Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2862

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/6834
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.J. van Niejenhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing traplift binnenbocht wegens ondeugdelijke motivering en onzorgvuldig onderzoek

Eiseres vroeg een traplift in de binnenbocht aan, nadat het college eerder een traplift in de buitenbocht had toegekend. Het college wees de nieuwe aanvraag af, stellende dat de eerder toegekende traplift nog passend was. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende inzicht heeft gegeven in de bouwtechnische beoordeling, omdat het onderliggende rapport van Otolift ontbrak, waardoor de beoordeling niet controleerbaar was. Tevens heeft het college onvoldoende rekening gehouden met de belangen van medebewoners en de adviezen van twee ergotherapeuten die een traplift in de binnenbocht adviseerden.

Daarom is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd in strijd met de artikelen 3:2, 3:9 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de bouwtechnische beoordeling en belangen van medebewoners en ergotherapeutische adviezen betrokken moeten worden. Het college moet het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6834

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. O. Labordus),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, het college
(gemachtigde: mr. J.J. Vogel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), in de vorm van een traplift in de binnenbocht. Volgens het college is de eerder toegekende traplift in de buitenbocht nog steeds een passende maatwerkvoorziening. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is gegrond en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 31 juli 2024 heeft het college aan eiseres een traplift toegekend. Daarbij is uitgegaan van plaatsing van een traplift in de buitenbocht. Deze traplift is niet gerealiseerd, omdat eiseres zich niet kon vinden in plaatsing in de buitenbocht.
3. Op 22 januari 2025 heeft eiseres een Wmo-aanvraag ingediend voor een traplift in de binnenbocht. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 januari 2025 afgewezen, omdat geen aanleiding bestond om terug te komen van het besluit van 31 juli 2024. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de eerder toegekende voorziening nog passend is als bedoeld in artikel 12, onder g, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente IJsselstein (de Verordening).
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de gronden nader aangevuld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Van de zijde van het college is verder verschenen: [A] (Wmo-adviseur).
3.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn met maximaal zes weken verlengd.

Overwegingen

4.1.
Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 verstrekt het college een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Naar vaste rechtspraak moet het college bij een aanvraag om een maatwerkvoorziening onderzoek doen naar de hulpvraag, de beperkingen en de mogelijkheden om deze beperkingen te compenseren. Het college moet daarbij beoordelen of de gevraagde voorziening, gelet op alle omstandigheden van het geval, een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. [1]
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vanwege haar beperkingen is aangewezen op een traplift. Partijen verschillen van mening over de vraag of een traplift in de buitenbocht in de situatie van eiseres (nog) als een passende maatwerkvoorziening kan worden aangemerkt.
Volledige heroverweging?
4.3.
Eiseres voert aan dat het college ten onrechte heeft gesteld dat geen volledige heroverweging nodig was. Volgens eiseres gaat het om een nieuwe aanvraag, zodat een volledig onderzoek moest plaatsvinden.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat het college in bezwaar opnieuw onderzoek heeft verricht en inhoudelijk heeft beoordeeld of de eerder toegekende voorziening nog passend is. Daarmee heeft alsnog een volledige inhoudelijke beoordeling van de aanvraag plaatsgevonden. De vraag of het onderzoek zorgvuldig is geweest en of het college de conclusie daarvan aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, bespreekt de rechtbank hierna.
Onderzoek zorgvuldig?
4.5.
Het college heeft aan het bestreden besluit een onderzoeksverslag en advies van een Wmo-adviseur ten grondslag gelegd. Dat betekent dat op het college een vergewisplicht rust als bedoeld in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.6.
Eiseres voert aan dat onduidelijk is wie het advies heeft opgesteld en dat onvoldoende blijkt van deskundigheid. Deze grond slaagt niet. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat het onderzoeksverslag is opgesteld door mevrouw [A] . Zij heeft op zitting toegelicht dat zij sinds 2008 werkzaam is als Wmo-adviseur, daarnaast werkzaam is als verpleegkundige in de revalidatiezorg en ervaring heeft met trapliftvoorzieningen. Daarmee heeft het college voldoende uitgelegd dat het advies is opgesteld door een deskundige.
4.7.
Eiseres voert verder aan dat de bouwtechnische beoordeling waarop het advies van de Wmo-adviseur steunt niet controleerbaar is, omdat het onderliggende rapport van Otolift ontbreekt.
4.8.
Deze beroepsgrond slaagt. De Wmo-adviseur heeft zich voor het bouwtechnische deel van de beoordeling gebaseerd op informatie van Otolift. De onderliggende beoordeling van Otolift zit echter niet in het dossier. Alleen de conclusie daarvan is weergegeven in het advies dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Daardoor is niet controleerbaar welke feiten, metingen en uitgangspunten aan de bouwtechnische beoordeling ten grondslag liggen, hoe de vluchtroute is beoordeeld en welke betekenis is toegekend aan de parkeerstand van de traplift. De rechtbank kan de bouwtechnische conclusie daardoor ook niet goed beoordelen in het licht van wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, waaronder de in beroep ingebrachte foto’s en metingen van de trap. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
Bestaande voorziening nog passend?
4.9.
Eiseres voert verder aan dat het college de beoordeling van de passendheid ten onrechte heeft beperkt tot de vraag of de traplift voldoet aan bouwtechnische voorschriften. Volgens eiseres heeft het college daarbij onvoldoende rekening gehouden met de belangen en veiligheid van medebewoners en onvoldoende betekenis toegekend aan het advies van een ergotherapeut van 12 juli 2024. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres in beroep een tweede ergotherapeutisch advies van 23 december 2025 ingebracht.
4.10.
Deze beroepsgrond slaagt.
4.10.1.
Uit het bestreden besluit en de toelichting van het college op zitting volgt dat het college vooral gewicht heeft toegekend aan de vraag of de traplift volgens Otolift voldoet aan de relevante bouwtechnische eisen en of voldoende ruimte op de trap resteert voor medebewoners. Dat een voorziening bouwtechnisch mogelijk is en voldoet aan toepasselijke voorschriften betekent echter nog niet automatisch dat die voorziening ook passend is in de zin van de Wmo 2015. Dit volgt ook niet uit de door het college genoemde uitspraak van de CRvB van 17 juli 2024. [2] Het college moest dus ook beoordelen of de voorziening in de concrete situatie van eiseres veilig en bruikbaar is en een passende bijdrage levert aan haar zelfredzaamheid en participatie. Daarbij moesten de belangen van medebewoners worden betrokken. [3]
4.10.2.
Uit het bestreden besluit en de onderliggende advisering blijkt onvoldoende hoe de belangen van medebewoners zijn meegewogen en waarom die volgens het college niet maken dat een andere oplossing nodig is. Daarbij betrekt de rechtbank ook de ergotherapeutische adviezen. De eerste ergotherapeut heeft in het advies van 12 juli 2024 een traplift in de binnenbocht geadviseerd vanwege de veiligheid in de thuissituatie. De tweede ergotherapeut heeft in het in beroep overgelegde advies van 23 december 2025, op basis van dossierinformatie en foto’s, geconcludeerd dat de traplift in de buitenbocht in de concrete situatie niet passend is. Daarbij heeft zij gewezen op de verschillen in breedte en diepte van de treden ter hoogte van de bochten en het risico bij het passeren van de traplift. Dat deze ergotherapeut niet zelf ter plaatse is geweest, betekent niet automatisch dat aan dit advies geen betekenis toekomt. Het college heeft – in het licht van deze adviezen – onvoldoende gemotiveerd dat een traplift in de buitenbocht in de concrete situatie van eiseres nog passend is. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2, 3:9 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij moet het college inzichtelijk maken op welke feiten, metingen en uitgangspunten de bouwtechnische beoordeling berust en ingaan op de door eiseres in beroep ingebrachte foto’s en metingen. Verder moet het college de belangen van medebewoners en de twee adviezen van de ergotherapeuten kenbaar betrekken bij de beoordeling van de passendheid van de bestaande voorziening. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
5.2.
Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding. Op zitting heeft haar gemachtigde toegelicht dat dit verzoek alleen aan de orde is als het beroep ongegrond wordt verklaard. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, beoordeelt de rechtbank het verzoek niet inhoudelijk.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 20 oktober 2025;
  • draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van L.A.E. Hagendoorn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
De griffier is buiten staat omde uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
3.Dit volgt uit artikel 12, onder e, van de Verordening.