Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2832

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
24 mei 2026
Zaaknummer
11767393 \ UC EXPL 25-5468
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 lid 1 BWArt. 6:58 BWArt. 6:82 lid 1 BWArt. 6:87 BWArt. 7:754 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemer aansprakelijk voor gevolgschade door gebrekkige montage voordeur en waarschuwingsplichtschending

Op 21 augustus 2023 plaatste de aannemer een deurkozijn, hardstenen onderdorpel en voordeur bij de opdrachtgever. Na plaatsing ontstonden problemen zoals slecht sluiten, tocht en regeninslag. De oorzaak bleef onduidelijk door tegenstrijdige deskundigenrapporten en het feit dat de deur en onderdorpel inmiddels waren vervangen.

De kantonrechter stelt vast dat de aannemer tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door gebrekkige montage van het kozijn en de deur. Daarnaast heeft de aannemer zijn waarschuwingsplicht geschonden door niet te waarschuwen voor de ongeschiktheid van de door de opdrachtgever gekozen onderdorpel en de kromme deur.

De aannemer is aansprakelijk voor de gevolgschade, waaronder de kosten van vervanging van deur, kozijn en onderdorpel, begroot op € 5.440,-, alsmede de kosten van het deskundigenonderzoek en buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De aannemer is aansprakelijk en moet de gevolgschade, deskundigenkosten, incassokosten en proceskosten aan de opdrachtgever vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11767393 \ UC EXPL 25-5468
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. E.J. Luten-van Welij,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: A.M.J. Dresselhuys, werkzaam bij Uw Rechterhand B.V.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het incidenteel vonnis van 15 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken
  • de mondelinge behandeling van 16 januari 2026 (hierna: de zitting), waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2
Ten slotte is bepaald dat in deze zaak vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
Op 21 augustus 2023 heeft [gedaagde] in opdracht van [eiser] een deurkozijn, een hardstenen onderdorpel en een voordeur in de woning van [eiser] geplaatst. Na uitvoering van de werkzaamheden bleek dat de deur slecht sloot, dat de deur moeilijk op slot ging, dat er regen onder de deur door liep en dat er tocht naar binnen kwam. In geschil is wat de oorzaak van deze problemen is. Heeft [gedaagde] zijn werk niet goed gedaan? Of was de deur, die [eiser] bij [bedrijf 1] heeft gekocht, ongeschikt? De kantonrechter laat in het midden wat de oorzaak is, omdat [gedaagde] in beide gevallen de schade van [eiser] moet vergoeden.

3.De beoordeling

De oorzaak van de problemen met de deur kan niet meer worden vastgesteld
3.1
[eiser] heeft de problemen met de deur zowel bij [bedrijf 1] als bij [gedaagde] gemeld. [gedaagde] is vervolgens op 14 september 2023 samen met een vertegenwoordiger van [bedrijf 1] en twee vertegenwoordigers van [bedrijf 2] , de fabrikant van de deur, bij [eiser] gaan kijken. Naar aanleiding van dat bezoek heeft [gedaagde] tochtstrips op het kozijn geplaatst en heeft [bedrijf 2] het krukgat doorboord en een weldorpel aangebracht op de deur. Dit heeft de problemen niet verholpen. [eiser] heeft daarom [bedrijf 1] en [gedaagde] aangemaand de problemen alsnog te verhelpen. Vervolgens is er discussie tussen [bedrijf 1] en [gedaagde] ontstaan over de oorzaak van de problemen. [eiser] heeft daarom [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1] ) ingeschakeld om de problemen te onderzoeken.
3.2
Op 13 september 2024 heeft [deskundige 1] een inspectie verricht. Zij heeft haar bevindingen opgeschreven in een rapport van 11 november 2024. Volgens [deskundige 1] voldoet de door haar gemeten kromming van de deur van 1 mm aan de daarvoor geldende eisen. De problemen worden volgens [deskundige 1] veroorzaakt door een niet bij de deur passende onderdorpel, de samenstelling van het kozijn en een gebrekkige montage.
3.3
Omdat [gedaagde] het niet eens was met het rapport van [deskundige 1] , heeft hij [deskundige 2] (hierna: [deskundige 2] ) op 12 december 2024 een tegenonderzoek laten uitvoeren. Van dat onderzoek heeft [deskundige 2] op 4 februari 2025 een rapport opgesteld. Volgens [deskundige 2] ligt de oorzaak van de problemen vooral bij de deur zelf: de deur is krom en er zat geen weldorpel op om regenwater tegen te houden. De later door [bedrijf 2] aangebrachte weldorpel is niet goed gemonteerd. Verder is de door [eiser] gekozen onderdorpel niet geschikt voor deze deur, aldus [deskundige 2] .
3.4
Partijdeskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] zijn het dus niet eens over de oorzaak van de problemen met de deur. Tijdens de zitting heeft [eiser] verteld dat hij inmiddels een nieuwe voordeur met kozijn en onderdorpel heeft laten plaatsen en dat hij de door [gedaagde] geplaatste deur en onderdorpel niet meer heeft. Daardoor kan niet meer door een onafhankelijke deskundige worden vastgesteld wat de oorzaak van de problemen was. Maar dat is ook niet nodig. De kantonrechter legt dat hierna uit.
Als wordt uitgegaan van het rapport van [deskundige 1] , moet [gedaagde] de schade van [eiser] vergoeden
3.5
Op grond van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst moest [gedaagde] :
- een kozijn en onderdorpel leveren,
- het kozijn en de onderdorpel plaatsen en
- de door [eiser] bij [bedrijf 1] gekochte deur in het kozijn monteren.
3.6
Als het rapport van [deskundige 1] wordt gevolgd, is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van deze overeenkomst. [deskundige 1] heeft namelijk vastgesteld dat het kozijn niet goed is geplaatst: de bovendorpel is tussen de stijlen gemonteerd in plaats van erop, de stijlen zijn niet loodrecht en niet in één lijn met elkaar gemonteerd en één van de stijlen is licht getordeerd. Ook is volgens [deskundige 1] de deur niet goed gemonteerd: de inkrozingen voor de sluitkommen en scharnieren zijn te groot en de sluit- en hangnaad zijn niet evenwijdig.
3.7
Volgens [deskundige 1] kunnen de deur en het kozijn door de gebrekkige montage niet meer worden gebruikt. Het leveren van de deur maakte geen onderdeel uit van de aannemingsovereenkomst. [eiser] moest daarom een nieuwe deur kopen. Voor deze gevolgschade is [gedaagde] aansprakelijk. [1] Daarvoor is niet nodig dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. De schade aan de deur kan namelijk niet worden weggenomen door de aannemingsovereenkomst alsnog goed uit te voeren. [2]
3.8
Dat is anders voor het kozijn. Het leveren en plaatsen van het kozijn maakten wél deel uit van de aannemingsovereenkomst. [eiser] heeft [gedaagde] per brief van 6 juni 2024 gesommeerd om tot herstel dan wel vervanging van (onder meer) het kozijn over te gaan. Volgens [gedaagde] heeft hij daarna aangeboden om het kozijn gratis te vervangen, maar kon hij dat niet omdat er geen nieuwe deur was. Hij beroept zich daarom op schuldeisersverzuim. [3]
3.9
Dat beroep gaat niet op. [deskundige 1] heeft vastgesteld dat met de deur zelf niets mis was. Anders dan [gedaagde] meent, was de verkoper van de deur ( [bedrijf 1] ) en/of de fabrikant van de deur ( [bedrijf 2] ) dan ook niet verplicht om een nieuwe deur te leveren. [eiser] moest dus zelf een nieuwe deur kopen. Maar [gedaagde] was niet bereid de kosten daarvan te vergoeden, terwijl hij daartoe wel verplicht is. [4] Aan [eiser] kan daarom niet worden verweten dat hij herstel door [gedaagde] heeft verhinderd. Van schuldeisersverzuim is dus geen sprake. Dat betekent dat [gedaagde] voor wat betreft het kozijn in verzuim is geraakt. [5] [eiser] was dan ook bevoegd om in de zogenaamde omzettingsverklaring van 14 april 2025 in plaats van herstel van het kozijn, vervangende schadevergoeding van [gedaagde] te eisen. [6]
3.1
Tot slot heeft [gedaagde] volgens [deskundige 1] een onderdorpel geplaatst die niet geschikt is voor de(ze) deur, omdat die onderdorpel niet over het juiste profiel beschikt. Vast staat dat [eiser] zelf voor een vlakke hardstenen onderdorpel heeft gekozen. Maar dat betekent niet dat [gedaagde] niet aansprakelijk kan zijn voor de gevolgen van die keuze. Op [gedaagde] als aannemer rust namelijk de plicht om te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht, voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. [7]
3.11
Op de zitting heeft de gemachtigde van [gedaagde] gezegd dat het om een nieuw type deur zonder weldorpel ging en dat in het promotiemateriaal niet stond vermeld dat er bij dit type deur een specifieke onderdorpel nodig is om regenwater tegen te houden. [eiser] heeft dat niet weersproken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde] niet wist dat de door [eiser] gekozen onderdorpel niet geschikt was voor de deur. Maar juist omdat het een nieuw type deur was zonder weldorpel en er in het promotiemateriaal niets over een onderdorpel stond vermeld, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om te onderzoeken of de door [eiser] gekozen onderdorpel wel geschikt was voor deze deur. Als gesteld en niet weersproken staat vast dat als [gedaagde] dat had gedaan, hij had ontdekt of had kunnen ontdekken dat een ander type onderdorpel nodig was. [gedaagde] had de onjuistheid in de opdracht van [eiser] dus behoren te kennen en hem daarvoor moeten waarschuwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan en daarom is hij aansprakelijk voor de gevolgen van de ongeschiktheid van de onderdorpel. [8]
3.12
Dat betekent dat [gedaagde] de kosten van het vervangen van de onderdorpel moet betalen. Daarvoor is niet nodig dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. Het staat namelijk niet ter discussie dat als [gedaagde] aan zijn waarschuwingsplicht had voldaan, [eiser] een onderdorpel had gekozen die wel geschikt was voor de deur. De kosten voor het vervangen van de onderdorpel zijn dus een gevolg van het niet voldoen aan de waarschuwingsplicht en nakoming van die plicht is – achteraf – blijvend onmogelijk.
Als wordt uitgegaan van het rapport van [deskundige 2] , moet [gedaagde] ook de schade van [eiser] vergoeden
3.13
Als het rapport van [deskundige 2] wordt gevolgd, moet [gedaagde] ook de kosten van vervanging van het kozijn, de onderdorpel en de deur vergoeden. Ook dan is [gedaagde] namelijk tekortgeschoten in zijn waarschuwingsplicht.
3.14
Voor wat betreft de onderdorpel verwijst de kantonrechter daarvoor naar wat onder 3.10 tot en met 3.12 staat. Wat daar is overwogen en geoordeeld, geldt ook als wordt uitgegaan van het rapport van [deskundige 2] . Want [deskundige 2] is het met [deskundige 1] eens dat de door [eiser] gekozen onderdorpel niet geschikt is voor de door [eiser] aangeleverde deur.
3.15
Volgens [deskundige 2] was daarnaast de deur zelf niet goed: de deur was krom en beschikte niet over een weldorpel. Ook hier geldt dat [gedaagde] [eiser] daarvoor had moeten waarschuwen. Een aannemer moet namelijk niet alleen waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht, maar ook voor gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever. [9]
3.16
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [gedaagde] voor het eerst het standpunt ingenomen dat [gedaagde] [eiser] tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden op 21 augustus 2023 heeft gewaarschuwd dat de deur krom was. [eiser] betwist dat. Volgens [eiser] heeft hij de deur ná plaatsing zelf gemeten, toen hij de problemen constateerde, en vervolgens het een en ander met [gedaagde] besproken. Tegenover deze betwisting heeft [gedaagde] zijn stelling onvoldoende gemotiveerd en/of onderbouwd. Dat [gedaagde] [eiser] tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden heeft gewaarschuwd dat de deur krom was, is daarom niet komen vast te staan. [gedaagde] is dan ook aansprakelijk voor de gevolgen van de ongeschiktheid van de deur.
3.17
Het ligt voor de hand dat als [gedaagde] had gewaarschuwd voor de kromme deur, [eiser] hem de deur niet had laten plaatsen maar terug was gegaan naar [bedrijf 1] voor een nieuwe deur. In dat geval waren de(ze) deur en het kozijn niet beschadigd geraakt. Volgens [deskundige 2] waren de te ruime inkrozingen voor de sluitkommen en scharnieren namelijk het gevolg van de kromme deur. [deskundige 2] is het met [deskundige 1] eens dat de deur en het kozijn niet meer kunnen worden gebruikt. Dat betekent dat [gedaagde] de kosten van een nieuwe deur en een nieuw kozijn moet vergoeden. Ook hier geldt dat daarvoor geen verzuim nodig is, omdat deze kosten het gevolg zijn van het niet voldoen aan de waarschuwingsplicht (vergelijk wat onder 3.12 staat).
De kosten voor het vervangen van het kozijn, de onderdorpel en de deur worden begroot op€ 5.440,-
3.18
[deskundige 1] heeft de kosten voor het vervangen van het kozijn, de onderdorpel en de deur begroot op € 5.440,-. Tijdens de zitting heeft [eiser] gezegd dat hij in werkelijkheid
€ 7.200,- heeft betaald, maar dat hij het door [deskundige 1] genoemde bedrag vordert. [gedaagde] heeft de door [deskundige 1] begrote kosten op zichzelf niet betwist. Het bedrag van € 5.440,- wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet de deskundigenkosten betalen
3.19
[eiser] vordert daarnaast de kosten van [deskundige 1] van in totaal € 1.966,25. Dit zijn kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, die op grond van de wet voor vergoeding in aanmerking komen. [10] Vanwege de discussie die was ontstaan tussen [bedrijf 1] en [gedaagde] over de oorzaak van de problemen met de deur, was de beslissing van [eiser] om onderzoek te laten doen door een deskundige redelijk. Ook de kosten van het onderzoek komen de kantonrechter redelijk voor. Weliswaar zegt [gedaagde] dat de kosten buitenproportioneel zijn, maar hij onderbouwt dat niet. Bovendien zijn de kosten van [deskundige 1] lager dan die van [deskundige 2] . Het bedrag van € 1.966,25 wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
3.2
[gedaagde] is wettelijke rente verschuldigd over het totale schadebedrag van
€ 7.406,25 vanaf het moment dat hij in verzuim is met de betaling ervan. [11] Dit verzuim treedt zonder ingebrekestelling in zodra de verbintenis tot betaling van schadevergoeding opeisbaar wordt. [12] Omdat de schadevergoeding in dit geval ziet op concreet gemaakte kosten, ontstaat opeisbaarheid pas wanneer [eiser] die kosten opeisbaar verschuldigd wordt. Daarover heeft [eiser] niets gesteld, zodat de gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding (6 juni 2025).
[gedaagde] moet buitengerechtelijke kosten betalen
3.21
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter toetst daarom de gevorderde vergoeding aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
3.22
[eiser] stelt buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en vordert vergoeding daarvan. Alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 745,31 toewijst. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dagvaarding (6 juni 2025) wordt ook toegewezen.
[gedaagde] heeft geen tegenvordering ingesteld
3.23
In de stukken van [gedaagde] wordt een aantal keer vermeld dat hij een tegenvordering heeft. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [gedaagde] verduidelijkt dat het gaat om een vordering tegen [bedrijf 1] . Maar [bedrijf 1] is geen partij in deze procedure. De kantonrechter laat die vordering dan ook verder buiten beschouwing.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.24
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [13] Dit betekent dat [gedaagde] zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] aan hem moet betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,02
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.270,02
3.25
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.26
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd. [14] Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een schadevergoeding van € 7.406,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 6 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 745,31 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 6 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; hij moet de proceskosten van [eiser] van € 1.270,02 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
4204

Voetnoten

1.Artikel 6:74 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4732; r.o. 3.6).
3.Artikel 6:58 BW Pro.
4.Zie wat onder 3.7. staat.
5.Artikel 6:82 lid 1 BW Pro.
6.Artikel 6:87 BW Pro.
7.Artikel 7:754 lid 1 BW Pro.
8.Artikel 7:760 lid 2 en Pro 3 in verbinding met artikel 7:754 lid 1 BW Pro.
9.Artikel 7:754 lid 1 BW Pro.
10.Artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en sub b BW.
11.Artikel 6:119 BW Pro.
12.Artikel 6:83 sub b BW Pro.
13.Artikel 237 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
14.Artikel 233 Rv Pro.