ECLI:NL:RBMNE:2026:2812

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/7383
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 WmoArt. 9 Verordening maatschappelijke ondersteuning Amersfoort
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing woningaanpassing op grond van Wmo wegens ontbreken voorafgaande toestemming en ongeschiktheid woning

Eiseres, volledig rolstoelgebonden door een val in 2013, kocht een woning zonder voorafgaand overleg met het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort. Zij vroeg vervolgens een woningaanpassing aan op grond van de Wmo, die door het college werd afgewezen omdat zij niet had voldaan aan het toestemmingsvereiste en de woning niet de meest geschikte was.

De rechtbank oordeelt dat de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amersfoort, waarin het toestemmingsvereiste is opgenomen, correct is gepubliceerd en vindbaar was. Eiseres had zich hierover vooraf moeten informeren. Omdat zij pas na aankoop contact zocht met het college, geldt dat alleen een woningaanpassing wordt verstrekt als de woning de meest geschikte was. Eiseres heeft dit niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de compensatieplicht door het college wordt uitgehold, noch dat het besluit onzorgvuldig is genomen door het ontbreken van een huisbezoek. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezegging is aangetoond. De hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de woningaanpassing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7383

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,het college
(gemachtigde: mr. B. Muminovic).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een woningaanpassing op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna de: Wmo). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo in de vorm van een woningaanpassing bestaande uit een onderrijdbare keuken, een traplift, badkameraanpassingen en aanpassingen van de tuin. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft geestelijke en lichamelijke beperkingen als gevolg van een val van een paard in 2013. Zij is volledig rolstoelgebonden. Eiseres woonde bij haar ouders in een gelijkvloerse woning. Omdat eiseres op zichzelf wilde gaan wonen, is zij op zoek gegaan naar een eigen woning. Zij heeft een eengezinswoning gekocht in Amersfoort-Noord. Het was namelijk de wens van eiseres om dichter bij haar vrienden in Amersfoort te wonen met voorzieningen in de buurt. Er zijn aanpassingen nodig om dit huis geschikt te maken voor eiseres. Op 10 april 2025 heeft eiseres daarom een melding gedaan bij het college voor een woningaanpassing op grond van de Wmo. Het college heeft onderzoek gedaan en daarvan een verslag gemaakt. Op 28 mei 2025 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor woningaanpassing.
4. Het college heeft deze aanvraag afwezen omdat eiseres is verhuisd naar een woning die, gelet op haar beperkingen en noodzakelijke aanpassingen in de woning, niet de meest geschikte woning voor haar was. Zij heeft voor de aankoop geen overleg gehad met het college, zodat er vooraf geen schriftelijke toestemming is gegeven om deze woning te kopen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de aankoop van de woning geen andere woning beschikbaar was die, gelet op haar beperkingen, voor haar meer geschikt zou zijn geweest.
Wat vindt eiseres?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres wijst op het gebrek aan kenbaarheid van de betreffende regelgeving. Het was haar niet duidelijk dat zij vooraf toestemming had moeten vragen en de Verordening is onvoldoende vindbaar. Daarnaast stelt eiseres dat het college haar aanvraag niet had mogen afwijzen wegens het ontbreken van voorafgaande schriftelijke toestemming bij de aankoop van de woning. Zij voert hiertoe aan dat de aangekochte woning wel degelijk geschikt was. Ook was er op het moment van aankoop geen meer geschikte woning beschikbaar. Het is volgens eiseres aan het college om te onderbouwen dat dit niet het geval is. Met de afwijzing heeft het college bovendien de compensatieplicht feitelijk uitgehold. Daarnaast berust het besluit volgens eiseres ook niet op deugdelijk en volledig onderzoek nu er geen huisbezoek is afgelegd. Ook is voorafgaand aan het besluit een verkeerde voorstelling van zaken gegeven door het college. Een consulente heeft namelijk in een gesprek aangegeven dat alleen de vergoeding voor de traplift lastig zou kunnen worden. Eiseres ging er dan ook vanuit dat de aanvraag voor het overige zou worden toegewezen, waardoor de (volledige) afwijzing rauw op haar dak viel. Tenslotte is eiseres van menig dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Juridisch kader
6. Volgens artikel 9, achtste lid, aanhef en onder f, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amersfoort wordt geen woonvoorziening verstrekt indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.
Gebrek aan kenbaarheid en rechtszekerheid?
7. Eiseres heeft in haar beroepsgronden aangevoerd dat de Verordening onvoldoende vindbaar was en het voor haar niet voldoende kenbaar was dat overleg of toestemming voor aankoop van haar woning nodig was om de benodigde aanpassingen vergoed te krijgen. Er kon haar ook niet duidelijk worden aangegeven waar deze voorwaarde te vinden is. Dit betoog van eiseres slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Amersfoort waarin het zogenaamde toestemmingvereiste te vinden is, is namelijk op de juiste manier gepubliceerd en vindbaar op internet. Eiseres had hier dan ook van de hoogte kunnen en moeten zijn. Het had ook op haar weg gelegen om zich hier voorafgaand aan de koop over te (laten) informeren. Het gaat immers over de besteding van gemeenschapsgeld waaraan normaliter (en logischerwijs) voorwaarden verbonden zijn. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat vasthouden aan deze voorwaarde, namelijk het toestemmingsvereiste, excessief formalisme zou zijn. De volgende vraag is dan ook of eiseres aan de voorwaarde heeft voldaan.
Is de woning de meest geschikte beschikbare woning?
8. Niet in geschil is dat eiseres pas nadat zij tot aankoop van de woning was overgegaan contact heeft gezocht met de gemeente. Van voorafgaande toestemming van het college is dan ook geen sprake, zodat alleen een woonvoorziening wordt verstrekt als de aangekochte woning op dat moment de meest geschikte woning voor eiseres was. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet is aangetoond dat de aangekochte woning de meest geschikte woning was. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.
9. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangekochte woning heel geschikt is omdat deze levensbestendig is, geen lift heeft en in de buurt ligt van haar vrienden en voorzieningen als het station. Hiermee miskent eiseres echter dat zij moet aantonen dat dit de meest geschikte woning was gelet op
haar beperkingenniet gelet op haar persoonlijke (begrijpelijke) wensen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ligt het daarbij op haar weg - en dus niet op die van het college zoals eiseres stelt - om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat ten tijde van belang geen geschikte woning beschikbaar was, als zij gelet op de beperkingen is verhuisd naar een woning die niet voor haar geschikt is en zij vooraf geen inlichtingen heeft ingewonnen bij het college. [1] De stelling van eiseres ter zitting dat deze jurisprudentie gelet op de huidige woningmarkt achterhaald is, volgt de rechtbank niet. Het college heeft in dit verband namelijk terecht op gewezen op een recente uitspraak [2] waarin de krapte op de woningmarkt is meegenomen en de CRvB tot dezelfde conclusie komt.
10. Voor zover eiseres met de in de beroepsgronden geciteerde aantekeningen van haar gemachtigde van de hoorzitting wil aantonen dat het college zelf ook heeft aangegeven dat er geen andere meer geschikte woningen beschikbaar waren, volgt de rechtbank dit niet. De omstandigheid dat er geen 100% passende woningen beschikbaar waren betekent immers, wat hier verder ook van zij, nog altijd niet dat de aangekochte woning daarmee ook de
meest geschiktebeschikbare woonruimte was.
11. Eiseres heeft haar stelling dat er geen andere, meer geschikte, woningen beschikbaar waren voor het overige pas op 31 maart 2026 onderbouwd door een email van een makelaar met een lijst van appartementen die van januari 2025 tot en 25 maart 2025 in de verkoop zijn gekomen in de wijk [locatie] . Deze informatie kan echter niet tot een ander oordeel leiden. Hierbij is van belang dat deze informatie te laat is ingediend en dat daarbij niet is aangegeven waarom welk appartement minder geschikt is terwijl dit wel op de weg van eiseres had gelegen. Daarnaast is het overzicht te beperkt in tijd en plek om de conclusie te rechtvaardigen dat er ten tijde van belang geen meer geschikte woningen beschikbaar waren. Het college heeft er in dit verband op mogen wijzen dat de verhuizing van eiseres niet spoedeisend was en niet beperkt hoefde te worden tot een bepaalde wijk.
10.
Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
Strijd met de compensatieplicht?
11. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de compensatieplicht met de handelwijze van het college feitelijk wordt uitgehold. Hierbij is van belang dat het toestemmingsvereiste juist de mogelijkheid biedt om in overeenstemming met de in artikel 4 van Pro de Wmo besloten liggende compensatieplicht maatwerk te bieden. [3] Van strijd met de compensatieplicht is dan ook geen sprake. Deze beroepsgrond faalt ook.
Is het besluit zorgvuldig en niet in strijd met het vertrouwensbeginsel tot stand gekomen?
12. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat er geen huisbezoek heeft plaatsgevonden geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming. Niet in geschil is namelijk dat en welke aanpassingen aan de aangekochte woning nodig waren. Een huisbezoek heeft daarbij geen toegevoegde waarde voor wat betreft de vraag of de aangekochte woning ten tijde van belang de meest geschikte woning was. Het gaat daarbij immers juist (ook) om de eventuele geschiktheid van andere beschikbare woningen, waar een huisbezoek aan de aangekochte woning an sich niets over zegt.
13. Eiseres heeft ook aangegeven dat een Wmo-consulente in een gesprek heeft toegezegd dat haar aanvraag - behalve de traplift - voor toewijzing in aanmerking zou komen. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. In dit verband is echter van belang dat het college heeft betwist dat er een toezegging is gedaan en eiseres haar stelling hieromtrent niet nader heeft onderbouwd. Alleen al daarom dan kan eiseres geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel.
14. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er bijzondere omstandigheden waarom de hardheidsclausule had moeten worden toegepast?
15. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende uiteen heeft gezet dat en waarom geen aanleiding wordt gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Hierbij is van belang dat eiseres niet heeft aangevoerd en onderbouwd welke bijzondere omstandigheid maakt dat juist in haar geval het weigeren van de toekenning van woningaanpassing onredelijk uitpakt. Dat er ook vrienden van eiseres in de wijk wonen en er de nodige voorzieningen zijn, hoeven niet als dergelijke bijzondere omstandigheden te worden gezien. Het college heeft hierin dus terecht geen reden hoeven zien om de aanvraag alsnog toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2868, r.o 4.3 en 4.5, en de uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2951, r.o 4.1 tot en met 4.3.