Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2123

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/4978
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet algemene bepalingen omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek tegen gebruik en bouw opslaggebouw in strijd met bestemmingsplan

Eisers hebben een handhavingsverzoek ingediend tegen vermeende overtredingen op het perceel waar een opslaggebouw is gebouwd. Het college heeft het verzoek afgewezen omdat er een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het bouwen en het gebruik in strijd met het bestemmingsplan is verleend. Eisers hebben hun verzoek na het primaire besluit uitgebreid, wat niet is toegestaan.

De rechtbank oordeelt dat eiseres 1 geen belanghebbende is omdat zij onvoldoende directe gevolgen ondervindt. De rechtbank beperkt haar beoordeling tot het oorspronkelijke handhavingsverzoek en constateert dat het college terecht heeft geoordeeld dat er geen overtredingen zijn, onder meer omdat het bestemmingsplan het aantal bedrijven en de bebouwingspercentages per kadastraal perceel niet reguleert.

Daarnaast is het ontbreken van een nulmeting een civielrechtelijke kwestie en is er geen wettelijke verplichting om de buurt te informeren over bouwactiviteiten. De container op de stoep is inmiddels verwijderd. Ook zijn er geen procedurele onvolkomenheden tijdens de hoorzitting vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4978

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen

1. [eiseres sub 1]eiseres 1
2. [eiseres sub 2]eiseres 2
uit [plaats] , eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere

(gemachtigde: mr. A. van Rossem).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het verzoek om handhavend optreden tegen gebruik in strijd met het bestemmingsplan op het perceel aan de [adres 1] in [plaats] . Omdat het college een omgevingsvergunning voor het bouwen van een opslaggebouw op het perceel en het gebruik in strijd met het omgevingsplan heeft verleend, heeft het college geen overtredingen geconstateerd. Eisers hebben hun handhavingsverzoek na het primaire besluit uitgebreid, terwijl dit niet is toegestaan. In deze procedure ligt daarom niet ter beoordeling voor of is gebouwd overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning. Omdat het college een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik heeft verleend en de overige punten uit het handhavingsverzoek geen overtredingen zijn, is de rechtbank van oordeel dat het college het verzoek, voor zover verzoekers belanghebbend zijn, terecht heeft afgewezen.

Procesverloop

1. Eisers wonen aan de [adres 2] en [adres 3] in [plaats] en hebben samen met de familie [naam] op 7 mei 2024 een handhavingsverzoek bij het college ingediend naar aanleiding van heiwerkzaamheden op het perceel [adres 1] in [plaats] . Het verzoek om handhaving is gericht tegen de volgende strijdigheden (met het bestemmingsplan): het gehele perceel bestaat uit drie kadastrale inschrijvingen met iedere afzonderlijke inschrijving een bebouwing van meer dan 90%, een nulmeting ontbreekt, de buurt wordt niet geïnformeerd er staat al één tot anderhalf jaar een container op de openbare stoep waar eisers geen vergunning voor hebben kunnen vinden.
2. Met het besluit van 23 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat haar belangen niet rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken zijn, dan wel eiseres geen gevolgen van enige betekenis van de vermeende overtredingen ondervindt.
3. Met het primaire besluit heeft het college het handhavingsverzoek, voor zover ingediend namens eiseres 2, afgewezen. Aan de afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat voor de locatie op 17 juni 2021 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een budget self-storage en strijdig gebruik is verleend. Deze vergunning is onherroepelijk. Voor zover het verzoek om handhaving ziet op het ontbreken van een nulmeting geldt volgens het college dat dit een privaatrechtelijke kwestie is waarin de gemeente geen rol speelt. Ook bevat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op grond waarvan de omgevingsvergunning is verleend, niet de eis om de buurt te informeren, zodat het college ook daarop niet kan handhaven. Verder stelt het college dat uit een controle is gebleken dat de container op de stoep inmiddels is verwijderd.
4. Tegen het primaire besluit én tegen de omgevingsvergunning van 17 juni 2021 hebben eisers bezwaar gemaakt. Eisers hebben betwist dat niet alle indieners van het verzoek om handhaving belanghebbenden zijn, omdat vergunninghouder bij verzoeken om handhaving gericht tegen vermeende overtredingen op hun percelen door het college wél als belanghebbende is aangemerkt. Ook hebben eisers betwist dat de container is verwijderd. Verder hebben eisers aangevoerd dat niet conform de vergunningsvoorwaarden is gebouwd, de openbare weg wordt belemmerd, er gebouwd is buiten de rooilijn, het gebruik en de bebouwing niet voldoen aan de bepalingen van het geldende bestemmingsplan en meerdere bedrijven op het perceel zijn gevestigd wat niet is meegenomen bij de vergunningverlening.
5. In de besluiten op bezwaar van 17 juli 2025 (de bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van eisers, voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning, niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaren ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn zijn ingediend en eisers daar geen goede reden voor hebben. Het bezwaar van eiseres 1 tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar verzoek om handhaving heeft het college niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft het college het bezwaar van eiseres 2 tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek ongegrond verklaard.
6. Eisers hebben gezamenlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1, gemachtigd namens eiseres 2, en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Gronden van het beroep
8. Eisers voeren aan dat het opslaggebouw in afwijking van de op 17 juni 2021 verleende omgevingsvergunning is gebouwd, omdat de kleurstelling, het materiaalgebruik en de raampartijen anders zijn uitgevoerd en er mogelijk buiten de rooilijn is gebouwd. Vergunninghouder zou deze wijzigingen vooraf hebben besproken met de gemeente, maar een wijzigingsbesluit is niet genomen of gepubliceerd. De feitelijke situatie wijkt volgens eisers ook qua gebruik af van de vergunde situatie en het bestemmingsplan. Zo zijn er meerdere bedrijven in het opslaggebouw gevestigd wat leidt tot een verhoogde parkeerdruk. Het college had volgens eisers in redelijkheid kunnen besluiten om de omgevingsvergunning te heroverwegen, omdat vergunninghouder pas drie jaar na vergunningverlening met de bouw is gestart. Verder voeren eisers aan dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door vergunninghouder wel als belanghebbende aan te merken ten aanzien van hun adressen. Tot slot voeren eisers aan dat er procedurele onvolkomenheden waren op de zitting bij de bezwaarschriftencommissie, omdat de secretaris van de commissie deels de rol van het college op zich nam.
Belanghebbendheid
9. Een verzoek om handhaving is een aanvraag om een besluit te nemen. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. [1] Iemand is belanghebbende als diegene een objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel belang heeft bij het door hem ingediende verzoek. Volgens vaste rechtspraak is degene die feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon- en leefsituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. [2]
10. De rechtbank is met het college van oordeel dat eiseres 1 geen belanghebbende is bij het handhavingsverzoek, omdat eiseres zich onvoldoende onderscheidt van anderen op het bedrijventerrein. Eiseres woont op enige afstand (circa 100 meter) van het opslaggebouw en heeft daarop vanuit haar woning geen zicht. De gevolgen van de vermeende overtredingen zijn voor eiseres door deze afstand niet groot genoeg om van een persoonlijk belang te kunnen spreken. Dat vergunninghouder in een eerdere procedure wel als belanghebbende is aangemerkt bij een handhavingsverzoek met betrekking tot het gebruik van de woning van eiseres 1 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Omdat eiseres 1 geen belanghebbende is, is haar verzoek geen aanvraag om een besluit te nemen. Het college heeft het verzoek van eiseres 1 dan ook terecht niet als aanvraag aangemerkt en in behandeling genomen.
Reikwijdte van het handhavingsverzoek
11. De reikwijdte van een handhavingsverzoek kan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) niet meer worden uitgebreid na het primaire besluit. [3] Het oorspronkelijke verzoek om handhaving ging alleen over gebruik in afwijking van het bestemmingsplan en niet ook over het bouwen van het opslaggebouw in afwijking van de verleende omgevingsvergunning. Dat betekent dat de rechtbank in deze uitspraak alleen kan beoordelen of het college de punten in het handhavingsverzoek van 7 mei 2024 terecht heeft afgewezen. Dat is volgens de rechtbank het geval.
12. Het perceel waar het handhavingsverzoek van eisers op ziet valt onder het bestemmingsplan ‘Muziekwijk’, dat deel uitmaakt van het omgevingsplan. Op het perceel rust de bestemming ‘Gemengd-1’. De voor ‘Gemengd-1’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor bedrijven behorende tot ten hoogste categorie B van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dat het perceel in drie kadastrale percelen is opgesplitst, met ieder afzonderlijk een bebouwingspercentage van meer dan 90%, levert geen overtreding op van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan reguleert een bebouwingspercentage voor het gehele perceel en de kadastrale indeling doet hierbij niet ter zake. Ook reguleert het bestemmingsplan niet het aantal bedrijven dat binnen de bestemming ‘Gemengd-1’ is toegestaan.
13. Het college heeft het verzoek ook terecht afgewezen voor zover wordt betoogd dat geen nulmeting is verricht naar de bouwkundige staat van de omliggende woningen om eventuele schade na de bouw te kunnen vaststellen. Het ontbreken van een nulmeting is een civielrechtelijke aangelegenheid, waarop het college niet kan handhaven. Dat vergunninghouder de buurt niet zou hebben geïnformeerd over de start van de bouwwerkzaamheden levert ook geen overtreding op, omdat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht daartoe geen verplichting bevat. Omdat eiseres 1 op de zitting heeft bevestigd dat de container op de openbare stoep inmiddels is verwijderd, en daarmee geen sprake meer is van een overtreding, heeft eiseres 2 naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij een bespreking van dat onderdeel van het verzoek. Kortom, de rechtbank is van oordeel dat het college het handhavingsverzoek van eiseres 2 terecht heeft afgewezen.
14. De rechtbank is ook niet gebleken van onvolkomenheden tijdens de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie. Uit het verslag van de hoorzitting maakt de rechtbank op dat de secretaris van de commissie samen met de leden van de commissie vragen aan eisers heeft gesteld. Dat de secretaris de rol van het college op zich heeft genomen, in die zin dat de secretaris het college heeft vertegenwoordigd, is de rechtbank met het verslag van de hoorzitting niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
2.Uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, rechtsoverweging 3.2.
3.Uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:743, rechtsoverweging 6.1.