ECLI:NL:RBMNE:2026:2411

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/16/588400 / HA ZA 25-78
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L. Poort-Gleuste
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:405 lid 2 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht over no cure no pay afspraak in reclamebureau-werkzaamheden

In deze civiele zaak vordert eiseres, een reclamebureau, betaling van facturen voor werkzaamheden verricht voor gedaagde partijen, die maatschappelijk- en welzijnswerk verrichten. Gedaagde stelt dat er een no cure no pay afspraak is gemaakt, waardoor zij niet tot betaling verplicht is omdat geen resultaat is behaald. Eiseres betwist dit en stelt dat zij recht heeft op betaling van de redelijke kosten.

De rechtbank stelt vast dat de bewijslast voor het bestaan van de no cure no pay afspraak bij gedaagde ligt, omdat dit een bevrijdend verweer betreft. Gedaagde krijgt een bewijsopdracht om feiten en omstandigheden aan te tonen waaruit deze afspraak blijkt. Totdat dit bewijs is geleverd, houdt de rechtbank verdere beslissing aan.

De procedure omvatte een mondelinge behandeling waarbij eiseres haar eis heeft verminderd. De rechtbank bepaalt dat gedaagde uiterlijk op 20 mei 2026 moet aangeven of zij bewijs wil leveren, en regelt de verdere bewijsvoering, waaronder getuigenverhoor. Dit tussenvonnis is gewezen door rechter A.L. Poort-Gleuste en op 22 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank draagt gedaagde op bewijs te leveren over de no cure no pay afspraak en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/588400 / HA ZA 25-78
Tussenvonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2.
STICHTING [gedaagde sub 2],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] , in enkelvoud,
advocaat: mr. E. Doornbos.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 november 2025;
- de akte met productie van [eiseres] ;
- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en [eiseres] haar eis heeft verminderd;
- de spreekaantekeningen van [eiseres] .
1.2
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] is een reclamebureau en heeft werkzaamheden verricht voor [gedaagde] op basis van een mondelinge overeenkomst van opdracht. Zij heeft daarvoor aan [gedaagde sub 1] facturen gestuurd ter hoogte van € 25.544,92 inclusief btw en aan [gedaagde sub 2] een factuur van € 8.033,80 inclusief btw. [gedaagde sub 2] heeft daarop € 4.016,90 betaald. De rest van de facturen is onbetaald gebleven. Tussen partijen staat ter discussie welke afspraken zij hebben gemaakt over de betaling van de werkzaamheden van [eiseres] . [gedaagde] stelt dat de afspraak tussen partijen was dat er gewerkt werd op basis van no cure, no pay. Omdat er geen resultaat is behaald is zij niet verplicht de facturen te betalen. Subsidiair betwist [gedaagde] de hoogte van de facturen. [eiseres] betwist dat er een no cure, no pay-regeling is afgesproken. De rechtbank draagt [gedaagde] bewijs op van haar stelling omtrent de gemaakte afspraak van no cure, no pay en houdt iedere verdere beslissing aan.

3.De beoordeling

3.1
[gedaagde] houdt zich bezig met maatschappelijk- en welzijnswerk en is daarvoor afhankelijk van overheidssubsidie en fondsen. [gedaagde] had voor het verwerven van een opdracht voor de Gemeente Den Haag professionele hulp nodig voor het maken van een presentatie en is daarvoor in contact gekomen met [eiseres] . [gedaagde] heeft [eiseres] opdracht gegeven om een whitepaper te maken en een presentatie voor de Gemeente Den Haag. Ook hebben partijen afgesproken dat [eiseres] voor [gedaagde] een nieuwe huisstijl, een nieuw logo en een nieuwe website zou maken.
3.2.
[eiseres] heeft in de periode van januari 2021 en februari 2021 de volgende werkzaamheden verricht:
voor [gedaagde sub 1] :
Ontwikkeling concept, logo, presentatie
- meetings
- concept/content ontwikkeling
- ontwikkeling logo/visualisatie presentatie
- logo/brandsheet HR opmaak/uitleveren
- video edit (uitzoeken fragmenten/montage)
Vervaardigen Website
- copyflow/navigatie/redigeren
- art direction/interactie
- template research/aankoop
- online plaatsen/veilige omgeving
- template vullen
- beeldmateriaal
- accountbegeleiding
Whitepaper den Haag
- copyflow- redigeren
- opmaak in ppt
- accountmanagemanagement incl. meetings
voor [gedaagde sub 2] :
- ontwikkeling logo, huisstijl
- redigeren copy website
- flowchart website
- search beeldmateriaal, wordpress template
- ontwikkeling, uitvoering onepager website
- online plaatsing
- accountmanagement
Website op basis van onepager template
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] deze werkzaamheden in opdracht van [gedaagde] heeft verricht. [eiseres] heeft voor deze werkzaamheden in totaal een bedrag van € 25.544,92 inclusief btw in rekening gebracht bij [gedaagde] En een bedrag van € 8.033,80 inclusief btw in rekening gebracht bij [gedaagde sub 2] . [eiseres] heeft daarvoor op 13 december 2021 aan [gedaagde] facturen verstuurd. [gedaagde sub 1] heeft de facturen onbetaald gelaten en [gedaagde sub 2] heeft een bedrag van € 4.016,90 op de factuur betaald.
Dat [gedaagde] het openstaande bedrag moet betalen staat nog niet vast
3.4.
[eiseres] vordert in deze procedure betaling van € 21.111,50 exclusief btw van [gedaagde sub 1] . In verband met de betaling van [gedaagde sub 2] heeft [eiseres] haar vordering op [gedaagde sub 2] ter zitting verminderd. Zij vordert in deze procedure nog € 4.016,- inclusief btw van [gedaagde sub 2] . [eiseres] stelt dat zij zich aan de gemaakte afspraak met [gedaagde] heeft gehouden om alleen de redelijke kosten in rekening te brengen. Dat partijen deze afspraak hebben gemaakt blijkt volgens [eiseres] uit de kostenbegrotingen die zij op 8 april 2021 aan [gedaagde] heeft verstuurd. In het daarbij gevoegde bericht laat [eiseres] [gedaagde] weten een finance update te sturen met de uren die zij tot dan toe hebben besteed. Daarbij heeft [eiseres] opgemerkt dat de uren laag zijn gehouden en dat [gedaagde] nog een aantal correctie uren tegoed heeft. [1] Volgens [eiseres] is [gedaagde] ook met deze begrotingen akkoord gegaan.
3.5.
[gedaagde] heeft gemotiveerd bestreden dat de door [eiseres] gestelde afspraken zijn gemaakt. Volgens [gedaagde] heeft zij met [eiseres] juist afgesproken dat zij alleen voor de door [eiseres] verrichte werkzaamheden zou hoeven te betalen als zij de opdracht van de gemeente Den Haag toegewezen zou krijgen. Zij heeft met [eiseres] een zogenoemde no cure, no pay afspraak gemaakt. Omdat [gedaagde] de opdracht voor de Gemeente Den Haag niet heeft gekregen is zij niet verplicht [eiseres] het nog openstaande bedrag van de facturen te betalen. Subsidiair heeft [gedaagde] ook de hoogte van de vorderingen bestreden.
[gedaagde] krijgt een bewijsopdracht
3.6.
In het algemeen geldt voor een overeenkomst van opdracht dat de opdrachtgever een redelijk loon verschuldigd is als geen loon overeen is gekomen (artikel 7:405 lid 2 BW Pro). Wat redelijk loon is, hangt onder meer af van de aard en omvang van de te verrichten werkzaamheden en het gebruik in de betreffende branche. [2] In dit geval heeft [gedaagde] de door [eiseres] in rekening gebrachte bedragen voor de gewerkte uren niet bestreden. De rechtbank gaat dan ook van deze bedragen uit tenzij zou komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat [eiseres] de werkzaamheden zou verrichten op basis van no cure, no pay wat uitdrukkelijk wordt betwist door [eiseres] . In dat geval zou [eiseres] geen aanspraak kunnen maken op betaling van de facturen.
De bewijslast rust op [gedaagde]
3.7.
[gedaagde] draagt de bewijslast van de feiten en omstandigheden die zij ten grondslag legt aan haar verweer dat zij met [eiseres] een no cure, no pay afspraak heeft gemaakt. Een dergelijk verweer moet namelijk als een bevrijdend verweer worden aangemerkt waarvan zij volgens de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de bewijslast draagt. [3] [gedaagde] beroept zich namelijk op het rechtsgevolg van de volgens haar gemaakte afspraak namelijk dat zij ontslagen wordt van haar betalingsverplichting. [gedaagde] heeft ook bewijs hiervan aangeboden.
3.8.
Als [gedaagde] slaagt in deze bewijsopdracht dan zullen de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Slaagt [gedaagde] niet in dit bewijs dan zal de rechtbank de vorderingen van [eiseres] toewijzen. [gedaagde] heeft namelijk in dat geval niet onderbouwd waarom de in rekening gebrachte kosten niet redelijk zouden zijn. [gedaagde] heeft de hoogte van de vorderingen dan ook onvoldoende onderbouwd bestreden.
Alle verdere beslissingen worden aangehouden tot het eindvonnis.
3.9.
Omdat er eerst bewijs moet worden geleverd door [gedaagde] kan de rechtbank nu nog geen definitieve beslissing geven over de vorderingen van [eiseres] . Daarom is dit vonnis een tussenvonnis. De definitieve beslissingen zullen worden gegeven in het eindvonnis.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
draagt [gedaagde] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde] en [eiseres] een no cure no pay afspraak hebben gemaakt voor de onder 3.2 genoemde door [eiseres] verrichte werkzaamheden;
4.2
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 20 mei 2026voor
uitlating door [gedaagde] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken,
door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
4.3
bepaalt dat, als [gedaagde] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
4.4
bepaalt dat, als [gedaagde]
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
mei 2026tot en met
augustus 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
4.5
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Utrecht, Vrouwe Justitiaplein 1,
4.6
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
4.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.E-mail van 8 april 2021, productie 20 van [eiseres]
2.HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1680, ro. 3.6.1.
3.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1557, r.o. 3.12