Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2491

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/6659
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslistermijn overschreden bij bezwaar tegen UWV, dwangsom en proceskosten toegewezen

Adecco Personeelsdiensten B.V. heeft bezwaar gemaakt tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op 19 mei 2023. Het UWV heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, wat aanleiding gaf tot beroep bij de rechtbank Midden-Nederland.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de ingebrekestelling van 19 april 2024 heeft ontvangen en sindsdien de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat een besluit is genomen. Gezien de achterstanden bij het UWV door een tekort aan verzekeringsartsen, bepaalt de rechtbank een redelijke beslistermijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Adecco krijgt tevens een vergoeding van €467 aan proceskosten en het griffierecht van €385 wordt door het UWV aan Adecco vergoed.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het UWV op binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen. Deze uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink op 13 maart 2026.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden alsnog beslissen op het bezwaar en betaalt een dwangsom en proceskosten aan Adecco.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6659

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

Adecco Personeelsdiensten B.V., te Zaltbommel, eiseres,

(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 19 mei 2023.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar bezwaarschrift ingediend op 19 mei 2023. Niet in geschil is dat
verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 15 januari 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling 19 april 2024 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder
dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [1] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond. Het Uwv moet binnen een termijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. van Grootel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.