Eiser betwist de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €1.414.000,- per 1 januari 2023, en vordert een lagere waarde van €1.200.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde, onderbouwd met de eigen aankoopprijs van €1.475.000,- op 1 februari 2022. De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde de prijs in het economisch verkeer weerspiegelt, waarbij het eigen verkoopcijfer als uitgangspunt kan dienen tenzij bijzondere omstandigheden dit ongeschikt maken.
Eiser voert aan dat de woning in verval is met diverse gebreken en dat de ligging naast een industrieterrein met stankoverlast het woongenot aantast, waardoor de aankoopprijs te hoog zou zijn. De rechtbank stelt dat deze gebreken en omgevingsfactoren reeds bekend waren bij aankoop en in de waarde zijn verwerkt. Bovendien was de woning vrij op de markt aangeboden en is de koop zakelijk, mede omdat eiser zelf de meest bereidwillige koper was vanwege zijn bedrijf op het industrieterrein.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en wijst het beroep af. Eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. van der Linde op 20 mei 2026.