,66.
3.2
Partijen hebben een Islamitisch huwelijk gesloten. Uit hun affectieve relatie is op
[geboortedatum] 2025 hun zoon [minderjarige] geboren. Inmiddels is de relatie geëindigd en zijn zij niet langer in staat gezamenlijk in de woning te verblijven. [eiser] heeft de woning in december 2025 verlaten met [minderjarige] . [eiser] is toen bij haar ouders gaan wonen.
3.3
Stedelink heeft [eiser] daarna verwijderd van de huurovereenkomst als medehuurder, na ontvangst van een afstandsverklaring van [eiser] . In februari 2026 heeft Stedelink deze verwijdering ongedaan gemaakt naar aanleiding van de mededeling van [eiser] dat de afstand was gedaan door [gedaagde] , zonder haar medeweten.
3.4
Partijen hebben na het eindigen van hun affectieve relatie aanvankelijk de afspraak gemaakt dat [gedaagde] elke week van maandag tot en met woensdag voor [minderjarige] zorgt en dat [eiser] de rest van de week voor [minderjarige] zorgt.
3.5
[gedaagde] heeft begin maart 2026 de sloten van de woning vervangen na een onverwacht bezoek van de oom en broer van [eiser] aan het adres van de woning. [eiser] heeft de eerder gemaakte zorgregeling op 4 maart 2026 beëindigd. [gedaagde] heeft daarna niet meer voor [minderjarige] gezorgd.
3.6
In december 2025 is een huurachterstand ontstaan. De huurachterstand bedraagt op 1 april 2026 € 3.633,91. Stedelink heeft de vordering uit handen gegeven aan een deurwaarder.
het geschil in conventie:
3.7
[eiser] vordert in conventie [gedaagde] te veroordelen om de woning aan de [adres] te [plaats] te verlaten en zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen op dit adres te beëindigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [eiser] vordert ook [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de ontstane huurachterstand. [gedaagde] verzoekt deze vorderingen af te wijzen.
het geschil in reconventie:3.8 [gedaagde] vordert in reconventie te bepalen dat hij bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de gezamenlijke woning aan de [adres] in [plaats] en de gezamenlijke inboedel, met het bevel aan [eiser] om de woning te verlaten en niet verder te betreden, bij gebreke waarvan de vrouw
[lees: [gedaagde] , ktr]wordt gemachtigd dit zelf en op kosten van de man
[lees: [eiser] , ktr]te bewerkstellingen met behulp van de sterke arm. [eiser] verzoekt deze vordering af te wijzen.
3.9
Beide partijen stellen dat zij een zwaarwegend belang hebben bij het exclusieve gebruik van de woning. [eiser] stelt dat zij in de woning het gezinsleven met haar minderjarige kind heeft vormgegeven en dat het in het belang van [minderjarige] is om rust en stabiliteit in zijn vertrouwde woonomgeving te waarborgen. [gedaagde] stelt dat het belang van [minderjarige] voorop staat. Toewijzing van de woning aan [eiser] zou [gedaagde] in feite beletten zijn zorgverplichtingen na te komen omdat hij voor tijdelijke woonruimte niet bij familie terecht kan, terwijl [eiser] bij haar ouders in een ruime woning in [plaats] kan verblijven. Partijen stellen elk afzonderlijk dat zij in staat zijn de maandelijkse huur te betalen. Partijen betwisten over en weer elkaars standpunten.

4.De beoordeling

4.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening en een tegenvordering. Voor toewijzing van de vordering is nodig dat er een spoedeisend belang is. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2
Omdat de vordering in conventie en in reconventie grotendeels spiegelbeeldig zijn, zullen zij gezamenlijk worden behandeld.
Er is een spoedeisend belang
4.3
De kantonrechter moet eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij gevorderde voorziening een spoedeisend belang heeft. Daar is sprake van. [eiser] heeft aangegeven dat zij noodgedwongen bij haar ouders verblijft, dat zij geen financiële middelen heeft om op korte termijn over andere woonruimte te beschikken en dat door de huurachterstand het risico bestaat dat beide partijen de woning verliezen. Daarbij komt dat [eiser] volgens de informatie van de verhuurder als medehuurder haar hoofdverblijf in de woning moet hervatten, wat zonder de medewerking van [gedaagde] niet mogelijk is. Daarmee is het spoedeisend belang van deze procedure gegeven. Dat [eiser] inmiddels al vier maanden bij haar ouders woont, doet niet af aan het spoedeisend belang. [eiser] heeft (ook) het recht om in de woning te wonen, en dat kan volgens haar nu niet.
Juridisch beoordelingskader
4.4
Op grond van artikel 7:267 lid 7 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen huurders en medehuurders vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in de uitspraak te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. Deze regeling geldt naar analogie in geschillen tussen contractuele medehuurders [1] . In dit artikel is verder bepaald dat de rechter deze vordering alleen toewijst als dit naar billijkheid, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, geboden is. De kantonrechter moet daarom de belangen van partijen afwegen en wel naar de toestand zoals die zich voordoet op het moment van deze beslissing.
4.5
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld het horen van getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat zal moeten gebeuren in de bodemprocedure.
Het gebruik van de woning wordt aan [gedaagde] toegewezen
4.6
De kantonrechter is van oordeel dat de belangenafweging voorlopig in het voordeel van [gedaagde] moet uitvallen. De kantonrechter overweegt hiertoe het volgende.
4.7
Partijen hebben tijdens de schorsing van de zitting met elkaar gesproken over een zorgregeling voor [minderjarige] voor de komende drie maanden. Op grond van die afspraken zal [minderjarige] de eerste maand (mei 2026) wekelijks één dag per week bij [gedaagde] verblijven, en zal zijn verblijf bij [gedaagde] geleidelijk worden uitgebreid met een overnachting naar uiteindelijk een verblijf bij [gedaagde] van drie dagen met overnachting per week in de derde maand (juli 2026).
4.8
De kantonrechter stelt voorop dat het voor de verdeling van de zorg voor [minderjarige] van belang is dat beide partijen beschikken over een eigen woonruimte om voor hun kind te kunnen zorgen. De zorgregeling voor [minderjarige] is voor partijen makkelijker op te starten en verder op te bouwen als beide partijen bij elkaar in de buurt wonen. De kantonrechter weegt daarbij mee dat [minderjarige] nog erg jong is, 10 maanden oud, waardoor het belangrijk is dat [minderjarige] voldoende kans heeft om zich aan beide ouders te hechten. [eiser] stelt dat zij in de woning van haar ouders geen rustige en veilige woonomgeving aan [minderjarige] kan bieden. Tijdens de zitting heeft [eiser] toegelicht dat zij in de woning van haar ouders een eigen slaapkamer heeft voor haarzelf en [minderjarige] maar dat het samenwonen soms tot irritatie over de bemoeienis van de (groot)ouders met de opvoeding leidt. De kantonrechter begrijpt dat het voor [eiser] niet prettig is om langere tijd met [minderjarige] weer bij haar ouders in te wonen, maar [eiser] heeft niet onderbouwd dat het verblijf bij haar ouders voor [minderjarige] geen rustige en veilige woonomgeving is. Met het verblijf bij haar ouders kan [eiser] bovendien terugvallen op hulp van haar familie voor de zorg van [minderjarige] , wat zij onder meer als reden heeft genoemd voor terugkeer naar de gezamenlijke woning. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat als hij niet meer in de woning kan verblijven, hij geen woonruimte meer heeft en dat hij daardoor niet meer voor [minderjarige] kan zorgen. [gedaagde] heeft namelijk gesteld dat hij niet bij zijn ouders in Utrecht of andere familie kan wonen, wat [eiser] niet gemotiveerd heeft betwist. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] beschikt over een alternatieve verblijfplaats en [gedaagde] niet. De zorgregeling is dan beter uitvoerbaar als [gedaagde] voorlopig in de woning blijft wonen terwijl [eiser] met [minderjarige] bij haar ouders verblijft die ook in [plaats] wonen. Op die manier kunnen beide partijen in dezelfde woonplaats blijven wonen.
4.9
Gelet op het zwaarwegende belang bij het uitvoeren van de zorgregeling voor [minderjarige] , zal de kantonrechter de vordering van [gedaagde] toewijzen en bepalen dat hij bij uitsluiting van [eiser] gerechtigd is de woning en de zich daarin bevindende inboedel te gebruiken. [eiser] heeft de woning al verlaten. Dat betekent dat zij zonder toestemming van [gedaagde] de woning niet meer mag binnenkomen. Omdat deze beslissing een voorlopige voorziening in kort geding is, kan de rechter in een eventuele bodemprocedure nog een definitieve beslissing geven over het niet langer voortzetten van de medehuur. De kantonrechter zal daarom hierna bepalen dat de vordering van [gedaagde] wordt toegewezen totdat in een eventuele bodemprocedure over de voortzetting van de huur anders wordt beslist.
4.1
De gevorderde machtiging om de ontruiming van de woning door [eiser] zelf uit te voeren met behulp van de sterke arm, zal worden afgewezen. De bevoegdheid tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming volgt namelijk al uit de wet. [2]
4.11
Uit het toewijzen van de vordering van [gedaagde] volgt afwijzing van de vordering van [eiser] waar het gaat om het verlaten van de woning door [gedaagde] .
[gedaagde] moet de huurachterstand betalen
4.12
Omdat de vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen de woning te verlaten wordt afgewezen, wordt de vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de huurachterstand, die is gebaseerd op haar terugkeer naar de woning, ook afgewezen. De huurachterstand is ontstaan per december 2025, in de periode dat [eiser] de woning heeft verlaten terwijl [gedaagde] in de woning is blijven wonen. De kantonrechter acht het daarom redelijk dat [gedaagde] de huurachterstand voor de gezamenlijke woning volledig betaalt. Bovendien heeft [eiser] in deze periode geen eigen inkomsten waardoor [gedaagde] de enige kostwinner is. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] op korte termijn zorgt voor het aflossen van de huurachterstand en dat hij de toekomstige huurtermijnen weer tijdig betaalt.
Proceskosten
4.13
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie:
5.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
in reconventie:
5.2
bepaalt dat [gedaagde] bij uitsluiting van [eiser] gerechtigd is tot het gebruik van de gezamenlijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] en de zich daarin bevindende boedel, met bevel dat [eiser] die woning niet mag betreden, totdat in een eventuele bodemprocedure hierover anders wordt beslist,
5.3
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie:
5.4
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5
verklaart dit vonnis zoals weergegeven onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op
11 mei 2026.
40160

Voetnoten

1.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1964.
2.artikelen 556 lid 1, 557 juncto artikel 444 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering