AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing adoptieverzoek meerderjarige door stiefmoeder wegens ontbreken zeer bijzondere omstandigheden
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 23 april 2026 het verzoek tot adoptie van een meerderjarige door haar stiefmoeder. De verzoekster was op het moment van indiening 19 jaar oud, waardoor niet werd voldaan aan het wettelijke minderjarigheidsvereiste voor adoptie. De stiefmoeder en vader steunden het verzoek, terwijl de biologische moeder bezwaar maakte.
De rechtbank benadrukte dat adoptie een kinderbeschermingsmaatregel is en dat het minderjarigheidsvereiste in artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW strikt wordt toegepast. Jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad bevestigt dat het recht op adoptie niet onder artikel 8 EVRMPro valt en dat het ontbreken van adoptie geen ongeoorloofde inbreuk op het gezinsleven vormt.
Hoewel er een feitelijk gezinsverband bestaat tussen de verzoekster, de stiefmoeder en de vader, oordeelde de rechtbank dat er geen zeer bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste rechtvaardigen. Daarnaast maakte de moeder bezwaar tegen de adoptie, wat niet kon worden genegeerd. De rechtbank concludeerde dat het verzoek daarom moest worden afgewezen.
De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en is vatbaar voor hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot adoptie van de meerderjarige door de stiefmoeder wordt afgewezen wegens het ontbreken van zeer bijzondere omstandigheden en het bezwaar van de moeder.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/603450 / FO RK 25-1515
adoptie
Beschikking van 23 april 2026
in de zaak van:
[betrokkene],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [betrokkene] ,
advocaat mr. C. Goudkamp,
met als belanghebbenden
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. E. van de Burgwal,
[de stiefmoeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de stiefmoeder,
[de vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader.
1.De procedure
1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 28 november 2025;
het verweerschrift van de moeder, met bijlage, binnengekomen op 2 maart 2026.
1.2
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 12 maart 2026, gelijktijdig met de behandeling van de zaak van de broer van [betrokkene] , [broer] (zaaknummer: C/16/603492 / FO RK 25-1517). Daarbij waren aanwezig:
[betrokkene] en [broer] met hun advocaat,
de moeder met haar advocaat (en kantoorgenoot mr. A. Ruizendaal),
de stiefmoeder en de vader.
2.Waar de procedure over gaat
2.1
De moeder en de vader hebben een relatie gehad.
2.2
Hun kinderen zijn:
[broer], geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] .
2.3
De relatie van de moeder en de vader is in 2006 verbroken. Sindsdien heeft de vader een relatie met de stiefmoeder (de halfzus van de moeder). De vader en de stiefmoeder zijn op [trouwdatum] 2019 met elkaar getrouwd.
2.4
Uit de relatie van de vader en de stiefmoeder zijn ook twee kinderen geboren.
2.5
[betrokkene] is opgegroeid in het gezin van de vader en de stiefmoeder. [betrokkene] had tot in 2016 regelmatig (begeleid) contact met de moeder.
2.6
[betrokkene] verzoekt om de (stiefouder)adoptie uit te spreken van [betrokkene] door de stiefmoeder, waarbij [betrokkene] haar huidige geslachtsnaam zal behouden.
De stiefmoeder en de vader staan achter de adoptie.
2.7
De moeder heeft verweer gevoerd.
3.De beoordeling
Conclusie
3.1
De rechtbank zal het verzoek afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Ontvankelijkheid
3.2
Het verzoek had ingediend moeten worden door de stiefmoeder, niet door [betrokkene] . Uit de stukken en de bespreking ter zitting is gebleken dat het verzoek tot adoptie de gezamenlijke wens is van [betrokkene] , de stiefmoeder en de vader. Daarom zal de rechtbank het verzoek toch inhoudelijk beoordelen.
Wettelijk kader
3.3
De rechtbank stelt voorop dat adoptie een kinderbeschermingsmaatregel is.
Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
[betrokkene] was op de dag van de indiening van het verzoekschrift 19 jaar oud. Dit betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW gestelde voorwaarde dat het kind op de dag van de indiening van het verzoekschrift minderjarig is. Adoptie van [betrokkene] door de stiefmoeder is daarom op grond van de nationale wetgeving niet mogelijk.
3.4
Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is het recht op adoptie niet één van de door het EVRM beschermde rechten. Dat een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch gezinsverband is op zichzelf niet in strijd met artikel 8 EVRMPro. Het enkele feit dat adoptie niet mogelijk is wanneer niet wordt voldaan aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, kan daarom in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life.
Ook de Hoge Raad heeft beslist dat aan artikel 8 EVRMPro weliswaar het recht op bescherming van family life tussen de ouders en een door hen geadopteerd kind kan worden ontleend, maar niet het recht om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de eisen voor adoptie volgens de nationale wet. [1]
3.5
Het weigeren van een adoptie kan onder zeer bijzondere omstandigheden zo’n inbreuk maken op het bestaande gezinsleven dat toch voorbij kan worden gegaan aan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van de adoptie vanwege enkel de meerderjarigheid bij de indiening van het verzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRMPro beschermde gezins- en familieleven met zich mee zou brengen. Ook moet de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar zijn.
Inhoudelijke beoordeling
3.6
De rechtbank oordeelt dat er in deze zaak geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waardoor voorbij gegaan kan worden aan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW. Zij zal dit hierna toelichten.
3.7
[betrokkene] is vrijwel vanaf haar geboorte opgegroeid in het gezin van de vader en de stiefmoeder, samen met haar broer en later ook met haar halfzusje en halfbroertje. Tot 2016 heeft er (begeleide) omgang plaatsgevonden tussen [betrokkene] en de moeder. Sindsdien is de moeder niet meer betrokken bij het leven van [betrokkene] . Volgens [betrokkene] , de vader en de stiefmoeder komt dit vooral door de psychische problematiek van de moeder. Volgens de moeder is het contact met [betrokkene] verbroken door de complexe echtscheiding en de negatieve beïnvloeding van [betrokkene] door de vader en de stiefmoeder. Er zijn meerdere procedures gevoerd rondom de echtscheiding, de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling. De vader en de stiefmoeder wilden rust na deze rechtszaken, waardoor zij niet tijdens de minderjarigheid van [betrokkene] een verzoek tot adoptie hebben gedaan. Op dit moment stuurt de moeder af en toe een kaart naar [betrokkene] , of informeert zij naar haar bij [broer] , maar [betrokkene] wil geen enkele vorm van contact met de moeder.
3.8
Vaststaat dat er een feitelijk gezinsverband is tussen [betrokkene] , de stiefmoeder en de vader. [betrokkene] ziet de stiefmoeder als haar moeder en daarom is het voor [betrokkene] belangrijk om door de stiefmoeder te worden geadopteerd. Het is echter in deze tijd – waarin stiefouders en samengestelde gezinnen steeds vaker voorkomen – niet uitzonderlijk dat iemand een betere band heeft met haar ‘sociale’ ouder dan met haar juridische (en biologische) ouder. Volgens de rechtbank is er in dit geval geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste bij adoptie.
3.9
Daarbij komt dat niet enkel de meerderjarigheid van [betrokkene] in de weg staat aan de adoptie, want de moeder maakt bezwaar tegen de adoptie. De moeder vindt het heel erg dat zij geen contact meer heeft met [betrokkene] . Als de juridische band van ouder en kind wordt verbroken door de adoptie zal de moeder haar moederrol volledig verliezen, wat zij heel ingrijpend vindt. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet aan de tegenspraak van de moeder voorbij worden gegaan. Weliswaar hebben [betrokkene] en de moeder nauwelijks in gezinsverband met elkaar samengeleefd, maar er was sprake van een complexe echtscheiding en zij hebben jarenlang omgang met elkaar gehad.
3.1
De rechtbank begrijpt dat de adoptie uit emotioneel oogpunt belangrijk is voor [betrokkene] , de stiefmoeder en de vader, en dat de afwijzing van het verzoek een teleurstelling zal zijn.
4.Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.G. van Doorn, rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.